JavaScript is required for this website to work.
post

Gott is tot. Leve God

Philip Roose28/4/2019Leestijd 12 minuten
Vraag uw samenleving niet wat ze voor u kan doen. Vraag u af wat u kan doen voor
uw samenleving.

Vraag uw samenleving niet wat ze voor u kan doen. Vraag u af wat u kan doen voor uw samenleving.

foto © Photo by Helena Lopes from Pexels

De samenlevingsproblemen zijn reeds lang gekend, het is tijd om er zélf iets aan te doen.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Zoals Friedrich Nietzsche in de tweede helft van de negentiende eeuw had voorspeld – hij was dan ook een genie — stierf God in het geweten van de westerse mens. Langzaam maar zeker werd de goddelijke ethiek in de samenleving vervangen door ideologieën geboren uit de Verlichting. Bij het socialisme, kapitalisme en communisme stond de sociaaleconomische positie van de burger in de maatschappij centraal. Bij het liberalisme en het nationalisme (en vanaf jaren 80 ook het communautarisme) speelden dan weer begrippen zoals vrijheid en broederlijkheid een cruciale rol. Bij het humanisme en personalisme draaide alles daarentegen rond de mens. Maar God? Die verdween bijna volledig uit het leven en denken van de westerse mens. Gott ist wirklich tot.

Valse profeten

Maar nu, twee eeuwen na de Franse Revolutie en de Verlichting, zijn zelfs deze ‘ersatzreligies’ ook op sterven na dood. De burger stelde het materieel nooit beter, maar toch is men niet gelukkiger dan vroeger. Integendeel, depressie, zelfmoord, burn-outs, eenzaamheid, apocalytische gedachten, het vluchten in roesmiddelen… zijn sinds een paar decennia aan een opmars bezig. Enerzijds zijn de ideologische zekerheden verdwenen, met een duidelijke versnelling sinds het einde van de Koude Oorlog, en scoren de traditionele partijen nog nooit zo slecht in de verkiezingen. Valse profeten en zekerheden hebben weer succes, en populisten met diverse achtergronden overtuigen sinds een decennia steeds meer zwevende en wispelturige kiezers, op zoek naar een ideologische houvast. Anderzijds werden spontane en traditionele instituties zoals gezin, familie, parochie en volk ontdaan van hun belang en socioculturele functie, en kwam daarvoor in de plaats een verbasterde versie van Nietzsches Übermensch: het absolute zelfbeschikkende individu, die zichzelf losmaakte van de familiale, sociale en culturele traditie en alleen op het eigen ego (maar nog meer op een overheidstoelage) steunt.

Materialisme

Wat vandaag nog overblijft van het demos is een politiek kader: de democratische rechtsstaat. Een politiek systeem van regels en procedures, die echter zonder gemeenschappelijk verhaal een lege doos blijft. In het Westen vulde men deze doos sinds de Tweede Wereldoorlog, en vooral sinds de ontkerkelijking, voornamelijk met een materialistische inhoud.  Zowel het Amerikaanse consumptiemodel als de marxistische sociaaleconomische analyse streefde elk op eigen manier naar meer gelijkheid, de ene door de marktwerking en de andere door overheidsherverdeling, en veranderde de mens in een consument of een economische factor. De grootte van het menselijk geluk liep rechtevenredig met de grootte van de koopkracht en de  materiële zekerheid. Om dit te bewerkstelligen werd het concept vrijheid steeds meer een synoniem voor gelijkheid: hoe materieel gelijker de samenleving, hoe vrijer iedereen wordt.

