JavaScript is required for this website to work.
Buitenland

Europa, Europa

Dagboekaantekeningen (76)

Benno Barnard2/11/2022Leestijd 7 minuten
De synagoge van de Hongaars-Servische stad Subotica.

De synagoge van de Hongaars-Servische stad Subotica.

foto © WikiMedia Commons

Van Hongarije naar Servië – van het Hongaarse Boedapest naar het Servisch-Hongaarse, prachtig ontoeristisch gebleven Subotica / Szabadka.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Dinsdag 27 september

Bij het presidentieel paleis exerceert de wacht, twaalf in grijsgroen uniform gehulde soldaten, toegeschreeuwd door een officier. De wacht exerceert, zij gehoorzaamt Hongaarse bevelen, links, rechts, in de houding, knopen dof glimmend in waterig zonlicht, geweer hemelwaarts gericht, waar de wolken samentrekken als een meteorologische troepenmacht. Het wekt onze lachlust en we lachen luidkeels, maar de brave soldaat Švejk ontbreekt in de rangen: dit Hongaarse blijspel heeft te veel fascistoïde trekken. We lachen uitdagend en de officier verstart, knopen inspecterend; een spasme trekt door zijn nek, met een wilde ruk verplaatst hij een onderdeel van de glorie waarmee de soldaat voor zijn neus is uitgerust, die gesp, die verdomde gesp moet een halve centimeter naar rechts… Onze lach is respectloos, maar we lachen hulpeloos omdat onze ouders het monster hebben gezien en hun angst aan ons hebben doorgegeven. Onze insubordinatie is atavistisch.
Een politieagent beent op ons af en zegt iets in het Hongaars. Ook de stemverheffing van deze wetsdienaar helt over naar het totalitaire. ‘Va te faire enculer’, zegt Peter. Maar de agent kent geen Frans en ongeschonden wandelen we langs het Vissersbastion naar beneden; halverwege onze afdaling belt Anikó om ons uit te nodigen voor een glas.

’s Avonds

Een somber plein. We beklimmen drie trappen die in graniet zijn uitgehakt. Jas aan de kapstok. Ze gaat ons voor naar de keuken, waar het stokoude gasfornuis, aan het afschilferen sinds de jaren zestig, een ode aan de naglans van email brengt. ‘Kook je daarop, Anikó?’ Wat zou ze er anders op doen. Ze ontkurkt een fles. We begeven ons naar de woonkamer.
Haar appartement is lang geleden ingericht, door haarzelf, maar dan in de rol van haar grootmoeder: tussen de donkere meubels hurken de schaduwen, de boeken doen een middagslaapje, het spinet wacht op haar vingertoppen. We vlijen ons neer tegenover de toppen van de kastanjebomen op het morose plein.

Ditjes, datjes. Dan vertelt ze over haar kortstondige huwelijk met een achterneef in Boedapest: in 1986 had ze voor het eerst toestemming aangevraagd om Transsylvanië te verlaten, en jaarlijks moest ze dat verzoek herhalen in een persoonlijke brief aan de Conducător. Pas na zijn dood kwam de toestemming, maar toen kon ze het land sowieso verlaten… Inmiddels was ze werkelijk verliefd geworden op haar achterneef; ze trouwden, maar het huwelijk hield geen stand. Nu heeft ze een nieuw Roemeens paspoort aangevraagd.
‘Waarom?’
‘Veiligheidshalve. De ironie van de geschiedenis wil dat de kans op een totalitair regime hier nu groter is dan in Roemenië.’
De schemering stijgt van het plein op en dringt de woonkamer binnen; we nippen van onze wijn, terwijl het naamwoord zijn werkwoord baart: nu schemeren we, als in een ouderwetse roman.

