De vlucht van het geheugen. Een laatste keer Julian Barnes.

Departure(s), Julian Barnes (2026).
foto © Vintage Publishing
De voorbije jaren is er veel geschreven over de late stijl van schrijvers en andere kunstenaars. De Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said (1935-2003) blijft een referentie als het daarover gaat. In zijn postuum gepubliceerde On Late Style (2006) stelt hij de vragen die velen na hem hebben herhaald.
Verandert de stijl van een schrijver wezenlijk naarmate hij ouder wordt? Hoe verhoudt dat latere werk zich tot het vroege? Verloopt de ontwikkeling in een stijgende lijn? Of is er groeiend kwaliteitsverlies na een te vroeg hoogtepunt? Ook mogelijk: het niveau blijft hetzelfde, de stijl wordt hoogstens wat meer gepuurd.
Afscheid
Saids vragen over de late stijl kwamen bij me op bij het lezen van Departure(s), het boek dat de Britse schrijver Julian Barnes (1946) aankondigde als zijn allerlaatste. In het Nederlands verscheen het vroeger dan in het Engels, onder de minder geslaagde titel Vertrekpunt(en). Het Engelse woord draagt meer een afscheid in zich. ‘Vertrekpunt’ klinkt te veel als een begin, te weinig als de bel van de laatste ronde.
Ik lees Barnes intussen al meer dan 30 jaar. Ik ben ouder geworden met zijn boeken, maar kan niet zomaar zeggen welk van de hiervoor beschreven patronen op zijn werk van toepassing is. Het vroege Flaubert’s Parrot (1984) blijft een absoluut hoogtepunt, maar het lijkt me niet het boek dat een oudere Barnes zou hebben kunnen schrijven. Daar is het te jongensachtig voor, te veel een braniespel.
Memoires
Toch zegt dat vroege boek achteraf gezien veel over de boeken die Barnes later schreef. In die boeken gaat het pad van de liefde nooit over rozen (Talking It Over (1991)) en worden ouder wordende mannen vaak door hun verleden ingehaald en voorbijgestoken (The Sense of an Ending (2011)). Barnes’ boeken tonen hoe verliezen onvermijdelijk deel uitmaakt van het leven en hoe je daar best mee om kunt gaan (Levels of Life (2013)).
Er is nog iets wat Departure(s) gemeen heeft met dat eerdere meesterwerk van Barnes: ook dit boek laat zich niet zo makkelijk in een genre vangen. Flaubert’s Parrot was een roman, dat wel, maar gebaseerd op gebeurtenissen die de auteur zelf had ervaren bij de voorbereiding van een reportage over Flaubert. Tijdens het schrijfproces veranderde die reportage in een roman. Wat Barnes zelf meemaakte, werden de ervaringen van een personage, een door Flaubert geobsedeerde dokter die zijn vrouw had verloren.
Roman?
Departure(s) lijkt dan weer geen roman, al is het boek wel zo in de markt gezet. ‘A work of fiction’, staat er op de flap. Departure(s) neemt de vorm aan van een memoire, de gestileerde herinneringen van een ouder wordende schrijver die weet dat hij zijn laatste boek aan het schrijven is. Net als Barnes is hij 80 en naast oud ook ziek. Hij lijdt aan een vorm van bloedkanker waarvan hij volgens de dokters niet meteen sterven zal. Gezien zijn hoge leeftijd is de kans groot dat hij aan iets anders bezwijkt.
De schrijver van Departure(s) heeft nog meer gemeen met Barnes. Hij heeft zijn vrouw verloren door een hersentumor en is intussen een nieuwe relatie begonnen. En hij heeft een voorliefde voor Franse schrijvers. Dit keer niet Flaubert, maar die andere reus van de Franse roman, Marcel Proust, over wie Barnes meer weet dan vele specialisten Franse letterkunde.
Proust
Departure(s) begint met een lange reflectie over de werking van het geheugen, waarover Proust in zijn La Recherche zo sierlijk schreef. Barnes heeft het vanzelfsprekend over de bekende passage waarin het hoofdpersonage van Prousts roman bij het soppen van een madeleine in een kopje thee, zonder dat hij dat wil, herinnerd wordt aan zijn jonge jaren in het dorp van zijn grootouders.
Proust blijkt volgens neurologen een goed inzicht te hebben gehad in hoe het geheugen werkt, en vooral in hoe onze reukzin een bijzondere rol speelt in het komen en gaan van onze herinneringen. Maar het is Barnes om iets anders te doen. Proust mag het dan in die bekende passage hebben over hoe onze herinneringen aan onze controle ontsnappen, als schrijver heeft hij die herinnering wel zelf gestileerd en herschreven.
In werkelijkheid was de schelpvormige madeleine een doordeweeks stuk brood en het bijzondere kopje thee een banale kop koffie, zo weet Barnes uit brieven en dagboeken van Proust. Het punt zal duidelijk zijn: het geheugen mag de schrijver dan al zijn basismateriaal geven, bij het schrijven zet die dat materiaal naar zijn hand. Niet om iets te verzinnen wat absoluut onmogelijk of onwaar is, maar om zo dicht mogelijk bij de bijzondere waarheid te komen die alleen in romanvorm kan worden getoond. De vlucht van het geheugen moet uiteindelijk op de baan van die waarheid landen.
Stephen en Jean
De lezer doet er goed aan de les van Barnes over Proust uit het eerste hoofdstuk van Departure(s) te onthouden als hij verder leest. Want in het middendeel krijgen we het verhaal van twee oud-studiegenoten van de schrijver, Stephen en Jean. Tijdens hun jaren in Oxford bracht Barnes de twee samen, zij het dat de relatie uiteindelijk strandde. Maar bij toeval krijgt de schrijver vier decennia later de mogelijkheid de twee opnieuw samen te brengen.
Het verhaal van Stephen en Jean (en hun hond Jimmy, die Barnes uiteindelijk erft) neemt een groot deel van Departure(s) in beslag. Net als in de eerdere reflectie over Proust gaat het hier tegelijk over wat een schrijver met de werkelijkheid kan doen. En opnieuw gaat het meer over de grenzen van de verbeelding dan over de wilde mogelijkheden ervan.
Wederom loopt het verhaal van Stephen en Jean namelijk met een sisser af. Ze trouwen, dat wel, maar de liefde loopt niet zoals verhoopt. En de schrijver kan niet anders dan hun verhaal vertellen zoals hij dat hier doet: vertrouwend op de verbeelding die hem zijn hele schrijversleven lang zo sterk aan de werkelijkheid gekluisterd hield.
Flair
Departure(s) is het boek van een schrijver op leeftijd die laat in het leven blijft doen waarin hij al die jaren zo goed is gebleken. De mensheid met mededogen bejegenen, strenger voor zichzelf dan voor anderen, en altijd met ‘Britse flair’. Relativerend wanneer het moet, hoopvol wanneer het mag. Of hij over 50 jaar nog gelezen wordt, is van geen belang. Lezen doen we altijd in het nu. Ook als het over vroeger gaat, of over later.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.
De beste boeken zijn die boeken die ik zelf had willen schrijven – als ik maar genoeg tijd en talent had. Zoals The Dog’s Gaze van Thomas Laqueur.