Francis Fukuyama citeerde daarvoor in The End of History and the Last Man de toenmalige Tsjechische president en conservatief Vàclav Havel: ‘The general unwillingness of consumption-oriented people to sacrifice some material certainties for the sake of their own spiritual and moral integrity is a phenomenon that is hardly unique to communist societies. In the West, consumerism induces people to make moral compromises with themselves daily, and they lie to themselves […] in the name of […] ideas like ‘self-realization’ or ‘personal growth.‘ Dit vertaalde zich de voorbije decennia in een steeds grotere overheid die niet alleen elk aspect van het sociaaleconomische leven van de burger wou beheersen, maar ook steeds meer langsheen de wetgeving een politiek correct gelijkheidsdiscours wil opleggen in naam van de vrijheid. De homo sapiens en transcendens werd een homo consumens en habens; van denkende en transcendente mens naar een consumerende en bezittende mens. Het liefst allemaal evenveel. Indien René Descartes vandaag had geleefd, werd ‘Je pense, donc je suis’ hoogstwaarschijnlijk vervangen door ‘Je consomme, donc je suis’ of  ‘Je possède, donc je suis’, en was er voor de dubito, of twijfel, al helemaal geen plaats meer.

Individualisme

In 1946 schreef Jean-Paul Sartre in L’existentialisme est un humanisme: ‘L’existence précède l’essence‘. Het bestaan (existence) gaat vooraf aan de zin of het wezen van dat bestaan (essence). Het existentialisme geloofde immers dat de mens zichzelf kon definiëren door middel van de eigen daden, en dat iedereen uiteindelijk zelf verantwoordelijk was voor de eigen zingeving en het eindresultaat. Het absolute zelfbeschikkingsrecht was geboren.  Deze filosofische stroming sloot nadeloos aan op het nihilisme van Nietzsche, die bijna honderd jaar eerder reeds poneerde: ‘Was bedeutet Nihilismus? Dass die obersten Werten sich entwerten. Es fehlt das Ziel. Es fehlt die Antwort auf das ‘Wozu?’. De waarheid werd afgeschaft, en daarmee ook de christelijke zin en doel van het leven.  Het einde van de waarheid, en dus van God, betekende dat de weg naar de zogenaamde totale individuele vrijheid en zelfrealisatie open lag. Niet God maar de mens kon voortaan zichzelf definiëren, de eigen waarden kiezen, het eigen lot bepalen. En dit alles los van de sociale, familiale, religieuze en culturele context waarin die was opgegroeid. Eindelijk vrij!

Het nihilisme en daarna het existentialisme werd na de jaren 60 hét dominerende intellectuele discours in het Westen. De traditionele maatschappij- en familiebanden moesten daarvoor eerst worden afgebroken, als waren het ketenen die de Westerse mens ervan weerhielden volkomen ‘zichzelf te zijn’. Dit mondde uit in een postmodern cultuurrelativisme, waarbij absolute waarden of dogma’s werden afgeschaft, maar ironisch genoeg ook werden vervangen door nieuwe: de verheerlijking van de individuele zelfbeschikking en de materialistische geluksgarantie.  Deze visie vond vooral een natuurlijke bondgenoot in het marxisme en aanverwante ideologieën, met naast een sterk doorgredreven gelijkheidsgedachte, ook een eendimensionele sociaaleconomische visie op mens en samenleving. In tegenstelling tot het kapitalisme,  proclameerde het echter ook de maximalisatie van de individuele vrijheid door de collectivisering van de  verantwoordelijkheid. Het ‘proletariaat’ moest zich bevrijden van de ‘onderdrukkende’ culturele bourgeois-ideologie, die de materiële ongelijkheid in stand hield door ‘onvrije’ traditionele banden en waarden: religie, cultuur, natie en familie. Allemaal relaties en instituties die een altruïstische inspanning en persoonlijke verantwoordelijkheid vergen, zonder direct en instantaan persoonlijk gewin of genot.

Fascisme

De afkeer voor conservatieve waarden was tevens een direct gevolg van de traumatische ervaring die de Eerste Wereldoorlog, maar vooral het nationaalsocialisme had veroorzaakt in heel het westerse intellectuele denken. Maar zoals Hannah Arendt terecht opmerkte in haar boek The Life of the Mind: ‘The sad truth is that most evil is done by people who never make up their minds to be good or evil.‘ De nazi’s waren niet de culturele of conservatieve elite van Duitsland, ze bestonden uit een groot deel van de Duitse bevolking die bij gebrek aan waarheid ten prooi vielen aan de culturele, sociale en economische onzekerheid van het interbellum. Ze klampten zich vast aan de feitenloze propaganda die Joseph Goebbels via de radio, de toenmalige ‘nieuwe media’, verspreidde.