De conversatie wordt wijsgeriger, we bespreken het gevaar van het denken in ideologische schema’s. ‘Er loopt een weg van de allereerste internationale naar de kampen in Siberië’, zegt Anikó.
Er loopt ook een weg van de Place de la Bastille naar Auschwitz’, zegt de sociaaldemocraat Peter.
Scherpzinnige constateringen, maar er zijn ook andere paden en wegen, andere afsplitsingen van de oorspronkelijke heilsleer. Abstrahering van de werkelijkheid is het gevaar dat ons denken altijd weer bedreigt. Is het verwerpelijk dat we alleen Oekraïners als welkome gasten ontvangen? Waarom geen Afghanen? Maar waar de kromming van de aarde begint, begint ook de abstractie.

Woensdag

We vertrekken per trein naar het tweetalige Subotica in Servië, een provinciestad uit het keizerrijk, waar een grote Hongaarse minderheid vreedzaam samenwoont met de Servische meerderheid, maar ooit was dat anders, tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen de Pijlkruisers hier tekeer, de Duitsers kwamen… Enfin, dat moet u zelf maar opzoeken, ik doceer geen geschiedenis.

In elk geval heb ik er een belangrijk deel van mijn roman gesitueerd, terwijl ik er maar één keer eerder ben geweest, met Peter natuurlijk, en dan nog per toeval, een bezoek dat een middag duurde, meer tijd hadden we toen niet. Dat was kort voor de diefstal van de Krim; we reisden op de bonnefooi per auto door Hongarije, staken de grens met het berooide Servië over en belandden pardoes in een droomachtige stad vol architectuur uit de nadagen van de Donaumonarchie. Een stad met een grote Hongaarse minderheid. Een stad met een vermoorde Joodse minderheid.

Onze huurauto toen was comfortabeler dan de trein nu. Van de conducteur moeten we 590 forint toeslag betalen, hoewel de treinrit zelf ons, bejaarde apologeten van de volksverheffing, geen cent kost. In ernstiger valuta is 590 HUF, laten we zeggen, een gulden. Maar de echte problemen ontstaan pas na aankomst in Szeged, waar onze vraag naar de verbinding met ‘Szabadka’ (zoals Subotica in het Hongaars heet) de zweetklieren van de loketbeambte prikkelt en tegelijk haar spraakcentrum blokkeert – vele druppels parelen op haar voorhoofd en paniekerig roept ze: ‘Bus, bus… not train… tomorrow…’ Ze krabbelt ‘10.50’ op een blocnote en drukt het voldongen feit tegen de ruit. Blauwe inkt. 10 uur 50. Tomorrow.
‘Merde. Volgens internet is er een treinverbinding’, zegt Peter.
‘Maar er is geen trein.’ (Later ontdekken we dat de Chinezen bezig zijn een hogesnelheidslijn van Thessaloniki naar Boedapest aan te leggen, een stalen zijderoute, waarvoor ze gebruikmaken van de bestaande spoorwegbedding.)

We kunnen Szeged bezoeken en een hotel nemen. Maar aan de andere kant van de grens staan er twee opgemaakte bedden op ons te wachten. En dus nemen we een taxi. De chauffeur heet László en voor de vijfenvijftig kilometer vraagt hij honderd gulden. De Servische douane knikt naar onze paspoorten. We zien geen rollen prikkeldraad en ook geen migranten, al weten we dat er van beide soorten grote aantallen bestaan.

Vijftig minuten later zitten we aan een tafeltje met een gehaakt kleedje, in een weemoedig appartement op de begane grond van nummer 15 in een Korzo geheten straat, midden in het kleine centrum; je bereikte het door een binnenplaats vol onkruid over te steken, bukkend voor wasgoed dat theatraal hangt te drogen. De Hongaarse eigenares heet Lívia. Ze wijst op de folkloristische motieven die nog door haar overgrootmoeder met rode draad in het tafelkleed zijn geborduurd.
Ja, het is een vermoeiende onderneming… Mijn favoriete manier van reizen is nog altijd om op een divan te liggen en het landschap voorbij te laten dragen. In die houding herinner ik me ook het beste mijn kindertijd.

