JavaScript is required for this website to work.

De melancholie van links

Luc Rasson23/1/2021Leestijd 4 minuten
TitelD'un siècle l'autre
AuteurRégis Debray
UitgeverGallimard
ISBN9782072924217
Onze beoordeling
Aantal bladzijden300
Prijs€ 20

In zijn recentste boek overloopt Régis Debray zijn leven als revolutionair en intellectueel en maakt hij een balans op van de linkse strijd.

Régis Debray aarzelt niet om het begrip ‘intellectueel’ op de korrel te nemen. Want hij is zich natuurlijk zeer bewust van de verblinding die veel intellectuelen heeft gekenmerkt. Hij aarzelt niet Georges Bernanos te citeren, de rechtse schrijver die de zijde van de Spaanse Republiek had gekozen, en die ooit verzuchtte dat je intellectuelen altijd als imbecielen moet beschouwen, tot het tegendeel bewezen is.

De voormalige revolutionair die Debray is, heeft het moeilijk met de Sartriaanse opvatting van de intellectuel engagé. Want als een intellectueel zich engageert – in een partij of in een beweging – dan komt er onvermijdelijk een ogenblik waarop hij in de pas moet lopen, waarop hij te kwader trouw wordt.

‘Geen enkele lofrede op welk Cubaans socialisme ook’

Denk maar aan André Malraux, die piloten ronselde voor de strijd tegen Franco, maar zweeg over de liquidatie van anarchisten en trotskisten door de stalinisten in Barcelona in mei 1937. Jean-Paul Sartre, waarschijnlijk het icoon bij uitstek van de intellectueel in de 20ste eeuw, was nooit lid van de communistische partij, maar als fellow traveller deed hij uitspraken die, op z’n minst, de wenkbrauwen doen fronsen, zoals ‘In de Sovjet-Unie is de vrijheid van denken totaal’ of ‘Elke anticommunist is een hond’. En ook Raymond Aron, de liberale denker en tegenpool van Jean-Paul Sartre, was volgens Debray in hetzelfde bedje ziek: hij kon het niet opbrengen de Amerikaanse wandaden aan te klagen in de Filippijnen, Guatemala, Vietnam, enz.

Maar hoe zit het met Debray zelf, heeft hij in zijn jeugd de wapens niet opgenomen voor een systeem dat naar totalitarisme neigde? Daar gaat de voormalige compagnon van Che Guevara niet op in, of beter, hij maakt er zich van af in een enkele zin: ‘Wanneer ik mijn dieprode teksten van mijn latinojaren herlees vind ik er geen enkele lofrede op welk Cubaans socialisme ook’. Bizar voor de marxist die alles in de steek liet om diep in Latijns-Amerika deel te nemen aan de gewapende strijd tegen het kapitalisme… Verblinding is nu eenmaal iets wat je vooral bij anderen vaststelt.

Transcendente dimensie

Intellectuelen hebben niet altijd een heldere kijk op de feiten. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat engagementen vaak meer steunen op emoties dan op ratio. Ze hebben ook te maken met, onder meer, de plek en het ogenblik waarop je geboren bent en ook met het sacrale. Een van de interessante thema’s in het werk van Debray is de plaats die hij toekent aan geloof en godsdienst. Want ook al ben je zelf niet gelovig, dan nog kun je niet anders dan vaststellen dat geloof een weergaloze maatschappelijke kracht heeft. Hij citeert graag de bekende zin die aan André Malraux wordt toegeschreven: ‘De 21ste eeuw zal religieus zijn of niet’. De twee eerste decennia van de eeuw lijken de auteur van La condition humaine alvast geen ongelijk te geven.

Maar Debray heeft het niet alleen over de gevestigde godsdiensten. De transcendente dimensie doordringt alle menselijke gemeenschappen, of ze in een god geloven of niet. Wie ooit Lenins mausoleum op het Rode Plein heeft bezocht weet dat die plek ook vandaag nog een sacraal aura heeft, waar volledige stilte vereist is: ik werd er toegesnauwd door een soldaat omdat ik iets in het oor fluisterde van mijn reisgezellin. Gemeenschappen, ook zij die de goden verbannen hebben, kunnen maar samenklitten als ze naar iets hogers verwijzen, de horizontale dimensie kan niet zonder de verticale. En elke maatschappij kent taboes die met het sacrale te maken hebben. Wie, vraagt Debray retorisch, zou het aandurven een MacDonald’s te openen voor de poorten van Auschwitz?

Wat houdt ons samen?

