Geschiedenis

Toen Vlaanderen bijna verging

De schat van Jozef Simons

Toen de dichter en romancier Jozef Simons in 1948 op 59-jarige leeftijd overleed, erfde zijn 8-jarige zoon Ludo een kleine historische schat: een notitieboekje met soms moeilijk te lezen aantekeningen van een soldaat aan het IJzerfront. De jongen heeft het zorgvuldig bewaard en gekoesterd. In de loop der jaren begon hij het geleidelijk te ontcijferen, tot hij tenslotte als emeritus hoogleraar de tijd vond om het voluit te bestuderen en in zijn oorlogskader te situeren. Dat was meer dan de moeite waard. Het dagboek blijkt de basis te zijn voor enkele bundels met herinneringen van Jozef Simons, maar het leverde vooral de stof voor zijn roman Eer Vlaanderen vergaat, die men ooit “Vlaanderens belangrijkste bijdrage tot de Europese literatuur over de Eerste Wereldoorlog” heeft genoemd. Onlangs is het unieke document bij Lannoo verschenen. Het leest zoals een munitietrein.

De Kempenaar Jozef Simons (21 mei 1888 – 20 januari 1948) behoorde in het midden van de twintigste eeuw tot de populairste auteurs uit onze vertellerstraditie. Simons schreef een aantal verhalen en korte romans, beelden uit het leven in de landelijke Kempen van weleer. Langer bekend bleven de heimatliederen die Armand Preud’homme componeerde op zijn teksten, met als toppers Kempenland en het kerstlied Susa Nina. Zijn voornaamste werk is zonder twijfel Eer Vlaanderen vergaat, de roman die in 1928 verscheen en die dadelijk een rol ging spelen in onze emancipatiebeweging. In dit boek evoceert Simons het ontluiken van het Vlaamse bewustzijn in “het leger der armen”, het Belgisch leger aan de IJzer dat hoofdzakelijk uit Vlamingen bestond, onder leiding van een Franstalige bovenlaag. De houding van de politieke en militaire overheid leidde toen tot een clandestiene protestorganisatie die bekend is geworden als de pre-revolutionaire Frontbeweging.

Jozef Simons, die opgeleid was in “Saint Ignace” in Antwerpen (waaruit later de universiteit is gegroeid), kwam al vroeg op een bijzondere observatiepost terecht. Na zijn studies was hij huisleraar geworden bij een adellijke familie, die met haar talrijke kinderen in het begin van de oorlog verhuisde naar een kasteeldomein in de buurt van Poperinge, achter het front dus. Dankzij haar relaties met hogere legerleiders konden de edellieden verkrijgen, dat hun gewaardeerde leraar niet werd gemobiliseerd. Toen Simons zich toch als vrijwilliger wilde aanmelden, konden zij dat zelfs geruime tijd verhinderen. Zo maakte hij, bijna als lid van de familie, la vie de château mee. En dat leven werd, zo dicht bij het front, zeer intens gevoerd, zo niet gevierd. Het was daar een va-et-vient van hogere officieren, Belgische, soms Franse maar vooral Engelse. Simons, die ook een goede pianist en liedcomponist was, mocht er diners en soirées opluisteren. Hij kon er spreken met de Prince of Wales en mocht er de Belgische vorstin Elisabeth begroeten, “de koningin-verpleegster”.

Na een tijd slaagde Simons erin, zich te laten aanwerven als tolk voor de Engelsen, een baan die bijna helemaal voor edellieden en andere bevoorrechten was bestemd, ook als die helemaal niet zo taalvaardig waren als de Vlaamse auteur. Toen de toestand aan het front verergerde, kon men niet meer beletten dat Simons zich moest melden. Van oktober 1916 tot november 1918 was hij kanonnier en maakte hij de dagelijkse ellende van de soldaten mee. Aan het front kwam hij in contact met de jonge intellectuelen die de protestbeweging op gang brachten, schreef en componeerde hun Frontlied waarin hij hun rechtseisen samenvatte, woonde besprekingen bij van leidende Vlaamse figuren als “de ruwaard” (leider) Adiel de Beuckelaere, diens adjunct de romancier Filip de Pillecyn, en de jonge jurist Rik Borginon, zowat de politieke geest van de beweging.