Niet de burgerlijke en conservatieve Duitse Nationale Volkspartij (DNVP) van von Papen, maar de revolutionaire en fascistische massapartij NSDAP onder leiding van Hitler leidde Duitsland naar de ondergang. Arendt schreef in The Origins of Totalitarism: ‘In an ever-changing, incomprehensible world the masses had reached the point where they would, at the same time, believe everything and nothing, think that everything was possible and that nothing was true.‘ Dictators en autoritaire regimes, zowel van linkse als van rechtse snit, houden in tegenstelling met conservatieven geen of weinig rekening met feiten, noch met wat organisch is gegroeid. Ze hebben tevens geen geduld voor wie niet trouw hun maakbaarheidsproject voor de samenleving volgt.Niet de overgeleverde traditie leidde naar de Holocaust, al verzette zij zich zeker veel te weinig en veel te laat tegen deze barbarij, maar wel verwarrende tijden waarin de overlevering werd ontwaard en de leugen regeerde. In tijden waarin fake news zich massaal en supersnel via, nog maar eens, nieuwe media verspreiden, blijft dit pijnlijk actueel.

Twijfel

De opkomst van de West-Europese welvaart- en herverdelingssstaat sinds de jaren 70 bluste het marxistische sociaaleconomische revolutionaire vuur van de contesterende mei ’68-generatie. De kleine bourgeoisie en het grote proletariaat van voor de Tweede Wereldoorlog werd vervangen door een grote middenklasse met steeds meer materiële gelijkheid en individuele zelfbeschikking. Het ‘burgerlijke’ kapitalisme overwon dan wel dankzij de herverdelende welvaartstaat het proletarische comunisme, toch bleek niet iedereen in staat om een eigen waardenpatroon los van tradities, cultuur en natie te maken. Er zat blijkbaar niet in elke mens een Übermensch. Het blind geloof in de gelijkheid van de mens, niet alleen sociaaleconomisch en juridisch maar ook op andere vlakken, en tevens de existentialistische visie dat ieder mens in staat is om voor zichzelf een eigen zingeving te formuleren, zijn beide hoofdoorzaken van de huidige zoektocht naar culturele houvasten en het heropleven van de identiteitskwestie.

Terwijl intellectuelen door middel van een grote kennis en woordenschat tevens een groter vermogen tot abstract denken hebben, kan deze inspanning niet van iedereen verwacht worden. Daarnaast versterkte de verhoogde fysieke mobiliteit van mensen in de tweede helft van de 20e eeuw, met massatoerisme en -migratie als gevolg,  en de supersnelle ideeën- en informatie-uitwisselingen in het begin van de 21e eeuw, langsheen de sociale media, de confrontatie met andere culturele denkkaders. Terwijl het westers model nog zegevierde na de val van het communisme, bleek echter niet iedereen diezelfde westerse waarden te omhelzen. Ook niet in het Westen zelf. De filosofische twijfel van René Descartes veranderde door het nihilisme, existentialisme en postmodern cultuurrelativisme doorheen de tweede helft van de 20e eeuw in een culturele en religieuze twijfel. Echter, door de confrontatie met de steeds ‘kleiner’ wordende wereld bleek de eigen traditie toch niet zo waardeloos of onvrij te zijn als gedacht.