Je ontsnapt niet aan geloof en aan gelovigen. Het heeft geen zin om van kerken, synagogen en moskeeën zwembaden of musea te maken, zoals de bolsjewisten het deden. Zelfs de nihilist, schrijft Debray, heeft zijn klein credo. Maar je moet het wel in de gaten houden. Geloof moet op de juiste temperatuur blijven. Want oververhitting leidt tot hecatombes en te weinig geloof is ook niet gezond: dan worden ego’s kleine despoten.

In dat opzicht hebben we vandaag misschien een probleem: welke hogere waarden inspireren ons? Op 22 augustus 1914 sneuvelden 20.000 Franse soldaten voor de Republiek die toen, schrijft Debray, iets sacraals had. Welke Fransman is vandaag bereid zijn leven te geven voor de Republiek, of, a fortiori, welke Europeaan voor de Europese Unie? Wat houdt ons samen?

De kracht van ideeën

Intellectuelen houden zich in de eerste plaats bezig met ideeën. Maar soms gebeurt het dat een idee zich ontpopt tot sociale, politieke of zelfs militaire machtsfactor. Als ‘medioloog’ is Régis Debray geïnteresseerd in de manier waarop woorden daden worden, vooral wanneer de persoon die ze uitspreekt geen institutionele macht heeft. Tweeduizend jaar geleden trok een obscure genezer en rebel door Palestina: de verhalen die hij vertelde werden bijna vier eeuwen later de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk en bepalen onze cultuur tot op vandaag diepgaand.

In de jaren zestig van de 19de eeuw schrijft een onbekende Duitse filosoof een moeilijk boek over economie en maatschappij dat amper succes kent, maar enkele decennia later is het marxisme een van de grote krachten in de wereldgeschiedenis. Hoe krijgen ideeën impact? Die vraag stelt de medioloog die zich onder meer interesseert voor de interactie tussen ideeën en instellingen en tussen ideeën en techniek.

Maar, voegt Debray eraan toe, in de overgang van idee naar maatschappelijke kracht kan er iets mis lopen: het medium dat het idee verspreidt kan de oorspronkelijke boodschap ondermijnen. Het evangelie van liefde leidt, wanneer het wordt doorgegeven door de Kerk, tot kruistochten en inquisitie; de marxistische droom van gelijkheid leidt, via de Partij, tot de Goelag. Er schuilt dus een tragiek in de overgang van idee naar daad: wat leven moest geven aan het idee, doodt het.

Verbeuze en wijdlopige stijl

Régis Debray lezen is boeiend en vermoeiend. Vermoeiend want zijn stijl is suggestief, associatief, enigszins barok en, als ik het wat respectloos mag zeggen, kletserig. Het retorische hoogstandje krijgt wel eens de voorrang op de rigoureuze uiteenzetting. Merkwaardig genoeg – nog een geval van verblinding – lijkt Debray zich daar niet van bewust, want hij beweert dat hij ‘een heilige schrik heeft van blabla en een allergie voor het wazige’.

Bovendien laat hij geen gelegenheid voorbijgaan om zijn immense cultuur en zijn rijke persoonlijke ervaringen tentoon te stellen. Dat is uitermate interessant, maar Debray lezend merk je nog maar eens hoe intellectuelen vaak erg op zichzelf gericht zijn. Toch is het de moeite dit essay ter hand te nemen. Want ook al loop je soms verloren in zijn verbeuze en wijdlopige stijl, af en toe word je getroffen door bliksemschichten van briljante inzichten die de werkelijkheid in een nieuw daglicht plaatsen.

De ontgoocheling van de linkerzijde

Maar wat me vooral bijblijft van D’un siècle l’autre is de melancholische ondertoon. De titel van het essay verwijst naar Célines D’un château l’autre, maar Debray had het ook een titel van Balzac kunnen meegeven, Illusions perdues. Aan politiek doen leidt altijd tot ontgoocheling, vooral aan de linkerzijde, want ‘daar is de hoop het grootst en doet de kloof tussen wat je verwacht en wat er effectief komt het meest pijn’.

Régis Debray behoort, zoals Pascal Bruckner en enkele anderen, tot die melancholische linkse intellectuelen, teleurgesteld door de evolutie van hun ideologische thuishaven, maar die weigeren naar rechts over te lopen, want, zo besluit de voormalige marxist: ‘Ik heb de ideeën van mijn vrienden niet, noch de vrienden van mijn ideeën’.

Luc Rasson is gefascineerd door de manier waarop het verleden het heden blijft bepalen. In zijn laatste boek, 'Het lijk van de dictator', illustreert hij dat aan de hand van de lotgevallen van het stoffelijk overschot van respectievelijk Franco, Mussolini en Pétain.

Commentaren en reacties