fbpx


Cultuur, Literatuur

Een pet met een davidster

Dagboekaantekeningen (37)


Brody

Maandag 21 december Herinnert u zich mijn reis naar Brody? Ach, wat een prachtige reis was dat, als door alle spiegels van Europa heen, achterwaarts in de tijd! Bleke spiegels vol doodsangst, kleurrijke spiegels vol baljurken en uniformen, die elkaar nog eens weerspiegelden tot een geluidloos knaleffect van het voorbije… Eerst was ik in Krakau, in het hospitaal waar de dichter Trakl was gestorven. Het marktplein volstond niet, het was gevuld met zomerse warmte en de kleverige banaliteit van de…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Maandag 21 december

Herinnert u zich mijn reis naar Brody? Ach, wat een prachtige reis was dat, als door alle spiegels van Europa heen, achterwaarts in de tijd! Bleke spiegels vol doodsangst, kleurrijke spiegels vol baljurken en uniformen, die elkaar nog eens weerspiegelden tot een geluidloos knaleffect van het voorbije…

Eerst was ik in Krakau, in het hospitaal waar de dichter Trakl was gestorven. Het marktplein volstond niet, het was gevuld met zomerse warmte en de kleverige banaliteit van de toeristische pantoffelparade, de domme gezichten waaruit het slechte Engels druipt in een door de thermometer gedicteerde versloming; ik zocht de psychiatrische afdeling van het garnizoenshospitaal waar de dichter Trakl, na de danteske slag bij Grodek, zijn gek geworden zelf op een overdosis cocaïne trakteerde.

Later vond ik een stadspark met elegante zandpaden in lemniscaatvorm, waar ik een koffie dronk achter een lindegroen ijzeren tafeltje bij een ouderwetse kiosk met een tiara van houtsnijwerk, naar knappe jonge moedertjes achter hun kinderwagen keek en met een middelbare glimlach op mijn lippen wegzakte in de scherpzinnige dufheid die visoenen baart: aan mij openbaarde zich de geluksvorm die bij een burgerlijk-intellectueel leven in een Habsburgse provinciestad hoorde, zoals wandelstok, hoed, vormelijkheid bij de hoogleraar letterkunde die ik dan geweest was, onzeker in mijn bewondering voor de expressionistische verzen van een incestueuze apotheker die krankzinnig werd toen zijn wereld ineenzeeg…
Ik schrok wakker in een pijnlijke kramp en verwenste de beide keizers.

Daarna belandde ik langs een omweg over het brede tsaristische spoor in Tsjernivtsi, bekender als Czernowicz, de wonderbaarlijke stad van Paul Celan en Aharon Appelfeld, waar zestalige Joden nog tijdens het interbellum literatuur formeerden uit de puinhopen van de Dubbelmonarchie (hierover heb ik elders al geschreven).
En vervolgens kwam ik in Drohobycz terecht, waar de oude huizen op de markt gekleurd waren in de reflexen van de zomerhitte: hier volgde ik met mijn wijsvinger de levensgang van Bruno Schulz, auteur van uit mythische hallucinaties bestaand proza, maar overdag tekenleraar aan het vooroorlogse gymnasium, dat een permanente tentoonstelling aan zijn grote zoon heeft gewijd.

Mijn plaatselijke Joodse gids heette Abraham: hij dirigeerde mijn voeten langs alle sporen die Schulz had nagelaten; en zo bevond ik mij op een verstikkende middag voor het ontoegankelijke, neoklassiek aandoende lage huis waar hij met zijn ouders woonde, liet me door de onmetelijke gangen van het reusachtige K.u.K.-gymnasium opslokken, bereikte het lokaal van de tentoonstelling, keek naar tekeningen en boeken en kreeg vlekken voor mijn ogen en werd bedolven door de stapelingen van Bruno’s hoogst neurotische, overdadig gestileerde zinnen en raakte zoek in de geschiedenis, in het verstrijken waarvan Abraham knopen leek te leggen, zodat we zonder merkbare overgang weer op straat belandden, waar de vlammende zomer de jonge eenentwintigste eeuw verzengde en op de stralend witte honkbalpet van mijn gids een hemelsblauwe davidster afdrukte…

‘Hier ongeveer is hij doodgeschoten,’ zei Abraham. ‘Door een officier van de Gestapo. Karl Günther.’
‘Abraham…’ zei ik.
‘Schulz had een fresco geschilderd voor een andere officier van de Gestapo, Felix Landau.’
‘…waarom draag je een Israëlische pet? Is dat niet gevaarlijk?’
‘Het was wraak, want Landau had op zijn beurt de favoriete Jood van Günther doodgeschoten. Een tandarts.’

Dit alles wist ik. En ook dat de Mossad het fresco had losgekapt en naar Israël ontvoerd. Maar niet waarom Abraham riskeerde in elkaar geslagen te worden in dit antisemitische land.
‘Ik draag wat ik wil,’ zei hij later, op een terras, terwijl hij in de verblindende Oekraïense zon een pul bier naar zijn dikke, paarsrode lippen optilde.

