Geschiedenis, Vlaamse Beweging
stemrecht

Het einde van bourgeoisstaat België

16 november 1919: honder jaar algemeen stemrecht


Morgen, 16 november, is het honderd jaar geleden dat het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen) werd ingevoerd. Tijdens een overleg in het kasteel van Loppem beslisten koning Albert I en vertegenwoordigers van de BWP, Katholieke Partij en Liberalen hiertoe. Elf maanden eerder legde de regering van nationale eenheid een wetsontwerp neer dat die verkiezingen organiseerde, nog vooraleer de vereiste grondwetsherziening zou zijn doorgevoerd. Theo Luykx merkt op dat de wet enkel toepasselijk zou zijn voor de eerstvolgende verkiezingen — de regering omzeilde immers de Grondwet. Daarom noemden conservatieven de ‘coup de force’ weleens ‘de putsch van Loppem’. Als laatste verzetspoging stelden conservatieve Katholieken voor om ook vrouwen stemrecht te geven, maar dat zou in hun voordeel spelen, oordeelden de ‘linkse’ partijen, zoals socialisten en liberalen toen nog werden genoemd. Die vrouwen moesten nog tot 1948 geduld oefenen op stemrecht voor de parlementen.

De verkiezingen van 16 november 1919 brachten, zo schrijft Theo Luykx in zijn overzichtswerk, ‘een nog grotere wijziging dan verwacht werd’ in de samenstelling van de Kamer. De Katholieken verloren 26 zetels, de liberalen verloren er 11. Naar verwachting groeiden de socialisten, en wel met 30 zetels. Rechtse middenstanders en oud-strijders haalden vier zetels op drie verschillende lijsten. En met vijf verkozenen van het Vlaamsche Front — de eerste Vlaams-nationalistische politici in de Kamer  — werd het einde van de unitaire staat die dag ingeleid. België zou nooit meer hetzelfde land zijn.

Kladderadatsch

Niet alleen de intrede van de eerste Vlaams-nationalisten was een novum in de Belgische politiek. De massa deed haar intrede, met alle gevolgen van dien. Toenemende polarisering bijvoorbeeld: politieke geschillen werden nu in massamedia, op straat en in het kieshokje uitgevochten. De grote ‘versnippering’ van het politieke landschap zorgde — toen al — voor kopbrekens. Voortaan zouden coalitieregeringen moeten gevormd worden. De Katholieke Partij was haar absolute meerderheid kwijt, die ze haalde sinds 1884. En dus deed het vermaledijde compromis zijn intrede in de Wetstraat. De immense groei van de socialisten zette ook sociale hervormingen en dito wetgeving voorgoed op de Wetstraatagenda. Tot slot werd ook de vertegenwoordiging in de Kamer aangepast, wat in het voordeel van Vlaanderen speelde, dat relatief meer volksvertegenwoordigers naar de Kamer kon sturen. Bovendien zou tijdens het interbellum de Katholieke Partij steevast een absolute meerderheid halen in het noorden van het land. Tot slot luidt het – met de massa – ook de intrede van populisme in de Belgische politiek in. 16 november 1919 betekent, volgens Bruno De Wever, ‘een verruimde democratie’. Met enige zin voor dramatiek kan je 16 november 1919 het einde van de bourgeoisstaat België noemen.

Jules Destrée had het allemaal al aan zien komen. Nog voor de Groote Oorlog, in 1912, schreef hij het al in Lettre au roi: Séparation de la Wallonie et de la Flandre. Het is allicht een van de bekendste en meest geciteerde documenten van de Belgische geschiedenis, dat daarmee zijn plaatsje opeist in de historische canon van Vlaanderen. Twee citaten. ‘Sire, vous régnez sur deux peuples. Il y a en Belgique des Wallons et des Flamands, il n’y a pas de Belges.’ En vooral: ‘Ils nous ont pris la Flandre.’ Destrée voorzag dat met het algemeen enkelvoudig stemrecht — waar hij als socialist principieel voorstander van was — Vlaanderen voorgoed zou onttrokken worden aan de controle van de Franstalige politieke klasse. De Waalse Beweging — zoals de Franstalige activisten in Vlaanderen werden genoemd — zou aan impact verliezen. Wallonië zou zijn wingewest kwijt zijn.

Hoewel pas in het najaar van 1969 de eerste stappen zijn gezet in de federalisering van België — leest u er vooral de artikelenreeks van Mark Deweerdt hierover op na — werd de kiem ervan gelegd in 1919. De Franstalige socialisten veranderden het geweer van schouder en lieten het belgicisme voor wat het was. De Vlaams-nationalisten zouden vanaf dan sterker worden, en de Vlaamse katholieken mee op sleeptouw nemen. Om dat politieke nationalisme en de daaruit voortvloeiende hervorming van de staat te contingenteren, werd de flamingant Frans Van Cauwelaert de voorman van het flamingantisme in de Katholieke Partij, die voor de vernederlandsing zorgde van leger, ambtenarij en onderwijs. Lode Wils heeft dit meesterlijk aangetoond in zijn monumentale Van Cauwelaertbiografie.

