JavaScript is required for this website to work.
CULTUUR

Een hypocriete burgerlijke gluurder

Dagboekaantekeningen (120)

NieuwsBenno Barnard20/7/2025Leestijd 5 minuten
Illustratiebeeld.

Illustratiebeeld.

foto © RV

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.

Ik neem ook een abonnement

Maandag 9 juni
Margaret en Pete, overburen, hebben een roodbruine corgi, die Cassie heet en begint te keffen zodra ik met Sammie verschijn, maar meteen zwijgt als Margaret haar tot de orde roept.
‘Als ik jouw hond was, zou ik ook bang voor je zijn,’ zeg ik.
‘Waarom denk je dat Pete altijd in de pub zit?’
Ik maak een wandelingetje van het type dat ‘constitutional’ wordt genoemd, een uurtje ter regulering van de bloeddruk, de maagsappen en de pomp die als zetel van de emoties dient. In de velden van Pat bots ik op een van de ontelbare Sues, een naam die in mijn generatie door staatskraamklinieken standaard op elke derde wieg werd geplakt.
We maken een praatje. Sammie apporteert haar tennisbal, terwijl Sue – deze heet verder nog Orchard – ritmische rukjes geeft aan de riem die haar met het zenuwachtige object van haar moederinstinct verbindt. ‘Mijn ouders zijn hier verstrooid,’ zegt ze.
Ik doe mijn best de verbazing in mijn blik in begrip te veranderen voordat het licht de ogen van Sue Orchard bereikt, maar ze staat ongeveer een meter van me vandaan, zodat ik 1/300.000.000ste van een seconde de tijd heb. De woorden komen uit de grote contextloosheid die Sue Orchard omgeeft. Het licht is al een paar miljoen kilometer verderop als ze eraan toevoegt: ‘Ze waren allebei alcoholist. Vanaf hier kun je het dak van de Red Lion zien, vandaar. Wat meer kun je voor je ouders doen…’

Dinsdag

Ik heb een afkeer van alle ostentatieve seksualiteit. Misschien heb ik wel enige preutsheid van mijn moeder geërfd, dat lieve damesachtige voortbrengsel van de Hollandse burgerij. Hoe weinig ik ook op mijn moeder lijk, hoezeer ik ook, uitgedrukt in de taxonomie van het dierenrijk, tot de familie van de Boheemse nachtdieren behoor – ik besef maar al te goed dat het burgerlijke decorum ons tegen onszelf beschermt.
Eerder dan een macho ben ik een hypocriete burgerlijke gluurder, een liefhebber van decolletés waarvan de welving net niet in het onwelvoeglijke overgaat en bij voorkeur met een in het dal bungelend paradoxaal kruisje. U kent dat soort vrouwen uit Italië. Ik houd een vrolijk matriarchaat dan ook voor de beste samenlevingsvorm.

Donderdag
Het zonlicht laat zich voorzichtig in de tuin zakken, en wanneer ik opkijk van mijn boek beginnen de rode rozen te gloeien: ik zie ze vanuit het perspectief van de bank in de serre, waar ik met De Toverberg in mijn handen zit, niet zozeer zit te lezen als wel domweg zit, want mijn concentratie vraagt eigenlijk om het harde fundament van een tafel. Ik dreig waarachtig als een oud mannetje telkens in te dommelen, maar een bromvlieg kwelt me in mijn halfslaap… En terwijl er niets gebeurt, gebeurt er ook te veel en bijgevolg treedt er een soort versnelling van de tijdservaring op – ik ben een paar alinea’s gevorderd en de zon gaat alweer onder…
Manns proza wikt en weegt de tijd, bestaat zelf uit die onverklaarbare stof, ontleedt en is het verstrijken ervan en de variabelen van dat verstrijken, de versnelling of vertraging die optreedt bij nieuwe ervaringen en de daaropvolgende gewenning – het vormt een papieren berg van negenhonderd pagina’s, die ik eerst tergend langzaam beklom, maar die me nu naar zijn top trekt. Het is een monsterlijke gezondheidswandeling, het verblijf van de jonge Hans Castorp in het sanatorium, een raadsel dat hem ziek maakt en tegelijk geneest, en intussen is onze arme held in eindeloze gesprekken over de Europese beschaving verwikkeld.
Het boek eindigt in 1914 (het is een van die boeken waarvan je de inhoud kent zonder dat je ze gelezen hebt). Je gaat op een berg zitten kletsen en als je weer beneden komt, is het wereldoorlog.
In het enige sanatorium dat ik ooit van nabij gezien heb, een relatief klein gebouw in Laren, verbleef mijn vader. Hij was als tuberculosepatiënt in 1944 uit Berlijn teruggekomen; in 1959 onderging hij een operatie waarbij een long verwijderd werd (ik heb dit eerder verteld). Bij die operatie verliet hij zijn lichaam: hij zweefde als een ballon naar het plafond en zag zichzelf op de operatietafel liggen, een ervaring waaraan hij, anders dan u misschien denkt, geen metafysische conclusies verbond. Het was gewoon zo. In het Arbeitslager in Berlijn sliep boven hem een Rotterdamse havenarbeider, die in zijn slaap vloeiend Frans sprak, terwijl hij geen Frans sprak. ‘Het was gewoon zo.’ Tegen de achtergrond van de oorlog was niets anders speciaal abnormaal.
Hij moest na die uittreding en herintreding zes maanden in dat sanatorium verblijven. Ik was een kleuter. Mijn zus speelde alleen-op-de-wereldje, met mij in de rol van de vondeling Rémi. Ik herinner me beeld en geluid van bruine bladeren waarin ik schoppend gevonden liep te worden door mijn zus, die alle andere rollen speelde. En ik herinner me mijn vader van negenendertig, die dapper zwaaide vanaf zijn balkon, want hij was nog besmettelijk. Maar hij besmette mij evengoed, met literatuur en tuberculose. Ik testte jaarlijks positief bij het tbc-krasje; mijn domkoppen van klasgenoten deinsden jaarlijks achteruit wanneer de mantouxtest het rode bultje op mijn arm had gevormd (arrogantie was mijn verdedigingsmiddel, ik denk niet dat ze bijzonder dom waren). Maar ik dwaal af naar mijn zelf, de plek voor middelmatige mensen.
‘Ik mocht jullie niet omhelzen,’ vertelde mijn vader veertig jaar later onder tranen. Hij haalde een grote witte zakdoek te voorschijn, trompetterde zo luid mogelijk, stopte de zakdoek weer weg en glimlachte naar me. Hoe goed ben ik me dat huilen van mijn vader gaan herinneren, het huilen van een vader, waarvan ik de afgrondelijkheid toen nog niet kon peilen.
‘Ja jongen,’ zei hij, terwijl ik me over de vraag boog waar ik kijken moest, ‘Laren was erger dan Berlijn voor mij.’