Dinsdag

Literair gesproken stelt de anekdote niet veel voor, maar sommige anekdoten zijn als het winterkoninkje uit het sprookje, dat op de rug van de adelaar de hoogste lagen van het azuur bereikt en daarom de kroon mag opeisen.
Mijn dichtende vriend Will Stone was zijn griepprik gaan halen ergens in Suffolk, waar hij woont. Hij was de laatste patiënt en de verpleger, een etnische Aziaat, vroeg hem wat hij deed voor de kost. ‘Ik ben dichter,’ zei Will, gewend aan de nerveuze, lacherige, geborneerde reacties van de gemiddelde spitsburger.

Maar de verpleger beoordeelde hem niet in monetaire zin; in een oogwenk schiep het woord dichter een monsterlijk misverstand, een gezwel groeide op de dichtkunst: hij was erg opgewonden en begon een alleenspraak over declamatoren van de Koran, haalde zijn telefoon te voorschijn en liet filmpjes zien met reciterende geloofsgenoten…
Verwarde dichter! Aardige, ijverige moslim, die de voorgeschreven sociale afstand uit het oog verloor en zich niettemin in een ander, niet eens evenwijdig heelal bevond!

’s Avonds

 Wills anekdote – hij, nog altijd een Labourstemmer, was ontdaan toen de wereld voor zijn ogen vreemd werd – herinnert me aan de eenzame polemische denker Wim van Rooy, die hartstochtelijk tegen de penetratie van de islam in onze contreien strijdt, in de velden bij Tours, vanaf de muren van Constantinopel… Ik ken hem al vele jaren en kan enkel getuigen dat hij het fascisme verafschuwt en de klerken in pers en parlement hun verraad aanwrijft; dit verraad bestaat in Wims geval hierin, dat de klerken zijn doorwrochte studies doodzwijgen – dat is de intellectuele versie van de onthoofding. De klerken serveren Wims hoofd op een dienblad aan de vijanden van de liberale rechtsorde, waarop wij klerken zo gretig het glas heffen – wij, zeg ik, want ook ik ben schuldig, een lafaard, die zelf een keer te vaak bedreigd is geweest om niet op zijn tong te bijten.

Het hoofd van Johannes de Doper, koud geserveerd, geësthetiseerd, zoals op het schilderij van Caravaggio.

Woensdag 23 december

De gewoonlijk van verstand blijk gevende criticus Dirk Leyman kletst als beneveld over een ‘onthutsend taalbouwwerk’, waarmee hij de roman Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld bedoelt. Ben ik nu echt de enige die ziet hoe de brave Dirk noten met zang verwart?

Ik citeer uit het gewraakte kunstwerk: ‘(…) toen ik mijn gulp openritste en mijn moordenaarsgewei eruit haalde en deze net als de lepel, net als het vrachtschip, tegen je lippen drukte, tot je wel je mond moest openen…’
Parbleu!
Gelooft u mij, die al zestig jaar de schrijfkunst bestudeer, vanaf de dag dat ik over een kabouter schreef die door een gat in de heg verdween: dit is de onrijpe bombast van een vroegrijp schoolkind, een getalenteerde deelnemer aan een cursus creatief schrijven.

Tijdens wandeling

Vermoeiende discussie met Joy over kunst: waarom (je bent gedwongen tot een grotesk voorbeeld) Justin Bieber bewijsbaar inferieur is aan Jacques Brel.

‘Dat kun je niet bewijzen.’
‘Jawel. Je telt gewoon het aantal clichés in de teksten. En je vergelijkt de complexiteit van de muzikale structuren.’
‘O, als het maar ingewikkeld is, bedoel je.’
‘Nee, schat. Als het maar kunst is, bedoel ik.’

Als dochter van de nieuwe wereld wijst ze de hiërarchie af en beroept zich op de smaak, kunst met democratie verwarrend.
Voor onze verschillende literaire smaak heb ik overigens een eenvoudige formule: ik zoek het adjectief, Joy het zelfstandig naamwoord. Maar voor het adjectief geldt dezelfde wijsheid als voor het zout op de aardappels.

Kerstavond

Bizarre gebeurtenis met een wijnfles.
Een zojuist door mij ontkurkte, vluchtig geproefde Montepulciano, roder dan de aarde van die streek en toch van een verheven, bijna engelachtige subtiliteit: hij staat tussen de couverts op de eettafel te wachten tot wij aanschuiven. Ik leg de laatste hand aan een schotel waarvan de ingrediënten er verder niet toe doen. Joy is nog bezig een bad te nemen. Ik besluit haar een handdoek aan te reiken.