Frontpartij

De Frontpartij en gekoppelde lijsten — onder meer daensisten — haalden dus vijf zetels. De volgende doorbraak behaalde ze tien jaar later, als ze elf vertegenwoordigers naar de Kamer kon sturen. Die eerste vijf hebben geschiedenis geschreven, maar enkel omdat ze verkozen geraakten, en niet met hun daden. Naar de eerste fronters  werd amper geluisterd. Onder de scheldnaam ‘activisten’ — al was géén van hen een collaborateur tijdens de Eerste Wereldoorlog — werden ze in een hoek geduwd. Toen al was er sprake van een cordon sanitaire. Historicus Hendrik Jozef Elias schreef al dat het activisme werd ‘uitgespuwd door de overgrote meerderheid der bevolking.’

Toch voelden de drie traditionele partijen aan hun water dat er een nieuwe stroming politiek vertaald werd, en die moest ingedamd. Onder leiding van de zogenaamde drie kraaiende hanen, tekenden de socialist Camille Huysmans, de al genoemde katholiek Frans Van Cauwelaert en de liberaal Louis Francken, voor een ‘vervlaamsing’ van de standpunten van hun partijen. Door de uitbreiding van het stemrecht was in de drie partijen ook de oude, conservatieve en belgicistische strekking verkleind; de grote vertegenwoordiging van Vlaamse verkozenen zorgde impliciet al voor een ‘vervlaamsing’ van de standpunten. Hoe Vlaamser, hoe meer zetels, was de redenering. De liberalen waren de uitzondering op de regel. Die partij hoopte na de oorlog met een versterkt belgicistisch-Franstalig discours de meubels te redden. Het Laatste Nieuws en het in 1913 opgerichte Liberaal Vlaams Verbond (LVV) spon bij dat laatste garen.

Het partijpolitieke Vlaams-nationalisme van honderd jaar geleden valt in haast niets nog te vergelijken met dat van vandaag. Frank Seberechts schrijft in zijn boek Onvoltooid Vlaanderen: ‘Het Vlaams-nationalisme van kort na de oorlog had onder meer steun in avant-gardistische culturele kringen, die geen tegenstelling zagen tussen internationalisme en aandacht voor de Vlaamse kwestie. Naast oud-strijders en oud-activisten, toonden ook heel wat studenten belangstelling. Op het platteland keerde een groot deel van de voormalige christendemocraten (daensisten) niet terug naar de katholieke partij, maar ze versterkten de rangen van het Vlaams-nationalisme.’ Els Witte beaamt dat in haar standaardwerk Politieke geschiedenis van Vlaanderen. Ze somt op: ‘socialistische activisten, communistische sympathisanten, letterkundigen (Van Ostayen – sic) en jonge kunstenaars; wereldverbeteraars allerhande, grotendeels afkomstig uit kringen van jonge socialisten en humanistische expressionisten en andere avant-gardisten, die tijdens de oorlog een compromisvrede welgezind waren.’

Oud-soldaten in strijd met katholieken

De vijf eerste verkozenen zijn vaak al vergeten. Zo ook het feit dat de eerste partijpolitieke vertegenwoordiging van het Vlaams-nationalisme niet in alle arrondissementen voet aan de grond kreeg. Lijsten werden in 1919 enkel ingediend in de provincies Brabant, Antwerpen, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen. In drie provincies haalde de partij zetels. Lode Wils besloot dat toen voor het eerst het besef ontstond dat een heuse Vlaams-nationale partij leefbaar was. Zeker in die streken waar daensisten voor de oorlog de weg hadden geplaveid en de handen in elkaar hadden geslagen met oud-strijders en activisten.

Wie waren de eerste verkozenen? In Brabant was dat Staf de Clercq, onderwijzer uit het Pajottenland, die later het rechts-radicale VNV oprichtte. In Aalst raakte zowel Hendrik Borginon verkozen, oud-strijder en leidend figuur van de Frontbeweging, als daensist Karel-Leopold Vanopdenbosch. Antwerpen stuurde Herman Vos naar de Kamer, hoofdredacteur van partijkrant De Schelde, die later overstapt naar de BWP. In Gent geraakte tot slot de anti-activist Boudewijn Maes verkozen, op dat moment de enige Groot-Nederlander van het vijftal en de enige Fronter die geen oud-strijder was. Hij was overigens een sympathisant van de Clarté, een communistische en pacifistische avant-gardestroming.

Zelfbestuur

Reformisten en radicalen, katholieken en vrijzinnigen zaten zij aan zij in een pluralistische partij, die net als de Vlaamse Oud-Strijders streed onder de vlag van ‘nooit meer oorlog, godsvrede en zelfbestuur’. Zelfbestuur stond toen voor wat men ook de ‘administratieve scheiding’ van België noemde, of met de titel van een vooroorlogs tijdschrift: De bestuurlijke scheiding. Honderd jaar later heeft die zich haast volledig doorgetrokken. Mede gerealiseerd door de impact van opeenvolgende Vlaams-nationalistische partijen als zweep op de traditionele partijen — niet het minst de katholieke. Met dank aan de invoering van dat algemeen enkelvoudig stemrecht.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Karl Drabbe

Karl Drabbe is uitgever non-fictie bij Vrijdag en van Doorbraak Boeken. Hij is historicus en wereldreiziger en werkt al sinds 1993 mee aan Doorbraak.