JavaScript is required for this website to work.

De klassiekers: Dante, zonde van het lezen? Ik dacht het niet!

Jürgen Pieters18/2/2024Leestijd 4 minuten
Dante en Virgilius.

Dante en Virgilius.

foto © Wiki

Dante is een van de groten, en hij wist het. Hij verdient dan ook ongetwijfeld om verschillende redenen een plaats in ‘De klassiekers’.

In een reeks over klassieken mogen sommige schrijvers natuurlijk niet ontbreken. Naast Shakespeare (die komt later, beloofd) is Dante een certitude. Klassiek betekent in dit geval ook: vaak genoemd, veel minder vaak gelezen. Het verschil met Shakespeare is significant. Hoe jammer dat ook is, het valt ergens te begrijpen.

Toen ik ooit les kreeg over de auteur van de Divina Commedia – aan de universiteit, in een eerstejaarsvak over literatuur dat, zoals zo vaak, weinig zin in lezen gaf – wist ik het wel zeker: dit eeuwenoude spek is echt niets voor mijn jonge bek.

Dit is wat ik toen dacht: wie van Dante wil genieten, moet niet alleen ingewijd zijn in de middeleeuwse theologie, maar moet ook nog eens geloven in de dogma’s die deze dichter met zijn werk probeerde te verbeelden. Geloven in de bereikbaarheid van het paradijs, de overwinbaarheid van de zonde of het streven naar de alleenheerschappij van de rede.

Dichter van de zintuigen

Het is pas toen ik veel later Dante echt ging lezen dat ik zijn werk echt leerde kennen. Mijn gids (die heb je nodig; ook dat leerde Dante me) was de grote Duitse romanist Erich Auerbach (1892-1957). Die zei dat Dante een dichter van de aardse wereld was, niet van de katholieke hemel. Een dichter van de zintuigen, van het voelen met lijf en leden. Een dichter van wie je het werk kon begrijpen als je je verbeelding maar liet werken.

Laat je niet vangen door alle geleerdheid die generaties commentatoren als een loden mantel over het werk hebben gelegd

Auerbach wees de weg. Laat je niet vangen, zei hij, door alle geleerdheid die generaties commentatoren als een loden mantel over het werk hebben gelegd. Zoek een goede editie met wat voetnoten die hier en daar een referentie verklaren, maar vooral: concentreer je op de tekst, op de beelden, op de klanken. Lees, luister en zie.

We zijn wat dat betreft gelukzakken in de Lage Landen: de in 2000 voor het eerst verschenen vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen biedt wat we nodig hebben: een omzetting van de tekst die de poëzie van het origineel voorop plaatst en achteraan spaarzaam uitleg geeft. Zoals het hoort: niet te veel, niet te weinig.

Aperitiefje

De best mogelijke plek om aan de Goddelijke Komedie te beginnen  – nee, om voor te proeven, voor het eigenlijke begin – is de vijfde zang van het eerste van de drie delen: Inferno, het deel van waarin Dante onder begeleiding van zijn gids Vergilius door de hel dwaalt, door negen opeenvolgende kringen.

In de vijfde zang zitten we in de tweede kring, die van de wellustigen, de eerste waarin de echte zondaars ronddwalen. De eerste kring – de grootste van allemaal – is gereserveerd voor de brave sukkelaars die de pech hadden ongedoopt te sterven. Dat is dus per definitie het geval voor iedereen die geboren werd vóór Christus, die het doopsel heeft ingesteld. Zo ook Vergilius, en met hem alle dichters uit de Oudheid.

In die hellekring uit het vijfde Inferno-canto huizen de schimmen van al diegenen die ooit aan verboden of mateloze hartstocht ten onder gingen. ‘Zij zondigden het meest doordat ze wellust boven rede stelden’, begrijpt Dante van Vergilius. Het eerste wat hem opvalt is dat de schimmen in deze kring behoorlijk meer lawaai maken dan die in de eerste. Ze zweven rond in een ‘storm die hen nooit met rust zal laten’, schrijft Dante. Ze hebben meer dan wie ook te klagen, want ze blijven lijden aan de grootste pijn die er voor de auteur bestaat: hartzeer.

