De ‘engel des doods’. Eerste Franse biografie van Josef Mengele

| Titel | Josef Mengele |
|---|---|
| Subtitel | Médecin et bourreau |
| Auteur | Bruno Halioua |
| Uitgever | Perrin |
| ISBN | 9782262101749 |
| Onze beoordeling | |
| Aantal bladzijden | 432 |
| Koop dit boek | |
Van alle beruchte nazi’s roept Josef Mengele misschien wel de meeste afschuw op: vanaf mei 1943 was hij als arts actief in Auschwitz-Birkenau. Hij organiseerde samen met zijn collega’s de selectie van joden die aankwamen in wat een getuige ooit ‘anus mundi’ noemde. Bovendien maakte de SS-dokter, die de bijnaam ‘engel des doods’ kreeg, gebruik van de enorme voorraad aan proefkonijnen die het vernietigingskamp hem bood om medische experimenten uit te voeren. Vaak leidden die experimenten tot hun dood. Hij toonde een bijzondere wetenschappelijke belangstelling voor tweelingen en dwergen.
Er bestaat al heel wat literatuur over deze figuur in meerdere talen, ook in het Nederlands, bijvoorbeeld Het geheime netwerk dat Josef Mengele liet verdwijnen van Betina Anton, maar nooit verscheen er een biografie in het Frans. Die lacune vult Bruno Halioua nu op, zelf medicus en specialist in de geschiedenis van de geneeskunde, die al publiceerde over de medische wereld in het nationaalsocialisme.
Een monster?
Mengeles leven en carrière verplichten ons de ondertussen klassieke vraag te stellen: hoe verklaar je het gedrag van nazi’s? In 1967 al verwoordde George Steiner het zo: ‘We weten nu dat een man ’s avonds Goethe of Rilke kan lezen, dat hij Bach en Schubert kan spelen, en de volgende ochtend naar zijn werk in Auschwitz kan gaan’ (Zie Language and silence). Vaak wordt het woord monster gebruikt wanneer het over nazi’s gaat, maar daarmee verklaar je eigenlijk niets, want hoe komt het dat er plots, in het ontwikkelde Duitsland van de jaren dertig en veertig, zoveel monsters opstonden? Bovendien is die hypothese een manier om ons gerust te stellen, om het monsterlijke toe te schrijven aan de anderen, terwijl wij onszelf een brevet van morele zuiverheid toekennen.
Hannah Arendt had het over ‘de banaliteit van het kwade’, soms volstaat het om, zoals Adolf Eichmann, goed en plichtsbewust je job te doen; Christopher Browning merkte in zijn werk over de ‘Einsatzgruppen’ die joden vermoordden in Polen en Rusland op dat die eenheden uit gewone mannen bestonden, goede huisvaders van 30 jaar die in het burgerleven havenarbeider, bediende of ober waren.
Toegepaste biologie
Bruno Halioua stelt dezelfde vraag over Josef Mengele die voor de oorlog een briljant geneeskundestudent en veelbelovend onderzoeker was. Hij meent een antwoord te vinden in Mein Kampf, waar Hitler het antisemitisme zag in medische termen, meer dan in ideologische: de jood was de bacil die het gezonde Arische lichaam parasiteerde, een vergelijking die artsen vertrouwd was. Het nationaalsocialisme was ’toegepaste biologie’: ageren tegen joden was voor hen dan ook niet in tegenspraak met de eed van Hippocrates: ze meenden bij te dragen tot de hygiëne van het Duitse volk.
Deze interpretatie sluit aan bij het baanbrekend werk van de Duitse socio-psycholoog Harald Welzer , die nauwgezet analyseerde hoe de nationaalsocialisten er vanaf 1933 gaandeweg in slaagden het morele referentiekader van de Duitsers te wijzigen. Het joods-christelijke denken werd vervangen door een moraal waar het aanvaardbaar was groepen uit te sluiten. Nazi’s beschouwden zich dus niet als amoreel: ze beseften dat ze vreselijke dingen deden, maar beweerden het te doen in naam van een hoger ideaal.
Opgejaagd
In het geval van Josef Mengele moet je ook rekening houden met de grenzeloze ambitie van een man die altijd gehoopt had carrière te maken als medisch onderzoeker. Hij beschouwde zich als wetenschapper, meer dan als ideoloog. Wanneer hij in januari 1945 halsoverkop Auschwitz verlaat, verbergt hij de resultaten van zijn onderzoek op een veilige plek en in juni 1949 neemt hij ze mee naar Buenos Aires, op de vlucht voor mogelijke juridische gevolgen in Duitsland.
Maar Josef Mengele zal nooit rust vinden, ook niet in Zuid-Amerika, want de Mossad en nazi-jagers Serge en Beate Klarsfeld zitten hem achterna. Als opgejaagd wild vlucht hij van Argentinië naar Paraguay en vandaar naar Brazilië, waar hij telkens kan rekenen op netwerken van uitgeweken nazi’s of collaborateurs als de Nederlander Willem Sassen en de Vlaamse SS-er Armand Reinaerts, die in Paraguay een hotel uitbaat. Hij zal zich nooit moeten verantwoorden voor een rechtbank, want op 5 februari 1979 krijgt hij, tijdens een zwempartij aan een Braziliaans strand, een beroerte.
Een vlak karakter?
Het is niet gemakkelijk biograaf te zijn van een ‘monster’. Je hebt te maken met wat literatuurspecialisten een vlak karakter noemen, een personage dat je kunt herleiden tot één enkel kenmerk. Toch vermeldt Bruno Halioua een paar getuigenissen van gedetineerden die zich in positieve termen uitdrukken over de man. Dat neemt niets weg van de misdaden die hij ontegensprekelijk pleegde, maar het zegt wel iets over de complexiteit van de menselijke natuur.
De 16de-eeuwse Franse schrijver Rabelais wist het al: ‘Wetenschap zonder geweten is slechts de ondergang van de ziel’. Deze zeer leesbare biografie toont tot welke gruwelijke uitwassen het scrupuleloze opportunisme van een onderzoeker kan leiden als zijn wetenschappelijke praktijk niet onderworpen is aan morele overwegingen.

Luc Rasson is geboeid door de manier waarop het verleden het heden blijft bepalen. In 'Donker Toerisme' (2022) illustreert hij dat aan hand van reizen die hij maakte door de Europese 20ste eeuw, van Spanje tot Bulgarije. Recent vertelde hij in 'Voor alles komt de daad' (2025) het verhaal van de broers Rosselli die het opnamen tegen Mussolini en samen vermoord werden in 1937.
De instorting van het Derde Rijk ging gepaard met een golf van zelfmoorden, niet alleen uitgevoerd door hooggeplaatste nazi’s.






