JavaScript is required for this website to work.
Binnenland

Forum

Voor Vlaamse rechtszekerheid

Ignace Vandewalle pleit voor betere bescherming voor investeringen van bedrijven door het recht op ondernemen in de Grondwet te laten opnemen.

Ignace Vandewalle (1966) was kabinetsmedewerker van minister Marc Verwilghen en staatssecretaris Vincent Van Quickenborne, parlementair medewerker van Boudewijn Bouckaert en sinds 2019 partij-onafhankelijk parlementair medewerker van Jean-Marie Dedecker. Sinds 2014 is hij zaakvoerder van het onafhankelijk politiek adviesbureau BFELT.

19/11/2023Leestijd 3 minuten
Laat in de Grondwet het recht op ondernemen opnemen.

Laat in de Grondwet het recht op ondernemen opnemen.

Ignace Vandewalle pleit voor betere bescherming voor investeringen van bedrijven door het recht op ondernemen in de Grondwet te laten opnemen.

Onze bedrijven en werknemers zien zich geconfronteerd met een dwangmatige kaakslagdemocratie moreel opgedrongen door een doorgeslagen klimaatobsessie. Moeten wij ons milieu beschermen? Jazeker. Moeten wij natuurgebieden beschermen? Jazeker. Moet er een energietransitie komen? Jazeker. Moet er een mobiliteitstransitie komen? Jazeker. Maar we moeten dat doen in evenwicht met een gezonde economie, een stijgend welvaartspeil en een gegarandeerde leefbaarheid.

Vandaag is deze balans zoek, wat duidelijk blijkt uit vele politieke discussies zoals bijvoorbeeld rond het stikstofdossier. Om dit te remediëren moeten er mijns inziens twee zaken gebeuren. Ten eerste het rechtszekerheidsbeginsel uitbreiden via een opname in de grondwet van het recht op ondernemen, en ten tweede moet een minimale geldigheidsduur/houdbaarheidsdatum van wetten zijn ingang vinden. Zo kunnen we een bescherming bieden voor investeringen van bedrijven en het ondernemerschap in het algemeen.

Recht op ondernemen

Voor het recht op ondernemen moeten we — zoals vele rechten trouwens — terug naar de Franse Revolutie. In 1789 werd in de eerste plaats gestreden voor individuele vrijheid, die logischerwijs ook een economische vrijheid omvatte. Vóór de Franse Revolutie heerste er een corporatistische hyperreglementering opgelegd door gilden, die bovendien zo divers was dat een kat er zijn jongen niet in terugvond. Daarom werd in maart 1791 het decreet-d’Allarde aangenomen, waarmee de corporatische wetten en regels van gilden werden afgeschaft. Zo staat er in het decreet onder artikel 7 te lezen: ‘Vanaf 1 april aanstaande zal iedereen vrij zijn om een handel te drijven of een beroep, kunst of ambacht uit te oefenen dat hij of zij geschikt acht…’ (vrije vertaling). De vrijemarkteconomie was geboren. De hoofdbrok van het decreet is in België in 1795 van kracht geworden.

Bescherming tegen Kafka

De principes van het decreet-d’Allarde, meer bepaald de vrijheid van ondernemen, werden in 2013 overgenomen in het Wetboek van economisch recht (WER). Maar het beschermt bedrijven en zijn werknemers niet tegen de drive naar reglementitis die vandaag de politiek overheerst en de maatschappij en het ondernemerschap — vergeef me de term — verstikt. Kafka is hierbij vaak dichterbij dan gezond verstand. Voorbeelden zijn legio. Het recht op ondernemen is vandaag nog steeds een soort subjectief principe. De wetgever kan, hoewel begrensd, perfect wetten stemmen tegen de vrijheid van handel. Als argument daarvoor worden vaak beginselen van behoorlijk bestuur naar voren geschoven en vaak hoger geacht. We kunnen daarover van mening verschillen, maar in een oorlog van olifanten wordt de mier vertrappeld en de grond beschadigd.

