Europa, Geschiedenis
Spekpater bij Adenauer

De miljoenenhoed van de Spekpater

Als ik lees over de oorlogsvluchtelingen en ik zie de beelden op het tv-scherm, dan denk ik vaak aan wat ik als jonge verslaggever na de Tweede Wereldoorlog in Duitsland heb gezien en meegemaakt, en ik vraag mij af of er werkelijk iets verandert op onze bont en blauw geslagen planeet. Alle puinen gelijken op elkaar.

Ik loop weer in het verwoeste Düren, het onherkenbare Keulen en Kassel, ik bezoek bunkers zonder vensters waarin mensen opeengepakt zitten, alsof ze nog altijd moeten schuilen voor luchtaanvallen.
Ik zit nabij Bebra in een tenten- en barakkenkamp langs de Oost-Duitse grens en luister naar radeloze mensen die een toevlucht zoeken. Zij worden ondervraagd door Engelse officieren, die de ‘goede’ van de ‘slechte’ moeten scheiden, zonder dat ze al was het maar een glas water krijgen.
Of ik zit in een kaal kerkje te midden van een dicht opeengepakt publiek te luisteren naar een sermoen van een Duitse ‘rugzakpriester’, een doodvermoeide man die van dorp naar stad trekt om te proberen de resten van een parochie weer samen te brengen en moed in te spreken waarvan hij er zelf tekortkomt.

Displaced Persons

In 1945 beslisten de Big Three, de bazen van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de Sovjet-Unie, dat Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije, bij wijze van waarborg en weerwraak, moesten worden gezuiverd van Duitsers. Zo zegden zij het niet, maar dat was wel de betekenis van hun beslissing. Al dan niet historische Duitse bevolkingsgroepen van die drie landen moesten worden ‘verplaatst’ naar Duitsland. De kranten spraken van ‘displaced persons’. Cynici hadden het over ‘misplaatste personen’.

Twaalf miljoen mensen werden uit hun dorp en stad verjaagd, richting Westen. Daar kwamen weldra ook zo’n drie miljoen Oost-Duitsers bij, vluchtelingen uit de pas opgerichte communistische DDR, Deutsche Demokratische Republik. Voeg daar nog de uit Rusland terugkerende krijgsgevangenen aan toe. Velen kwamen terecht in de reusachtige puinhoop van het Heimatland, in het Jaar Nul, zoals de titel van een film over die tijd luidde.

Een jonge voortvarende Nederlandse pater uit een Vlaamse abdij heeft toen, op zijn eentje, een hulpactie opgezet, met de moed van iemand die gelooft in de druppel op een hete plaat: Werenfried van Straaten. Hij dacht allereerst aan de ongeveer zes miljoen katholieke Vertriebenen en Flüchtlinge in overwegend niet-katholieke streken. Hoe zijn actie ontstond en groeide tot een legendarische maar ook vaak aangevallen beweging van liefdadigheid en materiële en geestelijke wederopbouw, werd bestudeerd door Sven Sterken, verbonden aan de faculteit architectuur van de K.U. Leuven. Het resultaat kan je lezen in het Belgisch-Nederlandse tijdschrift Trajecta, dat twee keer per jaar verschijnt en dat gewijd is aan ‘religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden’. (In de twee nationale talen: Nederlands en…Engels.)

Vrachtwagens voor God

Pater Werenfried (1913-2003) slaakte zijn noodkreet in het kerstnummer 1947 van Toren, een toen veel gelezen maandblad van zijn abdij. Hij beschreef de toestand in Duitsland zoals hij die zelf had gezien en pleitte voor dringende hulp, die hij zag in het licht van een verzoening met de verslagen vijand. Vrachtwagens met voedsel, kleding en andere noodzakelijke dingen moesten, vergezeld door priesters, de puinsteden en de vluchtelingenkampen gaan bezoeken.