Ik loop de trap op en betreed de badkamer, waar zij met een leesbril op haar neuspunt een krant ligt te lezen: tussen haar Toscaanse rondingen sijpelen straaltjes water, waarin vlokjes schuim iriseren – en kortstondig ervaar ik de sensatie dat zij er alleen maar is zoals ik haar zie, dat ik een demiurg ben die dingen niet beschrijft maar schept… Ze zegt: ‘Het pond schiet omhoog nu er een akkoord met de EU is. Maar goed dat ik net veel euro’s heb gewisseld… O, ik vergeet helemaal dat jou dat geen zier interesseert!’
Ze lacht en komt dan in al haar glorie overeind en slaat de badhanddoek om zich heen, drapeert de bandhanddoek om haar schouders; en dankbaar dat de wisselkoers vlees is geworden, daal ik de trap af, op weg naar het moment dat ik de lucifer bij de eerste kaars houd.

De wijnfles is weg.
In de koortstoestand die volgt op deze ontdekking onderwerp ik iedere kast, hoek, nis, geheime bergplaats aan een grondig onderzoek – ten slotte beland ik in de bijkeuken, waar de fles in de koelkast staat, de grote Amerikaanse koelkast, zo groot als een parallelle bijkeuken… De maan schijnt spottend door het dakraam; ik kijk naar boven, in de nachtelijke hemel zweeft een bruid, naar wier lichaam een schitterend slakkenspoor van sterrenstof omhoogvoert.

Kerstmis

We hebben dit jaar afgezien van de traditionele burgerlijke parafernalia, de boom, de snoeren met de lampjes, de dennentakken, het engelenheir dat aan dunne draden als een luchtlegertje van marionetten aan het plafond hangt en op de thermiek van de brandende kaarsen om zijn as draait en dreigt neer te storten maar dat nooit doet…
Er komt toch geen bezoek. Er wordt geen nachtmis gecelebreerd. Geen kerstcadeaus worden uit hun pakpapier bevrijd. Neerslachtigheid hurkt achter de fauteuils. Vanavond zoomen we met Christopher en Hayley, die Kerstmis in Colorado bij haar ouders doorbrengen.

Tweede Kerstdag (Boxing Day)

Ik heb het onbehaaglijke gevoel dat ik juist als schrijver haar verwaarloos, dat ik in mijn fictie pretendeer van haar te houden, maar dat ik haar alleen gebruik voor mijn schrijfdrift, voor dat priapisme in mijn brein, zoals Gottfried Benn het formuleerde. Ik doe haar altijd en per definitie tekort. Wat heeft zij aan een moordenaarsgewei?

Dinsdag

Peter heeft zo hard op zijn tong gebeten dat hij ontwaakte op een bebloed hoofdkussen. De bloedverdunner die hij voor zijn hart moet slikken heeft een hemofiliepatiënt van hem gemaakt. Hij moest zijn tong in het ziekenhuis van Lausanne laten hechten: ‘De pijn was choquerend, bijna een belediging.’

Nu zit ik opgescheept met het beeld van een onstelpbaar bloedende tong, die natuurlijk uit de mond van een schrijver steekt. Het bed van de schrijver raakt doorweekt van zijn eigen bloed. Hij sterft door leeg te bloeden via zijn tong. O schrijver, je bloedgroep is symboliek negatief…

‘s Nachts

Ik had een realistische droom over een vriendschap met Boris Johnson, die me uiteindelijk liet vallen omdat hij te druk bezig was met van alles, zoals eerste ministers dat plegen te zijn.
Gedurende een bepaalde periode in mijn leven, toen ik nog in België woonde, droomde ik van koning Albert, met wie ik voortreffelijk op kon schieten. We dineerden samen aan een ronde tafel, van goudomrand servies met het wapen van het huis Saksen-Coburg; het was altijd zomer en de deuren naar het omringende park stonden altijd open. Hij was altijd blij me te zien. Het merkwaardige was het angstaanjagend realistische van deze dromen, er waren momenten overdag dat ik gezworen zou hebben nog onlangs bij hem op bezoek te zijn geweest.

Wat drukt dit fenomeen uit? Een behoefte aan machtige connecties? Misschien het besef dat ik niet ongevoelig ben voor de scheikunde van de roem.

Donderdag 31 december

De uitbraak van de pest zorgde langs de gehele ruggengraat van dit eiland voor een paniek die zich over de oostelijke en westelijke ribben door het hele lichaam verspreidde. In de kerk van St Mary in Ashwell, graafschap Hertfordshire, staat achter het getal 1350 in Romeinse cijfers een Latijnse inscriptie over de ‘ellendige, verschrikkelijke, verwoestende pest, waarvan alleen ellendige mensen nog kunnen getuigen’.

Zaterdag 2 januari

Gisteren was het voorspelbaar genoeg Nieuwjaar. Niemand op straat. De nacht ervoor vergleed het vorige jaar onmerkbaar in het volgende. We weigerden de televisie aan te zetten. Enkele malen een uitbarsting van verdrongen anticipatie in telefoongerinkel.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.