fbpx


Geen categorie
Wim Schamp

Pleidooi voor incivieke verkiezingscampagnes




Luc Huyse schrijft een boek, hij weet hoe het moet, en hij doet dat goed. Zo zijn we het van de Leuvense professor emeritus al een halve eeuw gewoon, zeker wanneer hij zijn stokpaardjes ‘politiek’ en ‘democratie’ berijdt. Is hij met zijn nieuwste boek De democratie voorbij van zijn paard gevallen? De voorpublicatie die op 19 april in De Morgen verscheen, doet het ergste vrezen. Huyse heeft het deze keer minder gemunt op de gebrekkige slagkracht die naar zijn mening onze democratie kenmerkt, dan wel op de nefaste rol die verkiezingscampagnes daarbij spelen. Luc Huyse is namelijk tot de ontdekking gekomen dat de verkiezingscampagnes van vandaag schromelijk tekortschieten in het vervullen van hun civieke plicht. ‘Verkiezingscampagnes zijn in principe bedoeld als intensieve scholing in burgerschap en in meningsvorming’ stelt Huyse. ‘De vermarkting van de kiesstrijd dreigt dat bijna onmogelijk te maken.’ Waar Huyse die stelling vandaan haalt, weet ik niet. Ik heb ze in elk geval nog nergens gehoord of gelezen, maar dat kan aan mij liggen. Alhoewel. Als oud-strijder van ruim 200 verkiezingscampagnes tussen 1985 en nu – ik heb er net nog een boek over geschreven: 100 campagnes, 1 miljoen kiezers (Pelckmans) –, heb ik het met de campagnes niet de richting zien uitgaan van waaruit Huyse de wind voelt waaien, integendeel. Sinds de eeuwwisseling wordt de kiezer in Vlaanderen om de oren geslaan met intelligentiemetingen en stemtesten allerhande. De onderliggende gedachte daarbij is dat vele kiezers niet in staat zijn om met hun volle verstand uit te maken voor wie ze écht willen kiezen. Daarom moet die kiezer een handje geholpen worden, ook al leidt dat tot een stemadvies dat hem bij Peter Mertens van de PVDA+ brengt, en niet bij Jean-Marie Dedecker, voor wie hij in het café net een lans heeft gebroken.

Om deze hersenspoeling op massale schaal te organiseren, kijken de media op geen inspanning meer of minder. Maanden op voorhand al analyseren ze de programma’s der partijen en de intenties der boegbeelden. Dat gebeurt via een eindeloze reeks duidingsprogramma’s op tv en een bladzijdenpakket waarmee de meewerkende kranten een volwaardige bibliotheek kunnen vullen.
Of de kiezer nerveus wordt van alle democratische bekommernis waarmee hij omgeven wordt, is twijfelachtig. Wél nerveus zijn de politieke partijen, die zich haasten de kostprijs van hun programma’s te becijferen in de hoop daarmee de economische haalbaarheid van hun verkiezingsprogramma aan te tonen. Anders dan in vroegere tijden ontkomt geen enkel medium, geen enkele partijvoorzitter, er nog aan om zich tijdens verkiezingscampagnes van hun civieke kant te laten zien. De ‘intensieve scholing in burgerschap en in meningsvorming’ waarvoor Huyse het einde vreest, maakt integraal deel uit van het educatieve luik dat hun berichtgeving en campagnevoering overschaduwt. Prima toch! Ook al moeten we in ruil voor zoveel burgerzin de meest slaapverwekkende lessen in staathuishoudkunde slikken en naar debatten kijken waar een cijfer achter de komma voor begeestering moet zorgen.

Huyse versus Huyse

Luc Huyse lijkt de filosofie te delen van nog andere sociaal-ethische denkers, volgens wie verkiezingen in het verleden meer ‘zuiverheid’ uitstraalden dan wat we nu voorgeschoteld krijgen. De campagnes verliepen meer ernstig, meer gericht op het algemeen belang (de ‘res publica’), minder persoonsverheerlijkend, en minder ‘Amerikaans’. Zijn heimwee naar het als minder lichtzinnig veronderstelde verleden trekt Huyse door naar de werking zelf van de parlementaire democratie. ‘Verkiezingen zijn het hart van de parlementaire democratie. Zo is het decennialang gezien en gezegd, ‘ klinkt het nostalgisch. ‘Ondertussen is het vrijwel zeker dat deze anatomische beeldspraak niet meer helemaal met de werkelijkheid overeenstemt. Het parlement moet het terrein delen met vele andere leveranciers van politieke beslissingen: de regering, de magistratuur, de sociale partners, internationale instanties, de industriële en financiële elites.’