Grondwettelijk kader

Over de grondwettelijke verankering van het recht en de vrijheid op ondernemerschap bestaat veel discussie. Zo zei professor Francis Delpérée (PSC, nu Les Engagés) in 1993 in de Senaat:

“In de eerste plaats, wanneer men het over het recht op arbeid heeft, denkt men voornamelijk aan arbeid in loondienst of als zelfstandige, maar dan stelt men vast dat een van de economische rechten ontbreekt: de vrijheid van handel en industrie, dat wil zeggen het recht om een handels- en industriële activiteit te verrichten.”

Hoewel hij aangeeft dat artikel 23 1° van de Grondwet ook het recht op arbeid van een zelfstandige omvat of zou moeten omvatten, merkt hij op dat het fundamentele recht ontbreekt om een handels- en industriële activiteit te verrichten. Dit kan voor sommigen ambigu klinken, maar dat is het niet. Alles valt terug op een vrije beroepskeuze en de manier waarop men die keuze vorm wens te geven. Doet men dat als arbeider, bediende of zelfstandige, het zou geen verschil mogen uitmaken. Maar, omdat het recht op ondernemen formeel ontbreekt lijkt het erop dat de Grondwet werken als zelfstandige niet als arbeid beschouwt.

Minimale houdbaarheidsdatum van wetten en decreten

Vandaag de dag kent een bedrijf of een startende zelfstandige de bestaande wetgeving, en eventueel de wetgeving die op stapel staat. Maar hij kent niet de grillen van een volgende Europees Commissaris met profileringszucht of een minister of politieke partij met een dogmatische beginselvastheid. Verkiezingen bieden geen democratische zekerheid omdat regeringspartijen buiten de wil van de kiezers om coalities vormen en regeerprogramma’s te vaak te veel afwijken van de verkiezingspropaganda.

Daarom moeten wetten met economische significantie in ons land zo mogelijk een minimale houdbaarheidsdatum krijgen. Denk aan een slot op de wet dat bedrijven de garantie geeft dat hun investeringen niet onderhevig zijn aan de grillen van de politiek. Een ondernemer kan zijn investering vervolgens aftoetsen aan de minimale houdbaarheidsdatum van een wet. Kiest hij ervoor om het risico te nemen terwijl de houdbaarheidsdatum afloopt, dan is dit zijn recht, maar verliest hij tevens het recht op schadevergoeding wanneer de wet eventueel wijzigt.

De overheid gaat met het toevoegen van een minimale houdbaarheidsdatum een contract aan met zijn burgers en biedt hun daarmee een betere rechtszekerheid, bedrijfszekerheid en arbeidszekerheid. Het zou naar mijn bescheiden mening kunnen zorgen voor een stabieler economisch klimaat.

Rechtszekerheidsbeginsel

Om het rechtszekerheidsbeginsel uit te breiden, moet naar mijn mening artikel 23 van de Grondwet een punt 7° toegevoegd krijgen, dat luidt: ‘Het recht op ondernemen en om een handels- en industriële activiteit te verrichten.’

Met dit opiniestukje heb ik niet de pretentie alle waarheid in pacht te hebben of om de juridische realisatie van dit idee strikt te omkaderen. Ik wil vooral de politieke discussie op gang brengen rond een betere bescherming van onze ondernemingen en hun werknemers. Het tekort aan rechtszekerheid is vandaag de dag een van de doodgravers van investeringen en vrij ondernemerschap in ons land.

Tijd voor Vlaamse rechtszekerheid.

Ignace Vandewalle (1966) was kabinetsmedewerker van minister Marc Verwilghen en staatssecretaris Vincent Van Quickenborne, parlementair medewerker van Boudewijn Bouckaert en sinds 2019 partij-onafhankelijk parlementair medewerker van Jean-Marie Dedecker. Sinds 2014 is hij zaakvoerder van het onafhankelijk politiek adviesbureau BFELT.

Commentaren en reacties