Zijn oproep werd graag overgenomen in de toen nog uitgebreide katholieke dag- en weekbladpers. Van Straaten begon een tournee in Vlaamse kerken en parochielokalen. Hij kon praten als Brugman en zijn publiek ontroeren met sterke verhalen en een gevoelige stem. Na zijn sermoen deed hij een omhaling, met zijn grote patershoed, die spoedig zijn miljoenenhoed werd genoemd. Op een bepaald moment deed hij een gouden vondst. Op een buitenparochie richtte hij zich tot de boeren en zei: ‘Jullie mogen ook een lap spek of een ham geven, ja, het hele varken is welkom!’ Het resultaat was dat er inderdaad heel wat Vlaamse zwintjes en veerkes naar Oostland zijn gereisd en dat Werenfried de geschiedenis is ingegaan als ‘de Spekpater’.

In 1950 reden er al 12 ‘Vrachtwagens voor God’ over West-Duitse wegen. Zij werden ook ‘kapelwagens’ genoemd, omdat zij met een kleine ingreep werden omgevormd tot een kapel voor eucharistievieringen in open lucht. (Ik heb er een zien bouwen en inzegenen bij de jonge Van Hool, in Koningshooikt, waar het wijwater op goed metaal is gevallen). Op het hoogtepunt van de actie, in 1954, reden 164 missionarissen uit verschillende orden en congregaties met die wagens mee en bedienden 12 bisdommen. In Tongerlo groeide een thuisbasis waar de voorraden in grote loodsen werden aangelegd.

Het was ook in de tijd dat de idee voor een ‘bouworde’ ontstond. De pater lanceerde ze op een voor hem typische wijze.
Op een koude winternacht keerden wij, in een niet al te stevig busje, over ijs- en sneeuwwegen terug van een tocht tot aan het IJzeren Gordijn. Wij zaten, enkele Vlaamse journalisten, verkleumd van de kou dicht tegen mekaar en zongen af en toe gekke liederen om ons te verwarmen. Omdat onze chauffeur al zo lang en zo moeilijk had moeten rijden, werd hij af en toe door een van ons afgelost. Er was gelukkig ook een krantenman bij die overweg kon met leeglopende banden en nukkige mechanismen. Ergens in een donker Duits dorp liet de pater stoppen bij een Godgezegend Rasthaus, waar hij ons (ik denk: een gat in de nacht) plotseling, tussen twee boterhammen in, gloedvol toesprak en verklaarde dat hij dacht aan het stichten van een Orde, een Bouworde. Hij zou jonge mannen oproepen om, in hun vakantie en andere vrije tijd, of gewoon altijd, mee te helpen bij de wederopbouw van woningen en kerken. ‘Wat denken jullie ervan ? Zet het maar in de krant.’ Dat deden wij. En het is een succes geworden.

Ongeziene solidariteit

In West-Duitsland ontstonden 17 centra van Oostpriesterhulp langsheen het IJzeren Gordijn. Werenfried noemde ze, in de stijl van die tijd, ‘vestingen voor God’. Aan de rode overzijde werd dat ook verstaan als een soort van forten tegen het nieuwe regime. De pater zei dat men klaar moest staan voor de dag dat de grens geen grens meer zou zijn. In 1956 steunde hij bijvoorbeeld Hongaarse opstandelingen en de gevangen kardinaal Mindszenty die het communistische bewind niet had willen erkennen. Zevenduizend Hongaren kwamen toen naar België.
Geen wonder dat de pater ook in eigen land met tegenstand ‘van bepaalde zijde’ te maken kreeg, niet alleen van vurig rood en zijn ‘fellow travellers’, ook vanwege de voorstanders van een zeer betwiste coëxistentiepolitiek tegenover Oost-Europa.

Toen West-Duitsland in de jaren zestig zijn fameuze Wirtschaftswunder beleefde en de Duitsers snel de rug begonnen te rechten, verlegde en verruimde Werenfried de focus van de organisatie. In 1969 kreeg zij een nieuwe naam: Kerk in Nood.

Wat men er verder ook over moge zeggen, de conclusie van Sven Sterken luidt terecht:
‘Vooral de actie met de Kapelwagens blijft een indrukwekkende verwezenlijking en toont hoe de kracht van één man een hele gemeenschap kan mobiliseren en ongeziene golven van solidariteit met de slachtoffers van oorlog en vervolging kan verwekken.’

_________

Sven Sterken : ‘The chapel truck is coming to your village!’ Oostpriesterhulp, Catholic Relief and the German Refugee Problem after World War II, in : Trajecta, Religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden, 16.2017. Visserij 161 A, B-9000 Gent; e-mail; [email protected]

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans