fbpx


Literatuur

Seks, dood en God

dagboekaantekeningen (15)


Grahame-Pearce

Wasdag (20 februari)

Op mijn rituele hondenwandeling bereik ik de plek waar Mr. Badger een week geleden dood en nat lag te wezen; onder de kale meidoorn (is het een meidoorn?) resteert een vage afdruk in de modder, die je met gips zou kunnen vullen voor een half afgietsel van zijn zijde. Levert dat kunst op? Alleen als je ook zijn postume natheid zou kunnen boetseren, die bebloede bek; als je erin slaagde dat dode beest op een of andere manier antropomorf te maken. Als je de lijdende mens via hem kon uitbeelden. Maar ik kan niet beeldhouwen.
Laat ik dus maar een beetje schrijven dat mijn antropomorfe voorstelling van hem kinderlijk blijft: hij is teruggekeerd naar The Wind in the Willows, waar hij monter voortleeft in het behaaglijke Engeland van 1908. Behaaglijk voor zover je geen fabrieksarbeider was tenminste; niet voor niets is Kenneth Grahame ervan beschuldigd een valse allegorie te hebben geschreven, een conservatief pamflet: literatuurwetenschappers hebben de ratten in het boek als de opstandige arbeidersklasse geïnterpreteerd. Maar ach, de literatuurwetenschap heeft mij ook wel eens voor een reactionaire das uitgemaakt.
Ik vervolg mijn pad, af en toe de honden fluitend, die soms komen bedelen om een stok, soms een lekker geurtje volgen. Zo beschrijven we een dubbele lus door de velden achter het dorp – en dan zie ik plotseling mezelf in de verte, ik ben al aanbeland op de plaats die ik straks zal bereiken… om 15:06 kan ik mijn locatie van ongeveer 15:11 al zien, daarginds, halverwege het pad onder de eiken die de grens tussen twee middeleeuwse percelen markeren! Maar voor ik dat punt bereik, snijd ik gauw een hoek af.
Een vink hamert bevestigend. Een eik kraakt wijsgerig. Een rat werpt een socialistische blik op mijn bemodderde laarzen.

Vrijdag

Het doet me aan een ander kinderboek denken; laat mij u daarover iets vertellen.
Engeland is zijn eigen tijdmachine en het is alsof iedereen in dit land – althans het soort iedereen dat ik ontmoet – An Experiment with Time heeft gelezen, een verhandeling van de filosoof J.W. Dunne uit 1927, waarvan de centrale propositie luidt dat alles synchroon gebeurt; maar aangezien dat voor ons kleine bewustzijn onvatbaar is, vertaalt het die gelijktijdigheid in het verloop der dingen, in geschiedenis dus. Wat overeenstemt met de historische obsessie van de Engelsen en de talloze tijdreizen in hun kinderboeken.
Tom’s Midnight Garden is verschenen in 1958. Philippa Pearce heeft het naar eigen zeggen mede onder invloed van Dunne geschreven. Er wordt dus in getijdreisd, niet dankzij tovenarij of door het poreus worden van de meetbare werkelijkheid – Toms vehikel is de droom, de droom van iemand anders welteverstaan.
Zijn broertje heeft de mazelen (dit was lang voor verwarde nazaten van Rousseau zich tegen vaccinatie zouden verzetten) en brengt de vakantie door bij een oom en tante. Hun flat maakt deel uit van wat ooit een vooraanstaand huis is geweest. Op de bovenverdieping woont de bejaarde Mrs Bartholomew, die ’s nachts droomt van het oorspronkelijke huis, waar ze als meisje heeft gewoond, toen het nog een eenheid vormde, met personeel en een boomgaard en zonder gedoe met wereldoorlogen en een zich emanciperende arbeidersklasse – u kent dat soort Engelse plattelandshuizen. Wanneer de grootvaderklok een dertiende uur na middernacht slaat, opent Tom de deur en staat in de tuin, dezelfde tuin die later verkaveld zal worden. En daar ontmoet hij de jonge Hatty in haar ouderwetse kleren. (Intussen ijsbeert Bertie in de belle époque tot hij eindelijk die ouwe theemuts van een Victoria mag opvolgen.)
In het slothoofdstuk ontmoet Tom mevrouw Bartholomew. Ze vertelt hoe zij steeds ouder en hij steeds doorzichtiger werd in haar dromen; hoe de tuin werd gesloopt en het huis verbouwd; hoe ze trouwde en twee zonen kreeg, die allebei in Frankrijk zouden sneuvelen…
Gaat dit verhaal over het onderbewustzijn? In de victoriaanse tijd waren we nog niet uitgerust met dat attribuut, dat (ik citeer mezelf) als een grote zware sleutel aan een koord rond onze nek hangt – een sleutel die nergens op past, en zeker niet op onze boeien, sterker nog, die de taak van de boeien heeft overgenomen. Want zijn we niet geketend door de noties van die treurige psychologie?
Nee, dit verhaal peilt dieper: het daalt af in het geheugen, dat ouder, rijker en veelomvattender is dan wijzelf. Het legt mijn levensfilosofie beter uit dan ik dat zelf kan. Geen kinderboek heeft mij meer beïnvloed.

