JavaScript is required for this website to work.

Lessen in lezen: een nieuwe Poëtica van Paul Claes

Jürgen Pieters3/12/2025Leestijd 4 minuten

foto © Poëziecentrum Vzw

Zaterdag wordt in de Gentse Krook een boek voorgesteld dat geheid géén bestseller zal worden. Op Sinterklaas dan nog wel. Hoewel … de grote kinderen die van lezen houden, kunnen dit jaar geen geschikter cadeau krijgen. Als ze braaf geweest zijn tenminste.

De auteur van het boek zal ongetwijfeld niet uitgenodigd worden om zijn waar te komen prijzen in De Afspraak. Een interview in een van de boekenbijlagen die ons taalgebied nog rijk is, zit er vermoedelijk ook niet in, laat staan een twee uur durend gesprek op Radio 1 met Friedl Lesage.

De auteur van het boek is immers alles wat je in het Vlaamse luiletterland vandaag beter niet bent: een oude witte man, erudiet en elitair, gepokt en gemazeld in de traditie. In zijn boeken staart hij zelden naar de eigen navel: dan ben je voor de literatuurbeschouwers te onzent al snel van nul en geen tel.

Ambacht

Paul Claes – want over hem gaat het – wordt op de kaft van zijn nieuwe boek ‘een van de vruchtbaarste en veelzijdigste auteurs van de Lage Landen genoemd’. Dergelijke omschrijvingen moeten natuurlijk iets van overdrijving hebben, maar in dit geval is dat gewoon de waarheid. Claes schrijft romans en poëzie, hij vertaalt en essayeert, en in elk van die genres behoort hij tot de top vijf procent van zijn peers.

Claes’ nieuwe pennenvrucht zal voor wie zijn werk op de voet volgt weinig nieuws bevatten. Het boek verzamelt in bewerkte vorm stukken die eerder in de Poëziekrant verschenen; stukken waarin de auteur op de hem eigen manier – niet meer woorden dan nodig – de traditie uiteenzet van het ambacht dat hij intussen al een halve eeuw beoefent: het ambacht van de dichter.

Aristoteles

Het nieuwe boek presenteert zich als een ABC van de dichtkunst, een Poëtica. Die titel associëren kenners van de literatuur meteen met Aristoteles en Horatius, de voorvaderen uit de oudheid die toen al probeerden aan te geven wat er zo bijzonder is aan de literatuur.

Het voorbeeld van Aristoteles geeft het al aan: de ‘dichtkunst’ beperkt zich niet tot de poëzie (bij hem gaat het vooral over de tragedie). Het gaat in de brede zin van het woord om het kunstig maken van dingen met woorden. Het gaat om een vorm van taalgebruik die – in de woorden van Horatius – lering en vermaak moet brengen; klankplezier en levensles tegelijk.

Hoe, niet wat

Dat het best lastig is om de dichtkunst precies te omschrijven, maakt Claes meteen duidelijk in de openingspagina’s. Hij presenteert er meer dan 40 ‘pogingen tot bepaling’. De mooiste daarvan vind ik deze twee, respectievelijk van een Duitse en een Franse dichter: ‘De dichtkunst geneest de wonden waarmee het verstand ons treft’ (Novalis) en dichtkunst is ‘de uitmuntende expressie van een uitmuntende impressie’ (Joseph Roux).

Samen geven de twee definities aan dat de klemtoon in het denken over dichtkunst enerzijds ligt in hoe iets wordt gezegd (veel meer dan wat er wordt gezegd), en anderzijds in het effect dat de woorden hebben op degene die ze leest of hoort. De literatuur laat zich maar moeilijk dwingen in het soort schema’s dat wel eens voor gewone communicatie wordt gebruikt: wat er gezegd wordt, is niet zomaar een ‘boodschap’.

Techniek

Poëzie is in de ogen van Claes evenzeer een kwestie van aan te leren techniek als van aanleg. Je wordt als dichter geboren, vond Horatius al, maar dat staat niet in de weg dat het schrijven van poëzie (of andere vormen van literatuur) een kwestie van taal- en stijlbeheersing is.

Claes’ achtergrond als docent klassieke talen en zijn jarenlange ervaring als vertaler van dichters uit vele talen zorgt ervoor dat deze Poëtica een arsenaal van klassieke en meer moderne voorbeelden bevat aan de hand waarvan de geheimen van de dichtkunst worden uiteengezet.

Vormvastheid

Of het nu gaat om ‘gebonden’ verzen (met een vast aantal lettergrepen en een vast ritme) of om ‘vrije’ verzen (waarin die vaste regelmaat los wordt gelaten), voor Claes toont de vorm van het gedicht de kwaliteit van de dichter. In een voorbeeldanalyse van Paul van Ostaijens Melopee laat hij dat mooi zien: grote poëzie is klank en ritme die mee betekenis geven.

Dat grondbeginsel bepaalt ook de vertaalopvatting van Claes: wie een gedicht van de ene taal naar de andere wil omzetten, moet niet alleen de inhoud van de tekst vertalen, maar ook rekening houden met de vorm. Het principe is evenzeer bepalend voor de voorbeelden waarmee de auteur graag werkt in zijn Poëtica. De illustraties zijn afkomstig van schrijvers die Claes bewondert om hun vormvastheid.

Onder die voorbeelden zijn ook een aantal dichters die Claes vroeger zelf vertaalde: T.S. Eliot, Rilke en Rimbaud, om maar die te noemen. De historische en geografische reikwijdte van Claes’ handboek is indrukwekkend – van dichters uit de oudheid tot de hedendaagse slam poetry, van de Amerikanen Ezra Pound en Wallace Stevens tot de Japanner Bashõ, wiens haiku’s uit de 17de eeuw over de hele wereld bekend werden.

Zigzag

Parallel met Claes’ Poëtica las ik een voorlopig nog niet gepubliceerd manuscript van zijn hand, waarvan ik hoop dat het snel een uitgever kan vinden. Zigzag heet het boek: het is een verzameling korte beschouwingen die Claes blijkens de ondertitel van het boek in wording ziet als een reeks ‘lessen in lezen’. De honderd korte stukjes waaruit Zigzag bestaat, vinden hun ontstaan in het soort leesnotities die Claes al sinds zijn jeugd bijhoudt in speciaal daarvoor aangeschafte schriftjes. Eerder verschenen er al twee vergelijkbare titels, in 2011 (C) en in 2018 (Serendipity).

Net als in zijn Poëtica laat Claes in deze nieuwe verzameling zijn erudiete autoriteit zien, maar het manuscript toont hem bovenal als een geestige criticus die zich in de speeltuin van de wereldliteratuur blijft vermaken en verwonderen. In een tijd waarin de literatuur al te sterk in het teken staat van belijdenis, moralisme en de waan van de dag, is het verfrissend om een criticus aan het werk te zien die ons herinnert aan de lange traditie van de westerse letteren.

We waren het bijna vergeten: de literatuur is in de eerste plaats een kunstvorm en lezen is een esthetische ervaring, een ervaring die enkel van nut is als ze ook plezier brengt, het plezier dat samengaat met verbeelding en schoonheid.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Commentaren en reacties