JavaScript is required for this website to work.
BINNENLAND

Forum

Brusselse rellen als opstapje voor meer sociale status

Darya Safai (N-VA): ‘Deelnemen aan geweld tegen politiemensen lijkt intern veel minder te worden bestraft. Waarom?’

Darya Safai (N-VA) is vrouwenrechtenactiviste, lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en auteur van onder andere 'Van de cel naar de Kamer' (Doorbraak).

4/2/2025Leestijd 4 minuten

Nieuwjaarsnachten monden in Brussel uit in een orgie van geweld. Daar kun je je horloge gelijk op zetten. Sterker nog: je kunt er ook je gps op afstellen. Het is ook telkens in dezelfde wijken dat er wordt gereld: Kuregem en Laag-Molenbeek, twee stadsdelen met een sterke oververtegenwoordiging van de Maghrebijnse gemeenschap.

Brusselaars weten ook waaróm het telkens daar weer hommeles wordt: omdat het jonge mannen zijn uit de Marokkaans-Belgische gemeenschap die de motor van die rellen vormen. Zij organiseren de brandstichtingen en aanvallen op orde- en hulpdiensten via WhatsApp- en Telegramgroepen. En zij maken het leeuwendeel uit van de relschoppers.

Dat terugkerend geweld is geen bescheiden fenomeen. Telkens nemen er grote groepen jonge mannen aan deel die geboren en getogen zijn in de wijken waar het tot onlusten komt. De daders zijn dus welbekend in de lokale gemeenschap.

Dat noopt me tot een oncomfortabele vaststelling. Hoe komt het dat zij dit gedrag zo openlijk durven stellen, nota bene in de buurt waar zij zelf wonen? Het antwoord is: omdat hun gemeenschap daar onvoldoende sociale sancties aan verbindt. De amokmakers verliezen geen vrienden door hun relschopperij: ze blijven even welkom op de pleintjes in hun buurt en hetzelfde geldt voor familiefeesten en het vrijdaggebed in hun lokale moskee.

Sterke sociale normering

We staan er niet genoeg bij stil hoe ongewoon én verontrustend dat is. Stel dat een autochtone jongeman een auto in de fik zou steken in zijn eigen wijk, met als doel de brandweer in de val te lokken en die daarop te bekogelen met kasseien en molotovcocktails.

Wat zou de reactie daarop zijn van zijn familie, buren, vrienden en ruime gemeenschap? Juist: zij zouden hem daarvoor bestraffen met sociale uitsluiting. Niemand wil een agressieveling onder zijn vrienden, die geen enkel respect kent voor het bezit en de fysieke integriteit van anderen. Zulk gedrag wordt binnen de Vlaamse gemeenschap sociaal niet getolereerd. Hetzelfde geldt voor allochtone gemeenschappen met een sterke sociale normering, zoals de Turkse of de Italiaanse.

Het bevestigt dat zij geen sociale uitsluiting vrezen, maar net hopen om hiermee sociale status te verwerven

Diezelfde reflex blijkt merkwaardig genoeg veel minder aanwezig te zijn binnen de Marokkaans-Belgische gemeenschap van Kuregem en Laag-Molenbeek. Dat blijkt uit het feit dat zij geen enkele schroom of schaamte vertonen over hun gedrag. Integendeel: zij lopen ermee te koop, zowel in hun eigen groepen als op de pleintjes in hun wijk. Dat bevestigt dat zij geen sociale uitsluiting vrezen, maar net hopen om hiermee sociale status te verwerven.

Wilde Westen

Bestaat er binnen die gemeenschap dan helemaal geen mechanisme van interne sanctionering? Is ze één groot Wilde Westen, waarbinnen alles kan, alles mag en alles wordt bedekt met de mantel der liefde? Uiteraard niet. Ook daarbinnen bestaat er een sociale code die wordt afgedwongen door sociale controle en bestraft met sociale uitsluiting. Op verschillende vlakken is die sociale controle zelfs sterker ontwikkeld dan binnen de autochtone Vlaamse gemeenschap.

Wie als Marokkaanse-Belgische inwoner van Kuregem of Laag-Molenbeek overspel zou plegen met een getrouwde vrouw uit diezelfde gemeenschap, wordt daaruit meteen definitief verstoten. Om maar één voorbeeld te noemen. Zelfs een in ons ogen banaal vergrijp als het openlijk negeren van de ramadan kan er sociaal isolement opleveren.

Deelnemen aan geweld tegen politiemensen lijkt daarentegen intern veel minder te worden bestraft. Waarom? Omdat dit geen inbreuk vormt op de interne sociale code? In het antwoord op deze vraag kan de sleutel liggen om dit geweldfenomeen te vatten, evenals de passieve manier waarop de lokale gemeenschap daarop reageert.