22 februari

Er is een kind in mijn leven, of aan de periferie van mijn leven… het is een verschrikkelijk verhaal, maar nu ik hier toch aan het vertellen ben, zal ik ook dit vertellen.
Of beter gezegd, hij was een kind; nu is hij in de twintig. Hij heet Winston en is de zoon van een nicht van mijn vrouw. Afkomstig uit hetzelfde stadje waar Anna is verongelukt, het stadje van mijn schoonouders, Goshen, Indiana. Nog in de jaren vijftig, toen ik al op aarde rondkroop, moesten zwarte mensen die zaken kwamen doen in Goshen zich bij de sheriff melden; ze mochten er geen hotelkamer nemen. Zo’n soort stadje dus, waar mijn bruine dochter soms te horen kreeg ‘dat Trump haar soort wel het land uit zou gooien’. Maar ik ken er veel aardige mensen.
Winston behoort daar niet toe. Hij is niet aardig. Een jongen die op een zomerdag een pingpongwedstrijd tegen de vier jaar jongere Christopher verloor en daarop zijn batje naar het hoofd van mijn zoon smeet.
Toen hij zestien was brak deze achterneef in het huis van een professor in. De professor werd wakker, daalde de trap af en belandde in een Amerikaans cliché, dat de vorm van een mes aannam. Hij stierf ter plekke. Winston verdween in de nacht. Pas zeven jaar later werd hij gearresteerd, in 2018.
(Nu moet ik naar het voetbal, waar ik trots en jaloers naar het sterke, soepele lichaam van mijn zoon zal kijken, die zijn gebruikelijke arabesken zal draaien op het middenveld.)

‘s Avonds (regen als zweepslagen tegen de ruiten)

Sindsdien zit Winston in de gevangenis. De begindatum van zijn proces is inmiddels vastgelegd: maandag 15 juni. Na twee jaar in de vergeetput krijgt hij eindelijk een proces. Amerikaanse gevangenissen zijn barbaars. Ongetwijfeld is hij inmiddels iemands hoertje. Het Amerikaanse juridische systeem is ook in de meest geciviliseerde staten onvoorstelbaar wreed. Winston mag zijn familie niet zien voor zijn straf is uitgesproken. Niemand begrijpt waarom dat is, maar het schijnt een gangbare praktijk te zijn. Hij krijgt enkel bezoek van zijn advocaat en een geestelijke. Zijn ouders spreekt hij via een skypeverbinding. Hij is al twee jaar niet door zijn moeder omhelsd.
Ik probeer me af en toe zijn toestand voor te stellen. Een agressieve jongen. Een moordenaar. Uiterst voorzichtig mee omgaan. Valt er nog iets van hem te maken? Nu waarschijnlijk niet meer.
Vechtpartijen. Anaal geneukt. Grotere vent moeten afzuigen. Eenzame opsluiting. Wanhoop. Berusting. Te weinig hersens om te studeren. Valse vriendschappen. Drugs.

‘s Nachts

Nu ik het heb opgeschreven, kwelt het me meer in plaats van minder – geloof nooit schrijvers die hun vak therapeutische kwaliteiten toedichten.
Winston kan de doodstraf niet krijgen omdat hij nog minderjarig was toen hij de moord pleegde, maar ik zie er Indiana wel voor aan hem vijftig jaar te laten wegrotten. Dwalend door de wereldomspannende stad Epistemopolis, op zoek naar meer juridische informatie, beland ik in een steeg waar ik de rusteloze geest van de kleine George Stinney tegenkom.
Vals beschuldigd van de moord op twee blanke meisjes in het South Carolina van 1944. Ter dood veroordeeld. Pas in de executiekamer zag hij zijn vader terug. Hij was te klein om goed te kunnen worden vastgesjord. Daarom moest hij op een Bijbel gaan zitten. Hij zei niets. Hij huilde zachtjes. Toen de hendel was overgehaald, gleed het te grote masker van zijn gezicht. Zijn tanden rookten; een oog was gesmolten. Hij was veertien jaar oud.