Donderdag

We wandelen mijn roman binnen. Op het plein voor het stadhuis en in de zijstraten zijn tal van gebouwen in de laatste stijl van het onzichtbaar creperende rijk gebouwd: de Sezession, de Oostenrijkse Jugendstil. We kopen een stadsplan in de Gradska Knjižara — de ‘stadsboekhandel’ volgens mijn miezerige pan-Slavisch — die naar Danilo Kiś is genoemd. Deze interessante schrijver is hier geboren in 1935, maar de boekhandelaar heeft geen idee waar zijn geboortehuis zou kunnen staan. ‘Vraagt u dat misschien eens bij de toeristische dienst in het stadhuis.’
‘Die zag er nogal gesloten uit’, zeg ik. Nu valt het groene gezicht van de boekhandelaar me op.
‘O, die is gewoonlijk gesloten’, zegt de boekhandelaar.
‘Hebt u ook ansichtkaarten?’
‘Anischtkaarten. Nee, daar is geen vraag naar. Misschien hebt u meer succes bij de toeristische dienst.’
‘Maar die is gewoonlijk gesloten.’
‘Wat wilt u ook’, zegt de boekhandelaar. ‘Er komen hier nooit toeristen.’ Hij glimlacht afstotelijke bruine stompjes bloot. Is dat nu de lichtval… Houdt dat door de bomen gezeefde, diffuse, groenige licht me nu voor de gek? Zijn huid is beslist groen…

We slenteren voor de tweede keer in ons leven naar het Jakab en Komorplein, waar de grote synagoge, met haar uiensoep van Slavische torens, voor onze neus verrijst. We naderen de synagoge en de synagoge wijkt terug. We zijn al op het Jakab en Komorplein en die schepping van de belle époque, met haar vele curven, verrijst nadrukkelijk voor onze neus, maar Peter staat vrijwel stil, terwijl onder hem zijn benen zich toch blijven voortbewegen, zodat de enige conclusie kan luiden dat de synagoge zich terugtrekt. Ook mijn benen wekken de indruk aan het wandelen te zijn, in een flaneertempo dat bij de omgeving past, tenslotte ben ik een toerist — maar de synagoge trekt zich daar niets van aan, of juist wel natuurlijk: zij doet zich onbereikbaar voor. Er zijn hier tenslotte geen toeristen…
‘Peter’, zeg ik, terwijl ik mijn arm over zijn vochtige schouder sla, ‘herinner je je dat dit de op een na grootste synagoge van Europa is?’

We betreden het godshuis voor de tweede keer in ons leven en we blijven staan onder de enorme koepel, die ieder beschaafd mens wel het zwijgen moet opleggen. De restauratie was bij ons eerste bezoek nog bezig, maar is nu voltooid. We blijven jarenlang staan, prismatisch belicht door veelkleurige gebrandschilderde ramen met schelp- en bloemmotieven.

’s Avonds

We eten lamsvlees in een traditioneel Hongaars-Servisch restaurant, met een zwijgzame ober, rood-wit geblokte tafelkleedjes en uitzicht op de poesta door de ramen van enkele grote schilderijen. Die synagoge blijft ons bezighouden.
‘Herinner je je het oude Volkshuis in Brussel?’ zegt Peter. ‘Dat was door Horta ontworpen omdat de arbeidersbeweging niet achter wilde blijven bij de bourgeoisie.’
‘En je denkt dat de Joodse bourgeoisie hier haar emancipatie wilde demonstreren?’
‘Precies. Er is bij mijn weten verder nauwelijks een synagoge in Sezessionstijl.’

Later drinken we te veel wijn in een café dat Bűfé heet, waar Franse chansons worden gedraaid en een Servische blondine een dronken gesprek met Peter aanknoopt, terwijl een homo vraagt wanneer mijn volgende boek uitkomt.

Vrijdag 30 september

Bij het onheilspellende busstation van Subotica, waar emmers in de hal op de volgende stortbui wachten en waar straks de bus naar de luchthaven van Belgrado vertrekt, een dodenrit van drie uur, hangen een paar migranten rond, jongemannen met een vuile deken rond hun schouders; een van hen heeft een zwarte vuilniszak omgeslagen, een gekortwiekte vogel.

