Het verraad van de taal
J.M. Coetzee over de dominantie van het Engels

J.M. Coetzee is een Australische auteur van Zuid-Afrikaanse origine.
foto © Wikimedia
Kent u Pierre Menard? De fictieve Franse schrijver over wie Jorge Luis Borges in 1939 een van zijn beroemdste verhalen schreef? Dat verhaal (‘Pierre Menard, auteur van de Quijote’) wordt verteld door een kennis van die niet-bestaande woordkunstenaar, die dus de grote literaire verdiensten van Menard in de verf wil zetten. Dat verhaal is vintage Borges: absurd, maar een goede aanleiding tot het overdenken van fundamentele kwesties over taal en literatuur.
Menard nam zich volgens de verteller van Borges voor om woord voor woord en zin voor zin het negende en achtendertigste hoofdstuk van de Don Quijote te herschrijven – of beter: te schrijven. Want hij kopieerde niet. Hij creëerde op grond van zijn verbeelding een nieuwe tekst die, wonder boven wonder, volkomen identiek bleek aan die van Miguel de Cervantes – met exact dezelfde woorden in exact dezelfde volgorde.
Echt volkomen identiek waren die twee teksten natuurlijk niet: ze waren immers geschreven door twee verschillende schrijvers, op een verschillend moment en met verschillende bedoelingen. Het Spaans van Cervantes was fris en nieuw in de 17de eeuw, dat van Menard was eind de 19de eeuw archaïsch. Bovendien was het Spaans voor Cervantes zijn moedertaal, en voor Menard een vreemde taal.
Taalkwesties
Ik moest aan Menard denken toen ik de voorbije weken het boek las over de gesprekken van J. M. Coetzee met zijn Argentijnse vertaalster Mariana Dimópulos. ‘Spreken in tongen’ is de titel. Het gaat over een reeks van complexe taalkwesties die Coetzee ook in zijn romans aan bod laat komen. Kwesties over communicatie, zelfbepaling en machtsontplooiing.
Vragen zonder onmiddellijk antwoord, die (net daarom?) de moeite van het overdenken waard zijn. Vallen we samen met de taal die we spreken? En worden we iemand anders als we een vreemde taal spreken? Hoe komt het dat een taal verwerven op latere leeftijd moeilijker is, terwijl we als kind onze moedertaal als het ware uit het niets leren spreken? Zit de vaardigheid voor die moedertaal in ons DNA?
Dubbele tong
Coetzee en Dimópulos vragen het zich allemaal af om beter zicht te krijgen op de vertaling van literaire teksten. Herhaaldelijk komen ze terug op wat Walter Benjamin in een bekend essay ‘de taak van de vertaler’ heeft genoemd. Die taak blijkt te draaien om het vinden van de juiste balans tussen zelfverraad en het verraad aan het origineel. Een goede vertaler moet een ander proberen te worden zonder zichzelf te verliezen, met dubbele tong spreken zonder vals te klinken.
Vertalers weten als geen ander dat verschillende talen op verschillende manieren naar de wereld kijken. Is het blauw dat in het Spaans ‘azul’ wordt genoemd dezelfde kleur als die uit een Japans vertaalwoordenboek?
Ik herinner me het voorbeeld uit een oude cursus semiotiek: voor wat wij groen noemen heeft het Welsh een woord dat in die taal ook ‘zilver’ kan betekenen. Zijn de inwoners van Wales dan selectief kleurenblind? Natuurlijk niet.
De Pool
Voor liefhebbers van het werk van Coetzee zal wellicht het derde hoofdstuk uit ‘Spreken in tongen’ het meest interessante zijn. Daarin hebben de schrijver en zijn vertaalster het over Coetzees meest recente roman: ‘De Pool’, door Dimópulos vertaald in het Spaans.
Lange tijd was die Spaanse versie de enige die verkrijgbaar was. Voor Dimópulos een interessant gedachte-experiment: ze kon haar versie in zekere zin als het origineel beschouwen. De vertaalster kon het verwijt niet krijgen dat ze het origineel had verraden, want niemand kende het origineel.
Gebroken Engels
Wie Coetzees roman gelezen heeft – ik schreef er in Doorbraak twee jaar geleden een stukje over – zal begrijpen dat dat experiment minder absurd is dan het lijkt. In ‘De Pool’ willen de hoofdpersonages – een Spaanse vrouw en een Poolse pianist – elkaar beter leren kennen. Om te kunnen communiceren, maken ze gebruik van een gemeenschappelijke taal. Ze misverstaan elkaar voortdurend, niet het minst door het gebroken Engels dat ze beiden spreken.
Ook voor Coetzee was het schrijven van De Pool een gedachte-experiment. Om cultuurpolitieke redenen hield hij de Engelse versie enige tijd achter (ook de Nederlandse versie verscheen voor ‘het origineel’). Toen hij aan het schrijven was, voelde hij zich almaar meer vervreemden van zijn Engels, in toenemende mate de taal van globaal machtsvertoon. In het Zuid-Afrika waar Coetzee opgroeide bovendien de taal van de onderdrukker.
Thuistaal
Elders in het boek gaat Coetzee dieper in op zijn verhouding tot het begrip moedertaal. De taalgeschiedenis van zijn familie is wat dat betreft hoogst interessant. Zijn moeder was het kind van een Silezische Pool die zichzelf Duits leerde om een betere opleiding te krijgen. Toen ze in de VS woonde, sprak ze Duits met haar ouders en Engels op school.
Dat bleef ook zo toen Coetzees moeder met haar ouders naar Zuid-Afrika emigreerde. Daar trouwde ze uiteindelijk met een afstammeling van Nederlandse migranten die dus thuis Afrikaans sprak. Ook voor Coetzees vader was de publieke taal (het Engels) anders dan de thuistaal. Dat de latere schrijver een complexe verhouding ontwikkelde met de taal van Shakespeare, die hem over de wereld bekendheid verwierf, is dus niet zo verwonderlijk. Ook voor hem is en blijft het een verraderlijk vreemde taal.
Olive Schreiner
Coetzees gevoeligheid tegenover het Engels blijkt ook uit een andere recente publicatie: zijn bewerking van ‘From Man to Man’, de in het Engels geschreven maar onafgewerkt gebleven roman van de in 1920 overleden Zuid-Afrikaanse schrijfster Olive Schreiner. Coetzee redigeerde het boek, kortte het significant in, maar voegde er ook een nieuw slothoofdstuk aan toe.
In zijn nawoord beklemtoont Coetzee dat het Engels Schreiner opzadelde met vooroordelen tegenover de Afrikaners die in haar roman de centrale personages zijn. Coetzee laat die in zijn eigen slothoofdstuk Afrikaans spreken. Omdat die taal hen eigen was. Een taal die Schreiner, zegt Coetzee, jammer genoeg nooit leerde.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.
De beste boeken zijn die boeken die ik zelf had willen schrijven – als ik maar genoeg tijd en talent had. Zoals The Dog’s Gaze van Thomas Laqueur.