23 februari

Ik ontsteek een kaars voor Winston en sluit mijn ogen. Achter mij zacht kerkgemurmel. Ik probeer iets te denken, maar kom niet verder dan een anglicaans gestileerde vloek. Tussen mijn oogleden vervloeit het kaarslicht met sentiment.
Koffie bij Gary en Duncan thuis. Ik verklaar dat de priester van ieder talent gespeend is; moge er spoedig een nieuwe komen, een man – of vrouw – met smaak, allure en een ietsiepietsie filosofische, historische en theologische kennis, want dat gezemel over gevoelens, God sta ons bij! God mag trouwens weten wat hij precies met zijn kerk, zijn priesters en zijn mensheid bedoeld heeft.

‘s Middags

Verhoudt de liefde zich tot de dood zoals het bed tot de elektrische stoel? Natuurlijk, je kunt wel doodgaan in een bed, maar niet vrijen in een elektrische stoel; anderzijds kreeg de mannelijke opgeknoopte (voor de introductie van het valluik) naar het schijnt een laatste stijve, ook een manier om een middelvinger op te steken naar beul en publiek.

25 februari

Emily Hale correspondeerde tussen 1930 en 1956 met T.S. Eliot. Ze schonk Princeton ruim duizend brieven die pas vijftig jaar na de dood van beiden geopend en bestudeerd mochten worden. Afgelopen oktober was het zover: de houten kistjes, omwikkeld met koperen banden en draden, werden geopend in de Firestone Library van de universiteit.
‘You have made me perfectly happy: that is, happier than I have ever been in my life,’ schreef Eliot in een van de brieven volgens The Guardian. ‘I tried to pretend that my love for you was dead, though I could only do so by pretending myself that my heart was dead.’
Dichters schrijven wel meer flauwekul, vooral als de toehoorder een vrouw is, en terwijl ze hopen dat het lustobject haar standvastigheid verliest, beginnen ze gewoonlijk zelf te zwijmelen.
Maar het werd niets met Emily.
‘Ik was niet verliefd op Emily Hale,’ schreef Eliot op 25 november 1960. ‘Emily Hale zou de dichter in mij hebben vermoord.’
De angst van de dichter voor huwelijksgeluk. De wieg als het open graf van de poëzie.

Aswoensdag

Bezoek aan de barbier in het dorp.
De barbier is een meisje van Christophers leeftijd, dat helemaal alleen haar kapperszaak heeft opgezet. Ze knipt uitsluitend heren. Op de hoek van haar gevel draait de rood-wit-blauwe spiraal van een traditionele barbiersstok.
Het leder zucht verlekkerd als ik ga zitten. In de spiegel ontstaat de ijsbeer. Ze heeft rode gelnagels en een bril met melkachtige glazen. Ik vertel haar over mijn grootvader voor de oorlog, op wiens etalageruit HEERENKAPPER staat te lezen; daarachter zie je op de enige resterende foto haarstukjes, vlechten, een batterij kammen, scharen, sifons en overige attributen, maar midden in dit sepia Rotterdam van 1930 doemen diep in de spiegel haar rode nagels op, die zich over mijn kalende schedel heen en weer haasten, terwijl haar vaag slaapverwekkende stem in het streekaccent vraagt wat ik vanavond ga doen…
Welnu, het is Aswoensdag, kind, ik ga een kruisje op mijn voorhoofd laten zetten om me te herinneren aan het feit dat ik stof en as ben en ooit daartoe zal wederkeren. Weet je wat Aswoensdag is? Dat is de woensdag voor de Vastentijd begint, die uitmondt in Pasen. Weet je wat Pasen is?

             Because I know that time is always time
             And place is always and only place

Dat is Eliot, Ash Wednesday, nee, geen vrolijk gedicht, en wat je zegt,
Palmpasenkruisjes van vorig jaar verbranden en met de as op het voorhoofd van een volwassene een kruisje tekenen is behoorlijk mal… Weet je wat symboliek betekent?
‘Ik ga lekker naar een film op tv kijken,’ zeg ik.