Maandag 3 oktober

Weer thuis, maar wat is thuis. Joy, in wier handen ik de mijne leg. Tafelgebed. Ze is blij dat ik thuis ben, bedankt de hemel en vraagt om wederzijds begrip. Dit zijn altijd mijn meest atheïstische momenten. Ik voeg aan haar woorden toe dat ik hoop op dagen gevuld met liefde. Zo communiceren Joy en ik onze verlangens via een derde punt, alleen is dat God in plaats van een satelliet.

Vrijdag  

Jim Hobbs belt. Barbara is vanochtend vroeg overleden. ‘Haar gezicht ontspande zich volledig. Het was mooi om te zien.’
Ik zie beide kabouters weer door het gangpad schrijden, twee verweduwde mensen, op weg naar hun tweede huwelijk, nog maar een paar jaar geleden. Barbara had zieke longen, dat wisten we allemaal, maar dat hield dit geluk niet tegen.
Hoe blijft hij zo rustig? Zijn brein produceert stoffen die zijn leven tweedimensionaal maken, wat hem overkomt overkomt een kartonnen Jim, een kleine oude man in een film — tot de eerste kluit aarde op de kist hem wekt en het verdriet nooit meer weggaat. Zo is het mij althans vergaan.

Donderdag 13 oktober

De Nobelprijs is zowaar aan Annie Ernaux toegekend. Lees De jaren. Ze drukt haar nobele gedachtegoed — waarmee ik sympathiseer — in magere zinnetjes uit. Die kroon was toch bestemd om op de schedel van de schrijfkunst te worden geplant? Het is alsof iemand een wind laat en de Nobelprijs voor scheikunde ontvangt.

Maandag 17 oktober

Een schrijfster klaagt over het feit dat een boek van haar op geen enkele longlist terecht is gekomen. Ze schrijft twintig jaar en heeft tien prijzen gewonnen. Ik schrijf veertig jaar en heb vier prijzen gewonnen. Ze is dus vijf keer zo goed als ik. De onbenulligheid huldigt de onbenulligheid — dat is de literaire werkelijkheid. De weinige voortreffelijke schrijvers zijn gewoonlijk te gedistingeerd om bekroond te worden. Zie het geval Beurskens. Zie de dichter Willem van Toorn. Et cetera. Het geval Barnard verbiedt zijn uitgeverij zijn boeken voor prijzen in te zenden.

Dinsdag

De eerste verkoudheid sinds het begin van de pandemie. Covid was de idioot van het gezin Corona en overschreeuwde iedereen. Maar nu is Snot terug.

Woensdag 26 oktober

Een nieuwe canon van de Nederlandse letteren, het resultaat van een enquête onder lezers. Ook als ik er wel op had gestaan, zou ik deze beschamende vertoning geminacht hebben: wat klassiekers uit voorbije eeuwen en verder de bestsellers van de voorbije jaren. Lanoye wel. Nooteboom niet. Et cetera. Wie staat er aan het sterfbed van de Nederlandse beschaving? Zie voorts maandag 17 oktober.

Zaterdag 29 oktober

In de herfstzon is het rood van de esdoorn in Pat’s Fields van een onovertroffen schoonheid. Wat symboliseert dit rood? Typisch de vraag van een dichter. Niets misschien. Of wat u maar wil.
Ik roep de honden, ik wandel verder; al roepend en wandelend zie ik het enige beeld voor me dat ik van de Cubacrisis heb bewaard, die zestig jaar en één dag geleden haar verzadigingspunt bereikte: met het rood van de esdoorn contrasteert het spookachtige wit van de verwrongen gezichten bij de radio (de kast van gefineerd hout met het groene lampje en de zacht vibrerende stof die voor de luidspreker is gespannen), maskers die aan mijn arme bange ouders toebehoren. ‘Kom ’s hier, jongen’, zegt mijn arme bange moeder en zonder dat ik begrijp wat er gaande is in de evenwijdige werkelijkheid van de volwassenen zie ik hoe mijn arme bange vader zijn vuisten balt…

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

Meer van Benno Barnard

In Zwitserland kletsen we in lucide dronkenschap over de uitgestorven mens, naar wiens beeld en gelijkenis AI geschapen is. En we bestellen nog een fles.

Commentaren en reacties