Het dagboek van Jozef Simons bevat geen bewerkte, afgeronde of literair opgesmukte verhalen. Het zijn heel korte notities, als geheugensteuntjes, vaak flarden uit gesprekken, frappante uitspraken en anekdoten. Ze maken wel duidelijk dat hij met een scherp oog en kritische blik toekijkt.  

Zijn soldatennotities zijn heel kort, snel op het papier geworpen, vaak letterlijk in het vuur van de strijd, terwijl troepen aanrukken en obussen ontploffen. De auteur heeft geen tijd om keurige zinnen te vormen, woorden te zoeken. Het zijn scherven van bommen en granaten. Of flarden van telegrammen, modder- en bloedvegen uit de grachten. Er klinken geen lofzangen op helden en historische daden. Je hoort de kreten van de dagelijkse strijd, de zuchten van ontmoediging en wanhoop.

In korte woorden lees je de gruwelijkste dingen. Hoe krijgsgevangenen worden afgemaakt met messen of gewoon doodgestampt. Hoe bij de minste verdachte beweging mensen als “spioenen” worden neergeschoten of opgehangen. Hoe kinderen van dertien jaar worden meegesleept in de prostitutie in de frontgebieden, waar tijdens de rustpauzes baldadig “kermis” wordt gevierd. Je begrijpt waarom aalmoezeniers getekende sluitzegels van Joe English verspreidden, met de leuze:”Houdt u fier, houdt u rein”…  Zou het veel geholpen hebben?

In schrille tegenstelling tot de soldatenellende staan de beelden die worden opgeroepen als het over de happy few gaat, de embusqués zoals zij door de soldaten worden genoemd, zij die zich kunnen “duiken” in rustige baantjes, of die, erger nog, “de Grote Jan uithangen” op plaatsen waar het niet gevaarlijk is maar waar de decoraties worden uitgedeeld. De dagboekschrijver noteert hoe een officier gedecoreerd wordt voor een gevaarlijke action d’éclat die hij van op veilige afstand heeft gecommandeerd aan een soldaat die, uitgeput teruggekeerd, vlug nog de laarzen van zijn commandant mag poetsen.

Maar dat is maar een kleinigheid. Er lopen edele dames door het dagboek “die een hospitaal oprichten” en die er zelf geen hand naar uitsteken, tenzij om onderscheidingen te ontvangen, of om in verpleegsteruniform te poseren voor een fotograaf. De Prince of Wales, die volgens de Engelse pers aan het front vertoeft, verblijft bij de rijke tafelen in het kasteel, proeft stiekem de diverse wijnen voor het diner, of trekt naar een nieuwe, opgesmukte “barak” die vlug speciaal voor hem wordt opgetrokken. Bij zulke passages heb je spijt dat de dagboekschrijver geen groot satirisch register kon opentrekken.

Over de acties en de contacten met de mensen van de Frontbeweging blijft de auteur natuurlijk zeer sober. Hij mag niet het risico lopen dat zijn notities in handen vallen van de PP, dat zijn de “piottenpakkers” ofte gendarmen. Deze en andere aantekeningen worden door Ludo Simons zoveel mogelijk in hun decor geplaatst. Met eindeloos geduld zoekt de wetenschapper in binnen- en buitenland informatie over de door elkaar lopende personages. In een inleiding en een nawoord geeft hij een helder samenvattend beeld en hij besluit met een overzicht van wat er na de oorlog is gebeurd rond Eer Vlaanderen vergaat, de roman die in 2014 zijn negende druk kreeg. Daarin vind je een feit vermeld dat wij graag signaleren aan mensen die de betekenis van het verhaal nog altijd zouden onderschatten: in 2005 verscheen in Zweden een verzamelbundel I Flanderns jord, (In Vlaanderens velden), met gedichten en prozafragmenten van onder meer Siegfried Sassoon, Robert Graves, Guillaume Apollinaire, Ernst Jünger, E.M. Remarque, Stijn Streuvels, Ernest Claes. En Jozef Simons.

Boekgegevens

Titel
Toen Vlaanderen bijna verging
Auteur
Ludo Simons
Uitgever
Lannoo
ISBN
9789401440530
Onze beoordeling
Aantal bladzijden
326
Prijs
€ 24.99
Koop dit boek online

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans