JavaScript is required for this website to work.

Jan-Albert Goris was zowel diplomaat als romanfabriekje

Manu Van der Aa26/5/2022Leestijd 5 minuten
TitelDubbelman
SubtitelEen biografie van Marnix Gijsen & Jan-Albert Goris 1899-1984
AuteurBert Govaerts
UitgeverHoutekiet
ISBN9789089249470
Onze beoordeling
Aantal bladzijden384
Prijs€ 27.99
Koop dit boek

Bert Govaerts schreef een biografie van ‘dubbelman’ Marnix Gijsen & Jan-Albert Goris, schrijver en diplomaat.

Bert Govaerts is inmiddels toe aan zijn derde biografie. Na dat van politicus Albert de Vleeshauwer en van de schrijver van De Witte, Ernest Claes, stelde hij nu het leven van Jan-Albert (‘Bert’) Goris alias Marnix Gijsen te boek.

Het is een strak gecomponeerde, zakelijke levensgeschiedenis geworden, waarbij niet te veel ruimte werd genomen voor de petite histoire. Wel wordt duidelijk dat Govaerts geen al te hoge pet op heeft van de romanschrijver Gijsen.

Dubbelman

De titel van dit boek, Dubbelman, refereert aan het gegeven dat de protagonist op twee vlakken succesvol actief is geweest: onder zijn eigen naam in de ambtenarij en als Marnix Gijsen in de literatuur. Opvallend genoeg debuteerde de schrijver in het activistische blad ‘Vlaamsch Leven’ van 26 november 1917 wel onder zijn eigen (vervlaamste) naam, Albrecht Goris, met het verhaal ‘In stillen nacht gegaan…’. Het typeert deze biografie dat deze gegevens er niet in staan.

Govaerts is duidelijk minder geïnteresseerd in literatuurgeschiedenis en haspelt deze episode nogal snel en oppervlakkig af. Dat is zijn goed recht. Een biograaf moet keuzes maken. Jammer is wel dat hij foute informatie meegeeft. ‘Vlaamsch Leven’ stopte volgens hem een maand eerder dan ‘De Eendracht’, het andere activistische blad waar Gijsen in schreef. Terwijl beide bladen er in dezelfde (derde) week van oktober 1918 mee ophielden.

Dichten

Na de oorlog werd Goris redactiesecretaris van ‘Het Vlaamsche Land’, een weekblad opgericht door August Van Cauwelaert. In ‘Ruimte’, het tijdschrift van de expressionisten, publiceerde hij zijn gedicht ‘Lof-Litanie van den H. Franciscus van Assisië’, waarmee hij hoge ogen gooide.

In 1925 volgde de dichtbundel ‘Het huis’, waarin het beroemde gedicht ‘Met mijn erfoom in de bankkluis’, dat bekroond werd met de August Beernaertprijs. Daarna was het voor lange tijd gedaan met dichten. Wel had Gijsen een solide positie in het Vlaamse literaire landschap verworven en zijn bijdragen verschenen in alle belangrijke katholieke kranten en tijdschriften. In 1935 maakte de toen nog ultra-katholieke Gijsen met een kwezelachtige interventie een einde aan het bestaan van het invloedrijke Nederlands-Vlaamse literaire maandblad ‘Forum’.

Cabinetard

Ondertussen had Jan-Albert Goris summa cum laude een doctorstitel behaald aan – uiteraard – de Katholieke Universiteit van Leuven met een ‘verbluffende’ (volgens Govaerts) studie over meridionale handelskolonies in Antwerpen in de 16de eeuw. Dit opende verschillende deuren naar onder meer buitenlandse studiebeurzen en een academische carrière, maar ook naar een lucratieve loopbaan in de ambtenarij.

Na een fellowship aan de University of Washington in Seattle, koos Goris er toch voor om in 1928 secretaris te worden van de burgemeester van Antwerpen, Frans Van Cauwelaert. Toen die in 1934 minister werd, nam  hij Goris mee naar Brussel als kabinetschef. Van Cauwelaert keerde redelijk snel terug naar Antwerpen, maar Goris kon in Brussel aan de slag blijven bij de minister van Economische Zaken, Philip Van Isacker.

Vanaf 1936 geraakte Goris door zijn functie steeds meer betrokken bij de organisatie van internationale tentoonstellingen, ter promotie van de Belgische nijverheid, zoals de wereldtentoonstelling in Parijs (1937). Goris had de smaak te pakken en in 1938 werd hij adjunct-commissaris-generaal van de World’s Fair van 1939 in New York.

Onze man in Amerika

Op 1 april 1939 vertrok Bert Goris samen met Julia de Bie, met wie hij in 1929 getrouwd was, naar Amerika. Over dat huwelijk komen we overigens niet erg veel te weten, behalve dat het blijkbaar geen groot succes was. Ook op de vriendschapsbanden die Goris onderhield met onder anderen Jozef Muls, Herman Teirlinck, Roger Avermaete en Lode Zielens, wordt helemaal niet ingegaan. Zo komt Govaerts op pagina 147 ineens met ‘Berts oude vriend Rob van Roosbroeck’ op de proppen, maar de man komt nergens anders in het boek ter sprake.