Was dat vroeger effectief anders, en beter, zoals Huyse vandaag beweert? Neen. En wie kan Huyse beter tegenspreken dan Huyse zelf? Ik heb er het boekje Machtsgroepen in de samenleving bijgenomen, een boekje dat Huyse schreef samen met Lode Van Outrive en de toen bij Herbert Marcuse (‘De één-dimensionale mens’) zwerende Jean-Luc Dehaene. Het boekje dateert van 1973, veertig jaar geleden dus. En wat schrijft de omwille van zijn vernieuwende denkbeelden bejubelde socioloog Luc Huyse in 1973 in dat boekje? Hij heeft het over ‘een geflatteerd beeld’ wanneer de ‘vele handboekjes voor staatsburgerlijke opvoeding’ de illusie verkondigen dat er ‘in België een demokratisch regime bestaat, waarin alle burgers van het land de kandidaten aanduiden om de openbare funkties te bekleden. Geen woord echter over de zwakke positie van het parlement in de politieke besluitvorming, over het ministerieel komitee voor ekonomische en sociale koördinatie, over de vloed van partijpolitieke benoemingen in de overheidsdiensten.’ Wat verderop gaat het over ‘de draagwijdte van het sociaal-ekonomisch basiskompromis. Vakbondsleiders en patroons hebben in feite op eigen kracht de sociaal-ekonomische sektor verkaveld en de percelen onder elkaar verdeeld. (…) Met het basiskompromis is ook een aanzienlijke sektor van het maatschappelijke leven onttrokken aan direkt-politieke invloeden, waardoor parlement, politieke partijen en regering buiten spel werden gezet.’ Huyse versus Huyse dus. Kan nog spannend worden.

Daar zijn ze weer, de klagers van alle tijden

Samen met de Britse socioloog Colin Crough is Huyse van mening dat we in de ‘post-democratie’ aangeland zijn. In dat nieuwe tijdperk zijn ‘electorale campagnes een streng gecontroleerd spektakel, waarvan de regie berust bij rivaliserende teams van commerciële experts. Zij verkiezen verleiden boven overtuigen en beperken grondig het aantal campagnethema’s. De verpakking van een kandidaat of van een programma weegt stilaan zwaarder dan de inhoud. (…) Uitvergroting van de persoonlijke toets hoort daarbij. In verkiezingscampagnes draait dat dan vooral rond de boegbeelden van de partijen.’

Elke verkiezing opnieuw, al decennialang, horen we dit gejammer. En elke keer opnieuw wordt ons aangekondigd dat met de verpersoonlijking van de verkiezingscampagnes de politiek een nieuw tijdperk intreedt. Een tijdperk waarin oppervlakkigheid de toon aangeeft en het laatste vleugje ernst verdwijnt. Zoals de kritiek al veertig jaar lang dezelfde is, zijn het ook altijd dezelfde lieden die ermee komen aandraven. Talrijk zijn ze niet, deze lieden, maar dat betekent niet dat ze geen invloed hebben. Vooral bij de intelligentsia kunnen ze op instemming en sympathie rekenen. Dat hun analyse geen steek houdt en door geen enkel feit gestaafd wordt, zal deze kaste van bevooroordeelden worst wezen. Ze weten zich veilig genesteld in hun onbewezen gelijk, en zolang dat zo blijft is er geen haar op hun hoofd dat eraan denkt een tegensprekelijke confrontatie aan te gaan over de feitelijke grond van de zaak. 

‘The Man is the Message’

Die feiten liegen er niet om. De persoonsgebondenheid van verkiezingscampagnes is in het naoorlogse België (en West-Europa) nooit weg geweest. In de jaren 60 waren het de socialisten van de Brusselse PSB, Henri Simonet en Guy Cudell, die vanop 20m²-affiches lieten zien dat, wat ze in Amerika konden, we in België ook konden. Affiches waarop lange teksten en grote boodschappen stonden, kregen geen aandacht. De bedenkers van die affiches kregen ook geen stemmen.
In 1974 – één jaar nadat Luc Huyse en Jean-Luc Dehaene Machtsgroepen in de samenleving geschreven hadden – schreef Leo Tindemans reclamegeschiedenis met zijn affiche ‘ Met deze man wordt het anders’. Iedereen sprak erover, ook omdat iedereen vond dat het na de corrupte Leburton effectief anders moest. Maar hoé anders het moest worden, daar had de kiezer geen idee van. Het stond ook niet op de affiche. En wat als het wel op de affiche had gestaan? Dan was het een lelijke affiche geworden, met veel tekst en een Tindemanske niet groter dan Joske Vermeulen. Dan pas was de boodschap de mist ingegaan. Nu was de boodschap de lijsttrekker. ‘The Man is the Message’. Versta: vertrouw op deze man, hij zal het doen. Tindemans – of beter gezegd, zijn affiche – haalde een nooit gezien aantal voorkeurstemmen en werd als vanzelfsprekend eerste minister.
Na Tindemans kwamen Martens, Van Miert, Verhofstadt, Dehaene, Tobback, Leterme, De Wever. Ze concentreerden de boodschap van hun partij op hun eigen persoon en voegden daar hun karakteriële eigenschappen, de specialiteit van hun huis, aan toe: vastberadenheid, menselijkheid, volharding, werkkracht, onverschrokkenheid, bekwaamheid, vernieuwingszin. De mix, op voorwaarde dat de passende ingrediënten samen geklutst werden, smaakte altijd.

Tegen beter weten in blijven de diehards aan de zijlijn lelijke dingen roepen. Inhoud willen ze, geen verpakking. Van boegbeelden en kandidaten moeten ze niet weten, zeker niet wanneer deze in vlees en bloed zittende personen vanop een affiche kiezers gaan verleiden. Neen, de verkiezingscampagnes moeten dringend hun oorspronkelijkheid terugkrijgen, wat heet dat ze zich dienen te beperken tot ‘onverpakte inhoud die overtuigt’. Misschien moeten de ‘post-democraten’ zelf eens met zo’n campagne naar de kiezer stappen. Dan weten ze tenminste in welke mate hun pseudo-wetenschappelijkheid grond raakt. 

De 3 ‘V’s’: Verpersoonlijking, Verleiding, Verpakking 

Wil een verkiezingscampagne tot een succesvol resultaat leiden, dan moeten 3 ‘V’s’ voluit hun gang kunnen gaan: Verpersoonlijking (V1), Verleiding (V2), Verpakking (V3).
V1- Verpersoonlijking. In een campagne draait alles om de leider en de kandidaten die de partij vooruitschuift om haar programma te realiseren. Wekken deze personen vertrouwen? Geven ze de indruk met jou een praatje te willen slaan? Lijken ze zeker van hun stuk? Zijn ze welkom mochten ze aanbellen? En wat als je dochter een van hen meebrengt naar huis? Allemaal kleine, maar heel menselijke dingen. Het zijn echter deze dingen waarrond het leven draait, en dus ook de politiek. Het zijn de dingen die voor een mens duizend keer belangrijker zijn dan ‘onverpakte inhoud die overtuigt’.

V2-Verleiding. Wil een kandidaat de kiezer ervan overtuigen dat hij over de hierboven beschreven karaktereigenschappen beschikt, dan moet hij daarvoor de juiste argumenten inzetten. Tot die argumenten behoren niet een bladzijdenlang epistel dat hij in de brievenbus laat ploffen, of een oefening in zelfverheerlijking via Facebook. Het belangrijkste overtuigingsmiddel is tevens het meest beproefde en zo oud als de mensheid zelf: de verleiding. Geen verleiding waar het er vingerdik op ligt, maar het voluit laten spelen van wederzijdse menselijke aantrekkingskracht. Veel woorden zijn daarvoor niet nodig, veel emo en empathie des te meer.

V3-Verpakking. Wie in het weekend naar een feest gaat, kleedt zich anders dan wie op woensdagnamiddag boodschappen gaat doen. Wie eens om de zoveel jaar de kiezer tegemoet treedt, wie dat op een persoonlijke manier wil doen en zich daarbij van zijn meest menselijke kant wil tonen, mag ook over de kwaliteit van zijn plaatjes waken. Als er al eens een goede foto moet genomen worden, dan is het dan. Als er al eens iets uit de nieuwe collectie mag aangetrokken worden, dan is het eveneens dan. De verpakking helpt in zeer belangrijke mate de aandacht te trekken. In verkiezingscampagnes is aandacht trekken primordiaal. De kandidaat moet immers het aandachtsveld delen met honderden andere kandidaten uit dezelfde kiesomschrijving. En allen hengelen ze naar de aandacht van dezelfde kiezer. In volgorde van tactische belangrijkheid gaat de V van Verpakking daarom de twee andere V’s vooraf. Heeft de V3 raak getroffen, dan kunnen de V1 en de V2 in optimale omstandigheden hun wervingskracht tonen. 

Campagne achter prikkeldraad 

De verkiezingscampagne van vandaag stemt mij tot droefheid. Creativiteit is te zoeken met een vergrootglas, de humor is even overvloedig aanwezig als een speld in een hooiberg en de partijslogans – waar ongetwijfeld diepgaand onderzoek is naar verricht – baden in volstrekte nietszeggendheid (‘uw sociale welvaart’) of in hilarische infantiliteit (‘Mensen hebben vleugels’). 

Het moet zijn dat de partijmilitanten er eveneens zo over denken, want nooit heb ik de gemeentelijke aanplakborden zo leeg geweten als nu. De zin om te plakken is de meesten vergaan, zodat er voor het eerst in de geschiedenis ook niet meer gaat ‘overplakt’ worden. Alleen in Antwerpen wou men met dat laatste gaan risico nemen. Daar wordt kippengaas rond de affiches gespannen. Op 25 mei weten de gevangenen naar waar hun herwonnen vrijheid leidt. Winst of geen winst? Aan de campagne zal het deze keer niet gelegen hebben, want er is geen campagne geweest. Jammer, duizendmaal jammer.

 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Wim Schamp