Schrikkeldag

Een vriend schrijft me dat hij zijn vader in het mortuarium voor de laatste keer gaat groeten: ‘Zijn lijk zal op hem lijken.’
Ik wilde mijn dode ouders niet zien – en bovenal het achttienjarige lijkje van Anna niet. Maar mijn vader zag ik per vergissing. Hij lag opgebaard in een zijkapel van de oud-katholieke kathedraal van Sint-Gertrudis in Utrecht; er was een wake de avond voor de begrafenismis; ik zat in een bank mijn best te doen aan iets anders te denken, probeerde mijn gedachten te richten op een imaginair schilderij van een naakte vrouw, maar op de glijdende schaal van dood en erotiek bewoog mijn hoofd zich onafhankelijk van mijn wil iets te ver naar links – de vrouw loste op en ik zag de beschilderde wassen karikatuur van mijn vader, die mijn vader helemaal niet was, verlicht door genoeg kaarsen om de schemering te vernietigen.
Ik stond op en vervuld van afschuw verliet ik het kerkgebouw.

Maandag

Kom, nog eens een potje armworstelen met een collega.
Dimitri Verhulst publiceerde onlangs Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboeken en wordt in het ooit baldadige, thans volmaakt conventionele weekblad geïnterviewd. ‘Voor de goede orde: zijn die “ongedateerde dagboeken” echte dagboeken, of zijn ze opgepoetst?’ vraagt de journalist vermoeid.
Verhulst: ‘Er is niks aan opgepoetst. Ik hou niet van het soort gekunstelde dagboeken waarvan de schrijvers op voorhand weten dat ze gepubliceerd zullen worden. In mijn geval gaat het om losse flodders, sommige getypt, sommige geschreven, die ergens in een schoenendoos beland waren. Ik vind dat er een soort deontologie van het dagboek is: je moet respecteren wat je op een bepaald moment hebt opgeschreven. Vandaar ook het ongemak, de schaamte die ik nu voel. Ik sta hier in mijn blootje, hè?’
O Dimitri! Ik doe nu juist mijn best om leesbaar te maken wat ik inderhaast in mijn schriftje heb gekrabbeld, uit elementaire hoffelijkheid tegenover de lezer, tegenover u dus, die ik in mijn dagboeken dan ook onbekommerd toespreek alsof u tegenover mij zat te slurpen van uw kopje thee.
En natuurlijk heeft hij zijn notities wel bewerkt, de stijl, de compositie… zelfs zijn blootje is zorgvuldig bedacht, die pose van de spontane, ruige, coke snuivende bink, die ook wel een beetje een gegeneerde idioot is, zo zacht als de dichtkunst zelf wanneer je hem aanraakt.
Voor de rest is dat hele dagboek strontvervelend: coke en de ene geliefde na de andere; het is de kleinburgerlijke versie van de decadente Franse schrijvers, Baudelaire, de Goncourts, Huysmans, die heel wat meer pauwenstaart hadden om te ontvouwen. Nee, dat dagboek van Verhulst is het tegendeel van mijn eigen gekunstelde dagboek: het gaat allemaal over hem, terwijl ik het nu juist nooit over mijn neusgaten heb, en over seks alleen om mijn vrouw te eren.
Verhulst noemt Sylvia Kristel ‘een poppetje dat niet kon acteren’ – hoe simpel zou het zijn die woorden met een achteloze polsdraai in een definitie van hemzelf te veranderen.

Dinsdag

Heb ik het recht met een mestvork op een collega af te stormen of verlaag ik me dan tot de dorpsvete?
Ik vraag geen subsidies aan, ik verbied mijn uitgever boeken van mijn hand in te zenden voor geldprijzen met nominaties. Dit voorbeeldige gedrag moet u zien tegen de achtergrond van mijn inkomen: ik verdien per maand gemiddeld 500 euro als schrijver, een vergelijkbaar bedrag als gastheer van een bed&breakfast, en mijn pensioen, dat ik sinds november vorig jaar ontvang, bedraagt 820 euro. Kortom, ik verkeer niet in een financiële positie die behalve Fressen ook veel Moral mogelijk maakt.

5 maart

Cantates van Bach op YouTube. In een spierwitte Zwitserse kerk weerklinkt ‘Wachet auf, ruft uns die Stimme’ en alles klopt: de energiek zwaaiende dirigent met zijn vooroorlogse brilletje, het toegewijde strijken van de violisten, het nijvere blazen van de hoboïsten, en vooral het koor natuurlijk. Hoor, nu welt c-klein uit de keel van een blondine op… kijk toch, die blonde paardenstaart! Kun je zingend op iemand lijken? Het is Joy, iets jonger, maar onmiskenbaar Joy.
‘Wann kommst Du?’ kwinkeleert ze.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.