Chirstelijke erfenis

De West-Europese cultuur was tot de jaren 60 doordrongen en sterk geworteld in de christelijke traditie. De ontkerkelijking zorgde er dan wel voor dat veel culturele tradities en instituties werden ontdaan van hun waarheid, werden afgeschaft of inhoudelijk uitgehold, maar de algemeen aanvaarde christelijke moraal bleef onderhuids wel grotendeels verder leven. De christelijke Gott mag dan wel bijna tot zijn, maar de daaraan verbonden Kultur nog niet helemaal. Toch stierf met de ontwaarding van de christelijke tradities en instituties ook een groot deel van de cultuur en waarden die ons allen verbond. Maar is de samenleving net zoals de mens dan een een onbeschreven blad die het zelf moet definiëren zoals postmoderne cultuurrelativisten en existentialistische wereldburgers beweren, of moeten we misschien toch verder bouwen op of teruggrijpen naar de  traditionele instituties en waardevolle culture verwezenlijkingen? De brand in de Notre-Dame De Paris bewees dat het vuur van de christelijke overlevering nog steeds smeult bij heel wat mensen, en dat de christelijke traditie nog steeds wordt gekoesterd. Het dalende onderwijsniveau in het katholieke scholennet, ooit een baken van pedagogische excellentie vanuit een eeuwenoude traditie, toont aan dat het vertrouwen in gedragswetenschappen en het daaraan verbonden  maakbaarheidsdenken veel te groot is, en dat er nood is aan meer vertrouwen in en respect voor de overlevering.

Allah

Gott mag dan wel in het alledaagse leven tot zijn voor de meeste burgers, maar Allah lebt nog sterk bij de moslims in het Westen. Deze religieuze mensvisie botst niet met de Verlichting, maar wel met het heersende nihilistische en existentialistische intellectuele discours. Het is voor velen onbegrijpbaar dat de ethische oriëntering van een mens niet door zichzelf maar wel door God of Allah wordt bepaald. Daarenboven hechten westerse moslims, door culturele en religieuze overlevering, nog een groot belang aan de sociale en familiale verbondenheid, en houden zij er over het algemeen een sociaal-conservatievere maatschappijvisie op na. Deze botsing van culturen leidde naar diverse maatschappelijke en politieke reacties, allen vol tegenstrijdigheden. De progressieve kerk bestreed de eigen tradities als onvrij en achterlijk, maar koesterde onder de noemer van de multiculturaliteit de nieuwe culturen als vrij en verrijkend. Meer nog, terechte kritiek op sommige islamitische gebruiken werden weggezet als racisme. De vrijheid van meningsuiting en de individuele keuzevrijheid werd zelfs ingeperkt door een reeks van antidiscriminatiewetten. Dit leidde echter niet tot integratie maar tot culturele en sociale segregatie. Het leverde hen wel jarenlang een trouw kiespubliek op in ruil voor de sociaaleconomische pijnstillers.

Ter rechterzijde ontwikkelde zich recent een zelfverklaarde ‘rechts-conservatieve’ stroming die liberaal-secularistische standpunten aanhangt, maar die in de praktijk louter worden toegepast op de islam. Ook hier is enig electoraal opportunisme hen niet vreemd. Zo pleiten zij enerzijds voor het verwijderen van religieuze uitingen in de openbare ruimte, zoals de hoofddoek, maar wensen zij anderzijds niet te tornen aan katholieke feestdagen of kerstbomen en -stalletjes in de gemeentehuizen. Zij krijgen daarbij steeds meer de steun van de traditionele vrijzinnigen die zelfs de vrijheid van godsdienst willen afschaffen in naam van de gelijkheids-sharia. Een nog radicalere reactie was die van extreemrechts, die de moslims het liefst uit het Westen zien vertrekken en geobsedeerd zijn door demografische ontwikkelingen en ontvolkingstheorieën. Al de hierboven genoemde groepen hebben één ding gemeen: zij prediken keuzevrijheid maar gebruiken de overheid om de eigen levensbeschouwing aan de samenleving op te leggen.

Leitkultur

Een democratische rechtsstaat zonder een culturele demos of een Leitkultur is een systeem van regels en procedures zonder samenhangend verhaal. Dit leidde tot een verrechterlijking en verrechtelijking van de samenleving zoals Fernand De Keuleneer op Knack.be terecht aankaartte: ‘Uiteindelijk wordt elk maatschappelijk conflict gejuridiseerd, en mondt het uit in een conflict van grondrechten.’ Bij gebrek aan een culturele en sociale ethische norm voor de samenleving, die vroeger met sociale druk werd afgedwongen, wordt vandaag de rechtsstaat en de overheid gebruikt, of misbruikt, om de eigen individuele ideologische overtuiging in steeds meer, maar moeilijk afdwingbare, wetten te gieten. Deze evolutie versnelde sinds de 21e eeuw toen de ‘identity politics’ overwaaide vanuit de VS. Binnen het kader van identiteitspolitiek wordt bijvoorbeeld het liberale begrip van burgerschap bekritiseerd als een afspiegeling van blanke/witte, mannelijke, heteroseksuele, burgerlijke identiteit. Ze voeden zich met een ressentiment in een ingebeelde slachtofferrol, en criminaliseren iedereen die het niet eens is met hun eisen. Zij vormen dan ook het spiegelbeeld van het al even radicale White Nationalism.

Minder vrijheid

Terwijl meer vrijheid ook meer verantwoordelijkheid zou moeten inhouden, nam de overheid in naam van het gelijkheidsstreven sinds de jaren 70 steeds meer individuele verantwoordelijkheid (zeker die tot economische zelfredzaamheid) over van de burger. Het staatsapparaat werd steeds groter en machtiger, en bepaalt ook steeds meer de culturele en religieuze agenda van de samenleving. Terwijl men onder de noemer van de gelijkheid steeds meer individuele grondrechten invoert, langsheen nationale of internationale wetgeving of verdragen, schaft men contradictorisch genoeg ook steeds meer individuele vrijheden af. Fernand Keuleneer wijst op de steeds verdere inkrimping van de godsdienstvrijheid, maar daar stopt het niet. Ook de vrijheid van meningsuiting staat al veel langer onder druk sinds de invoering, en de steeds maar uitgebreidere, antidiscriminatiewetgeving. Ook de invoering van verplichte vrouwenquota of positieve discriminatie op basis van afkomst valt onder de sociale maakbaarheidsvisie van de gelijkheidsprofeten, maar beperken wel tegelijkertijd uw persoonlijke keuzevrijheid in de privésfeer. Of wat te denken van mystery calls waarbij een ambtenaar uw keuze voor deze of gene huurder of sollicitant in real time kan beoordelen als in strijd met het gelijkheidsdogma. Ook in zaken als seksuele opvoeding, abortus of euthanasie mag men nog amper dissidente meningen laten horen in de samenleving, zonder de stempel ‘reactionair’, ‘sexist’ of ‘achterlijk’ te krijgen.

Geluk

Het summum van deze gelijkheidsgedachte is het pleidooi van sommige politici in Vlaanderen en Nederland voor een ministerie van Geluk. Sjeik Mohammad Bin Rashid Al Maktoum, vicepresident en eerste minister van de Verenigde Arabische Emiraten, deed het hen al voor. Dit ministerie van Geluk en Tolerantie moet langsheen programma’s, plannen en prestatie-indexen het algemene geluksniveau in het land bevorderen. De burger zal en moet gelukkig worden. Meer zelfs, de overheid weet blijkbaar wat u gelukkig maakt.  Zeker die van een land waar politeke vrijheid onbestaande is, waar Zuid-Aziatische gastarbeiders in erbarmelijke omstandigheden leven en werken, en waar vrouwen door hun echtgenoot mogen worden geslagen voor hun eigen goed. Blijkbaar is, zoals Vàclav Havel beweert, niet alleen in het Westen de burger bereid tot morele compromissen en het beperken van de individuele vrijheid in de naam van de eigen materiële en persoonlijke zekerheid. Dit staat in schril contrast met wat Verlichte geesten zoals Thomas Jefferson, John Adams en Benjamin Franklin in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) neerpenden: ‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.‘  Niet alle mensen zijn gelijk geschapen voor God (of  geboren), maar ze hebben wel gelijke rechten ten opzichte van de overheid: het recht op leven, op vrijheid en op het nastreven van geluk. Dat laatste is de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van de burger, niet die van een of ander ministerie.

