JavaScript is required for this website to work.

Wanneer de doden weer spreken: de brieven van Cicero

Jürgen Pieters19/11/2025Leestijd 4 minuten
Ik en Rome, 2025

Ik en Rome, 2025

foto © Uitgeverij Van Oorschot

In zijn wonderlijke traktaat De Amicitia stelt Cicero dat niets de vriendschap beter typeert dan dit: vrienden zijn degenen die in ons leven blijven ook nadat ze het tijdelijke voor het eeuwige hebben ingeruild. Ook al zijn ze dood, ze blijven onze vrienden. Onze vriendschap houdt hen immers in leven, al was het maar omdat we gesprekken met hen blijven voeren, over de grens tussen leven en dood heen.

Nadat hij in de zomer van 1345 in een bibliotheek in Verona een verzameling brieven van Cicero vond, bracht Petrarca die boodschap in de praktijk. Hij schreef Cicero op een half jaar tijd twee brieven. Dat zijn correspondent er al veertien eeuwen niet meer was, deed er niet toe. Cicero had het hem geleerd: dode vrienden zijn echte vrienden.

Petrarca’s brieven aan Cicero staan in vele opzichten aan het begin van het vroegmoderne humanisme. ‘Ik heb lang en vaak naar jouw brieven gezocht’, vertrouwt hij zijn dode vriend aan het begin van zijn eerste brief toe. Toch gaat het hier niet gewoon om een blijk van bewondering. Petrarca is kritisch voor zijn vriend, eerlijk, soms hard, zoals echte vrienden voor elkaar moeten zijn.

Beschaamd

Petrarca heeft vragen bij de vleet. Waarom wilde Cicero op het einde van zijn leven zo graag politicus blijven? Waarom was de filosofie niet voldoende voor hem in die moeilijke tijden? Was de eer die hij wou niet van het verkeerde soort? En waarom kon hij zelf niet de deugden belichamen waarover hij zo overtuigend schreef – standvastig zijn, vooruitziend en verstandig?

De vroegmoderne humanist windt er geen doekjes om: hij ondervindt plaatsvervangende schaamte voor zijn vriend, die de kunst van het denken inruilde voor het geploeter van het doen, en daarmee zichzelf ten val bracht. In een tweede brief drukt hij het een paar maand later als volgt uit: in de kunst van de welsprekendheid zal Cicero zijn grote voorbeeld blijven, maar een rolmodel voor een deugdzaam leven is hij allerminst.

Handen

Petrarca wist goed hoe zijn vriend aan zijn einde was gekomen. In de overgangsperiode van de Republiek naar het Keizerrijk maakte Cicero de ene verkeerde keuze na de andere. Eerst koos hij partij tegen Julius Caesar en later – na diens dood in 44 voor Christus – zat hij opnieuw in het kamp van de verliezers.

Met tragische gevolgen deze keer: zijn naam belandde op de lijst van politici die op bevel van de latere keizer Augustus uit de weg moesten worden geruimd. Eind 43 was Cicero niet meer. De legende wil dat zijn hoofd en zijn handen op het Forum Romanum werden tentoongesteld: het hoofd dat zo goed kon denken en de handen die de talrijke redevoeringen schreven waarmee de 63-jarige Cicero al sinds zijn 25ste bekend was.

Kerstboom

Diezelfde handen brachten ook duizenden brieven voort, korte en lange, geschreven in een carrière die ruwweg vier decennia omspande. Wat we weten over de politiek gesproken erg wispelturige tijden waarin Cicero leefde, weten we voor een behoorlijk deel precies door die brieven.

836 zijn er bewaard; ze kunnen alle in het Nederlands gelezen worden: ‘Alle brieven’ staat er op het stofomslag van het bij Van Oorschot bijzonder mooi uitgegeven boek – en op de al even fraaie cassette waarin dat boek zit. Een beter boekengeschenk kan er dit jaar niet onder kerstboom liggen.

Otium

Een groot deel van de brieven is gericht aan iemand die Cicero Atticus noemt, zijn beste vriend die zijn roepnaam dankt aan het feit dat hij in Griekenland (‘Attica’) woonde. Cicero’s broer – aan wie in deze uitgave ook verschillende brieven staan – was getrouwd met de zus van Atticus. De uitgave opent met een brief uit november van het jaar 68 voor Christus. Terloops meldt Cicero de dood van zijn vader, maar hij heeft het vooral over Griekse beelden die hij zoekt voor de decoratie van zijn landgoed in Tusculum.

Dat landgoed is de plek waar Cicero in verschillende van zijn brieven expliciet naar snakt. Het is de plek van de rust die het drukke politieke bestaan hem ontzegt. ‘Ik ben zo dol op mijn huis in Tusculum’, schrijft hij aan Atticus, ‘dat ik alleen maar tevreden ben als ik daar ben.’ Het is de plek van wat in het Latijn van Cicero ‘otium’ wordt genoemd, de vrije tijd die aan het vrije denken kan worden besteed en die in contrast staat met het ‘negotium’, de tijd van het trage gemarchandeer, waarin er ‘genegotieerd’ moet worden.

Troost

Tusculum is ook de plek waar later Cicero’s Tusculanae disputationes tot stand komen (Gesprekken in Tusculum, in de vertaling van Cornelis Verhoeven). Het is een van zijn bekendere filosofische traktaten. Hij schreef het na de dood van zijn dochter Tullia, met een uitgesproken therapeutisch doel: het vinden van een filosofisch perspectief dat de pijn draaglijk maakt en het rouwen productief.

Ook de nieuwe brieveneditie bevat correspondentie waarin Cicero op dat smartelijke verlies ingaat. Hij verzet zich danig tegen dat verdriet, zo laat hij Atticus in een brief uit maart 45 weten, maar toch blijft de pijn knagen. ‘Het verdriet is sterker dan elke troost’, zo verzekert hij zijn vriend, maar het schrijven erover verlicht wel de pijn. ‘Ik kan je verzekeren dat er geen betere troost is’, aldus Cicero.

Aristoteles

Nu de brieven van Cicero in het Nederlands voorhanden zijn, kunnen ook wij ons een beeld vormen van wat de schrijver zou hebben geantwoord als hij de verwijten van Petrarca daadwerkelijk te lezen had gekregen. Cicero was een politiek dier, veel meer dan Petrarca dat wilde.

Zijn denken (we wisten het al en het wordt hier in talrijke brieven bevestigd) steunt op filosofische tradities uit de Griekse Oudheid – de Stoa, het denken van Epicurus, de ethiek van Aristoteles. Voor die laatste bestond er een intrinsieke band tussen de vriendschap en de troost. Echte vrienden, zo schreef Aristoteles in zijn Ethica, zijn degenen die ons het best kunnen troosten. De meest persoonlijke brieven die Cicero aan Atticus schreef, tonen dat ook aan. Tussen die twee bestond echte vriendschap.

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent. In 2021 verschenen 'Literature and Consolation' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts). Hij werkt aan een nieuw boek over lezen in contexten van zorg.

Commentaren en reacties