Een uitzondering vormt Goris’ relatie met Gerard Walschap, die hem als redacteur van ‘Het Vlaamsche Land’ was opgevolgd en ook in de redactie van ‘Forum’ zat. Evenals Goris viel Walschap van zijn geloof, alleen wat vroeger en met meer reuring.

Belgisch diplomaat

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat Goris in 1940 vast in de Verenigde Staten. De regering maakte van de nood een deugd en stelde hem aan als hoofd van het Belgian Information Center (BIC). De directeur bezorgde samen met zijn secretaresse onder meer het propagandablaadje ‘News from Belgium’, later gevolgd door het gelijknamige radioprogramma dat uitgezonden werd door de overheidszender ‘The Voice of America’.

Na de oorlog werd het BIC omgevormd tot het Belgian Government Information Center (BGIC). Tot in 1964 bleef Goris als diplomaat – hij werd uiteindelijk (ere)ambassadeur – de Belgische belangen in de Verenigde Staten met verve verdedigen. Met zijn wekelijkse radiopraatje ‘De stem’ uit Amerika werd hij wereldberoemd in Vlaanderen.

Romanfabriekje Marnix Gijsen

Ondertussen had Goris niet alleen afscheid genomen van het geloof, maar ook van zijn vrouw. Met een scheiding wilde de nog steeds erg gelovige ex echter niet instemmen. Tussen 1947 en 1960 leefde hij samen Leentje Bambust, die zijn secretaresse geweest was bij het BIC.

Waar Gijsens publicaties na ‘Het huis’ beperkt bleven tot non-fictie, pakte hij na de oorlog de literaire draad weer op. In 1947 verraste hij met een eerste roman, Het boek van Joachim van Babylon. Het boek verscheen bij de Nederlandse uitgever A.A.M. Stols, nadat de Nederlandse schrijver Jan Greshoff de tekst in convenabel Nederlands had omgezet. De roman werd vrij goed onthaald, vooral in Nederland, en Gijsen ging door op zijn elan.

Het ‘romanfabriekje’ Marnix Gijsen produceerde tussen 1948 en 1955 negen titels. Met onder meer Telemachus in het dorp (1948), Klaaglied om Agnes (1951),  De vleespotten van Egypte (1952) en De oudste zoon (1955) werd hij een van de belangrijkste romanschrijvers in het Nederlandse taalgebied.

Niet enkel bewonderaars

Hoewel Gijsen veel bewonderaars had, citeert Govaerts met instemming Hans Warren. Die wees in 1955 al op ‘de monotonie en beperktheid’ van de romans: ‘Het is na enige tijd moeilijk, ze uit elkaar te houden.’ De schrijver zelf liet dat echter niet aan zijn hart komen, allicht aangemoedigd door de literaire prijzen die hem te beurt vielen: een Staatsprijs in 1957 en 1969 én in 1974 de Prijs der Nederlandse Letteren, de allergrootste eer voor een Nederlandstalige schrijver. Govaerts heeft – evenals Maarten ’t Hart – serieuze bedenkingen bij deze toekenning. De dichtbundel die Gijsen in 1964 nog publiceerde, ‘The house by the leaning tree’, omschrijft de biograaf als ‘een literair-archeologische vondst’.

Zwanezang

De laatste jaren van zijn leven trok Gijsen zich terug in zijn appartement in Elsene, afgewisseld met lange reizen naar het zuiden. Aan zijn relatie met Leentje was in Amerika een voorlopig einde gekomen, maar door bemiddeling van taalman Marc Galle werd het contact weer hersteld. In september 1976 trouwden ze. Gijsen was toen 77. Het huwelijk bleek ‘een totale mislukking’.

Hoewel Gijsen nog baron werd en zijn ‘Verzameld Werk’ tijdens zijn leven begon te verschijnen, kwam de kwaliteit van zijn literaire werk steeds meer onder vuur te leggen. Met name Jeroen Brouwers en de jonge Tom Lanoye maakten brandhout van Gijsens werk. Lanoye had het in 1983 over ‘zijn rammelende zinsconstructies, zijn armoedige woordenschat […] zijn kindsheid, zijn rottenis’. Govaerts vermeldt echter niet dat er ook jongere schrijvers waren die Gijsen wel apprecieerden. Op 30 september 1974 namelijk werd Marnix Gijsen in het Antwerpse sterrenrestaurant La Rade geïnstalleerd als eerste erelid van de ‘Pink Poets’.

Bert Govaerts heeft met Dubbelman een puike, vlotlezende biografie afgeleverd, al blijven bepaalde aspecten van Goris’ leven en van Gijsens literaire werk wel onderbelicht.

Meer boekennieuws en recensies vindt u in ons boekenkatern: https://doorbraak.be/boeken-en-recensies

Manu van der Aa (1964) is literatuurhistoricus en stichtend redacteur van het literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd. Hij publiceerde o.m. over E. du Perron, Michel Seuphor, Gerard Walschap, Alice Nahon, Paul-Gustave van Hecke en Paul Méral.

Commentaren en reacties