 

Later
Het sanatorium van Mann, hoog in de Alpen gelegen, heet Berghof. Iemand – een historicus, een criticus, een schrijver – moet zich toch net als ik verbaasd hebben over de sinistere overeenkomst met de naam van Hitlers verblijf in de Alpen, maar daarvan vind ik op het internet geen spoor.
Zou geen enkel lid van Hitlers initeme kring het magnum opus van de als ontaard beschouwde, met een Jodin getrouwde Thomas Mann gelezen hebben? Of was er wel iemand die het boek kende – Goebbels misschien – maar durfde hij het niet aan om Hitler op de kwestie te attenderen?
Hitlers buitenverblijf als sanatorium; het sanatorium als satanische plek… het toeval wijst over zijn schouder op nieuwe interpretatiemogelijkheden.

 

Zaterdag 14 juni
In De Standaard verschijnt een opstel van mijn hand over Lady Chatterley’s Lover, dat een paar ideeën over de liefde formuleert. Het bevat, geloof ik, geen boodschap. Maar als een van mijn ideeën al zo brutaal is geweest om de omtrekken van een boodschap aan te nemen, dan luidt die: ‘Trouw met Poppy en gedraag je een beetje’ (ik besef dat slechts een minderheid onder ons met Poppy kan trouwen).
Gewoontegetrouw stuur ik het aan mijn nietzscheaanse vriend Peter De Graeve: ‘Maar in hemelsnaam, besteed er niet te veel aandacht aan! J’écris pour la soupe, ook al ben ik het met mijn schrijfsel eens.’

Hij reageert zacht, begrijpend, mijn diepzinnige vriend stelt me gerust: ‘Ik ontwaar eenzelfde zachte gloed als in sommige stoïcijnse teksten ten tijde van Imperium Romanum. Hoe je in onze eigen, volkomen warrige tijd niet zozeer het einde van een beschaving – want die zou zomaar nog wel een paar generaties gezapig door kunnen gaan – als wel het afsterven van alle vitaliteit observeert, zonder de minste nostalgie. Wat mij dan weer nostalgisch maakt.’
Te veel eer. Ik ben anders vaak genoeg nostalgisch: vroeger was het beter omdat vroeger voorbij is.

En dan slijpt hij zijn potlood en schrijft: ‘Wellicht is onze allerlaatste emancipatie de meest despotische: het zich-bevrijden uit (alle gezeur over) redelijkheid. Ieder zijn eigenheid. Ons aller waanzin.’

’s Avonds
Op de bank gezeten, af en toe een verstrooide blik op het televisiescherm werpend, waar een moord op Britse wijze wordt ontrafeld, speel ik met de oren van Sammie, uit kraakbeen en fluweel vervaardigde oren, oren waarvan je kleine damesbeursjes zou kunnen maken – de aanraking verrukt haar en mij op verschillende wijze: ik besef hoe geen enkele stof op aarde zachter is dan dit fluweel, dat dit kraakbeen bekleedt, maar wanneer mijn gedachten wijd worden, maakt de universele zachtheid die ik voel dat mijn duim en wijsvinger in hun strelende beweging verstarren, en dan drukt Sammie haar oor in de kom van mijn hand, alsof ik dat oor te voorschijn moet blijven strelen uit zijn eigen zachtheid…

Categorieën

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

Zondag 12 april Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève …

Commentaren en reacties