Civil Society

Tegen het verlies van de nationale Leitkultur, en de daaraan verbonden waarden, kwam er de laatse jaren een tegenbeweging op gang, vooral dan ter rechterzijde van het intellectuele spectrum. Een conservatief reveil plaatste ten opzichte van deze zogenaamde vrije maar vooral egocentrische ‘wereldburger’ de verantwoordelijke, sociale en op de culturele traditie voorbouwende burger. Politiek vertolkte zich dit recent in enkele electorale successen maar al snel kaapten rechts-populisten en extreemrechtse partijen dit debat over de culturele demos met een xenofobe en vooral  islamofobe visie op de natie. De samenleving is dan wel geen loutere nevenschikking van individuen, maar het is ook geen monolitisch blok zoals sommigen wel eens durven beweren. De maatschappij is een complex systeem van familiale, economische, sociale en religieuze (of andere levensbeschouwelijke) relaties en instituties, die essentieel zijn voor de cohesie van de natie. En daar horen vandaag ook de islamitische bij.

De Russische schrijver Dostojewski schreef al in De Broers Karamazov: ‘Als er geen God is, dan is alles veroorloofd.’ In de 21e-eeuwse pluralistische maatschappij zullen we God moeten vervangen door ‘gedeelde waarden’, ‘culturele demos’ of ‘Leitkultur’, maar dan wel eentje waar zoveel mogelijk burgers zich in herkennen. Ook de gelovige medemens, moslim of niet. Tegenover wat Christopher Larsch de The Culture of Narcissism noemde, moeten conservatieven ‘The Culture of Society’ plaatsen. Als alternatief voor de alomtegenwoordige overheid, het progressieve maakbaarheidsdenken, het seculier fundamentalisme, het ongebreidelde internationaal kapitalisme, de atomisering en vermarkting van de samenleving, de toenemende religieuze of culturele segregatie, het verlies aan interpersoonlijke solidariteit, het verlagen van de maatschappelijke norm in naam van de gelijkheid en solidariteit, het onvermogen tot kritische zingeving, kan een inclusief nationalisme of communitarisme de eigen traditie, het burgerlijk engagement, de civil society, de gedeelde cultuur en geschiedenis, de gelijkheid voor de wet, de individuele verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, het gezin en de gemeenschap, terug een centrale rol geven in de samenleving.

Envoi

De samenlevingsproblemen zijn al lang gekend, het is tijd om er iets aan te doen. Niet door bepaalde groepen te stigmatiseren, te beledigen, of door irrationele angsten aan te wakkeren, maar door te polariseren, dialogeren, debateren, of vooral gewoon te spreken van mens tot mens. Zoals John F. Kennedy zei: ‘Ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country.’  Wacht niet op de overheid, maar doe er zelf iets aan. #Sameneten of #samenspreken kan daarbij een kleine maar broodnodige stap zijn, met verrassende resultaten en nieuw inzichten.  De Engels filosoof van de eerste Verlichting, John Locke, wist het bijna 300 jaar geleden al: ‘The improvement of understanding is for two ends: first, our own increase of knowledge; secondly, to enable us to deliver that knowledge to others.’ — Gott ist tot. Leve God (of de waarheid)!

 

Philip Roose (1979) studeerde geschiedenis in Leuven en Granada en marketing en management in Parma. Hij woont in Catania (Sicilië) en exporteert Italiaanse wijnen. Samen met Joost Houtman schreef hij het boek 'Bella Figura: Waarom de Italianen zo Italiaans zijn?' (Uitgeverij Vrijdag; verschijnt 31 mei 2018).

Meer van Philip Roose

Woorden scheppen de realiteit, of toch de perceptie ervan. Philip Roose over de instrumentalisering van taal.

Commentaren en reacties