Overspelig

Dante kende die pijn, net als de zonde waarvan ze het resultaat is. De liefde die hem deed schrijven – de liefde voor zijn Beatrice – was bij momenten ook redeloos. En ze bleef eigenlijk overspelig: de geliefde was niet zijn echtgenote.

Dante voelt zich in die tweede hellekring dan ook aangesproken door het geweeklaag. ‘Reeds werd ik door het lijden diep bewogen’, schrijft hij, ‘van wie ik hoorde wenen in dat oord.’ En sommige schimmen herkent hij meteen. Het gaat stuk voor stuk om legendarische vrouwen die het slachtoffer werden van hun eigen hartstocht: Semiramis, Dido, Helena van Troje, …

Requiem

En dan valt de dichter ineens een koppel schimmen op, die aan elkaar zijn vast geklit. Op aanraden van Vergilius spreekt hij hen aan. De man zwijgt, de vrouw doet hun verhaal. Hij heet Paolo, zij Francesca. Zij was getrouwd met de broer van haar geliefde. Toen die hun verraad ontdekte, vermoordde hij hen allebei. ‘Liefde bestemde ons één requiem’, verzucht Francesca.

Dante is niet zozeer geïnteresseerd in hoe deze minnaars aan hun gedeelde einde kwamen. Hij wil weten wat ervoor zorgde dat zij ooit bezweken aan het verlangen naar elkaar. Zijn vraag legt een van de mooiste verzen uit Dantes epos in de mond van Francesca: ‘Nessun maggior dolore che ricordarsi del tempo felice nella miseria.’ Letterlijk vertaald: er bestaat geen grotere pijn dan die van de herinnering aan geluk in tijden van ellende.

Verboden kus

De liefde tussen Paolo en Francesca, zo leren we, sloeg toe toen ze samen aan het lezen waren in een tekst over ridder Lancelot die verliefd werd op Guinevere, de vrouw van zijn baas, de grote koning Arthur. De verboden kus waarover ze lezen, springt als het ware over van de pagina in hun hoofd. Wat ze lezen doet hen beseffen wat ze voor elkaar voelen. ‘Voor verder lezen’, besluit Francesca, ‘hadden wij geen rust.’ Lezen over het bedrijven van de liefde moet altijd verbleken bij de daad zelf. Op een bekend schilderij van deze scène beginnen Francesca en Paolo elkaar te kussen. Het boek dat ze lazen ligt voorgoed op de grond.

Terwijl Francesca hun verhaal vertelt, houdt Paolo niet op met wenen. Dante leeft zo sterk mee dat hij zelf op het einde van de canto buiten westen raakt. ‘E caddi come corpo morto cade’, staat er in het origineel. Opnieuw letterlijk, zonder de klankpoëzie van Dantes allitererende en binnenrijmende vers: ‘En ik viel neer zoals een dood lichaam valt.’

Echt groot

Wie bang is dat met dit vijfde canto uit Dantes Inferno meteen het beste van de Goddelijke Komedie achter de rug is, hoeft niet te vrezen. De memorabele scènes volgen elkaar op en in zowat elke zang zitten verzen en fraseringen die onvergetelijk zijn.

Dante is een van de groten, en hij wist het. In de canto die voorafgaat aan het verhaal van Paolo en Francesca laat hij zich opnemen in de kring van grote dichters. Hij wordt er de gelijke van Homerus, Ovidius en Vergilius. Valse bescheidenheid is hem even vreemd als echte bescheidenheid. Maar misschien is dat soort zelfkennis óók een kenmerk van de echte groten…

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. Recent verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Commentaren en reacties