Politieke correctheid

Het geweld tijdens rellen is weliswaar ernstig, maar richt zich dus niet op de eigen gemeenschap. Het doelwit van de agressie ligt daarbuiten: de westerse samenleving, waarop een aanzienlijk aantal mensen binnen die gemeenschap neerkijkt. Die samenleving is namelijk ‘ongelovig’.

Zij percipiëren de politie-, brandweer- en hulpdiensten stuk voor stuk als instituties die deze samenleving vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor de Belgische overheid op zich. Daarom haten en bekampen zij de geüniformeerde vertegenwoordigers van die overheid, wanneer zij zich durven wagen in ‘hun’ wijken.

Statistisch onderzoek naar etnoculturele oververtegenwoordiging in daders en slachtoffers van gewelddelicten zijn taboe

Deze analyse gaat niet alleen op voor de terugkerende rellen, maar ook voor andere vormen van geweldscriminaliteit — als ze zich doelbewust richt op mensen van buiten de eigen gemeenschap. Dat fenomeen staat bekend als ‘gangsterislam’.

Om redenen van politieke correctheid wordt dat in België niet in kaart gebracht. Statistisch onderzoek naar etnoculturele oververtegenwoordiging in daders en slachtoffers van gewelddelicten is hier taboe. We mogen dat niet onderzoeken, omdat we het niet mogen benoemen.

Verboden onderzoek

Sterker nog: zulk onderzoek wordt vanuit politieke hoek onmogelijk gemaakt. Het wordt de politie verboden misdaadstatistieken bij te houden naar etnoculturele achtergrond. Wie beschikt over de Belgische nationaliteit mag enkel als ‘Belg’ voorkomen in de statistieken, ook al heeft de dader nog een identiteitskaart van een ander land in zijn achterzak zitten.

Hoofdcommissaris Michel Goovaerts, die de politieactie tegen de rellen op nieuwjaarsnacht leidde, beloofde in De Standaard van 9 januari om ‘een kat een kat te noemen’. Waarna hij niet verder kwam dan de nietszeggende mededeling dat de daders ‘grotendeels jongeren zijn uit Brussel zelf’.

Wegkijkgedrag

Door dit wegkijkgedrag worden vooraanstaande politici uit de Marokkaans-Belgische gemeenschap van Brussel amper tot niet aangesproken over dit geweldfenomeen. Nochtans is dat nodig.

Mocht ik journalist zijn bij de VRT, ik schoof de Brusselse PS-voorzitter Ahmed Laaouej meteen een micro onder de neus met de volgende vragen: ‘Hoe komt het toch dat er in Kuregem en Laag-Molenbeek geen spontane initiatieven ontstaan om relschoppers van straat te halen? Waar zitten de vaders en ooms van die jongeren, die in dezelfde straten wonen? Waar bleven hun imams? En hun lokale politici? Al die vernielingen en al dat geweld, gepleegd in hun eigen wijk door jongeren uit hun eigen gemeenschap: is dat dan allemaal hun probleem niet?’

‘Stigmatiserend’

Die vragen stellen ze niet. Waarom niet? Dat zou ‘stigmatiserend’ zijn, zo luidt het devies. Alsof je hiermee zou insinueren dat élke Brusselse Marokkaan een relschopper is. Uiteraard niet. De relschoppers zijn hoogstens met enkele honderden, terwijl de gemeenschap minstens honderdduizend leden telt.

Toch wordt het tijd om te kappen met de schroom om de oververtegenwoordiging van die gemeenschap te benoemen. De rellen zijn geen ‘allochtoon’ probleem, ze zijn een Marokkaans-Brussels probleem. Want wat leverden die vele jaren van wegkijken ons op? Elk jaar wordt het probleem erger.

Tijd voor actie

De Belgische staat kan dit probleem onmogelijk alleen oplossen. Alleen al het tekort aan penitentiaire capaciteit verhindert een lik-op-stukbeleid, op de schaal die daarvoor nodig is. Op korte termijn kan dit geweldfenomeen enkel worden teruggedrongen als ook de gemeenschap waaruit de relschoppers komen actie onderneemt.

Te beginnen met maatschappelijke afkeuring en het sanctioneren van relschoppers met sociale uitsluiting. Maar ook via oudercomités die de straat op gaan om jongeren die vandalisme en geweld plegen daarop aan te spreken. En neen: dat is niet te veel gevraagd, dat is wat elke gezonde sociale gemeenschap zou doen wanneer ze met dit fenomeen wordt geconfronteerd.

Darya Safai (N-VA) is vrouwenrechtenactiviste, lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en auteur van onder andere 'Van de cel naar de Kamer' (Doorbraak).

Commentaren en reacties