fbpx


Cultuur

God als dolfijn

Dagboekaantekeningen (57)


god

Zondag 17 oktober De brave Owen spreekt ons bezwerend toe vanaf de kansel: zijn preken zijn heel behoorlijk, maar de houten broek accentueert zijn buikvet en maakt dat ik aan Obelix moet denken – het verstoort de concentratie. Ja, deze beminnelijke zwartrok is beslist obliskvormig. Zoals gebruikelijk stonden we na afloop in een kring te kletsen; en plotseling voegde een jonge blozende vrouw zich bij ons, een onbekende, die mij van de conversatie afleidde. Wie was dat? Ik dacht: waarschijnlijk…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Zondag 17 oktober

De brave Owen spreekt ons bezwerend toe vanaf de kansel: zijn preken zijn heel behoorlijk, maar de houten broek accentueert zijn buikvet en maakt dat ik aan Obelix moet denken – het verstoort de concentratie. Ja, deze beminnelijke zwartrok is beslist obliskvormig.
Zoals gebruikelijk stonden we na afloop in een kring te kletsen; en plotseling voegde een jonge blozende vrouw zich bij ons, een onbekende, die mij van de conversatie afleidde. Wie was dat? Ik dacht: waarschijnlijk een verloofde, de pop van een bruid, die minstens drie missen moet bijwonen… maar toen stelde iemand zich voor en keerde iedereen zich in haar richting, er ontstond een soort ellips om haar heen; ze begon stotterend te spreken en vertelde dat ze bij haar moeder op bezoek was, dat ze in Bognor Regis, waar ze woonde, naar de baptisten ging en dat dit zo anders was… Meer mensen noemden hun naam; Joy nodigde haar uit voor de koffie. We verlieten de kerk als een kromme, over het duizend jaar oude voetpad naar de Village Green en zo naar ons huis.
Nu drinken we met John, Gary, Duncan, Darryl – een extramurale anglicaan: nooit in de kerk, altijd bij de koffie – en de baptiste, die Amy heet, koffie bij ons haardvuur en ontleden de preek, maar nog steeds word ik afgeleid, want aan de communie heb ik tussen mijn tanden een stukje Jezus overgehouden. Amy zegt: ‘Zulke gesprekken voeren wij nooit.’
Ik glimlach naar haar schoonheid – die van een ingénue – en vraag me af of het beter was als ik inderdaad mijn oog uitrukte.


Maandag

Peter schrijft me dat hij een paar verwijzingen naar een Aleksandar Beiderman heeft gevonden. Odessa, 1949 – dat moet mijn vriend van die ene ontmoeting zijn, de collega die het ellendige lot onderging de laatste schrijver te zijn die zich in Odessa, misschien wel in heel Oekraïne, van het Jiddisch bediende. Hoe zou dat voelen, in je eentje de literaire wereld te zijn? Mijn gedachten verplaatsen zich naar een dystopisch Antwerpen, waar een ontredderde schim van mijzelf een dagboek in het Nederlands bijhoudt, terwijl de anderen in hun apocalyptische Engels… Schreeuwend ontwaak ik uit Peters mail.
Over twee weken trekken we samen de bergen boven Lausanne in, waar een vriendin ons haar châlet ter beschikking heeft gesteld. Tot wijsgerigheid dwingende kou wacht ons, want de Alpen strooien nog kwistig met sneeuw. Sneeuw, die metafoor van het ongerepte denken, het gedisciplineerde gesprek! Nog een paar jaar en sneeuw is zo zeldzaam als goud, zo irreëel als ectoplasma…

Dinsdag

We komen een jogger tegen: Sammie blaft, danst om hem heen, hapt zoals altijd in de lucht. Ditmaal verdikt de lucht zich tot een wit dijbeen, waaruit rode pareltjes opwellen. Tumult. Ik scheld op mijn stomme teef, geef haar een klap en lijn haar aan: ze gaat een beetje onthutst naast Roffel zitten, die de menselijke komedie negeert, kauwend op een stok – intussen put ik me tegenover de jogger in verontschuldigingen uit: ‘Als u met me meewandelt kan ik de wond bij mij thuis desinfecteren…’ Om een of andere redenen klinkt het vaag pervers.
Een glimlach perst zich door zijn grimas. ‘Het is niet erg,’ zegt hij. ‘Ik heet trouwens Adrian. Ik ben de nieuwe buurman van Darryl.’
Ook ik stel me voor. Ach, hoeveel geciviliseerder is dit niet dan een mes in iemands hartstreek te ploffen!
‘Aangename kennismaking,’ zegt Adrian, vijftig, glimlach, rossig, stoïcijns, Engels.
De bedoeling van de Engelse bovenlip is dat die het omgekeerde fundament van de onderlip vormt.

Donderdag

Op mijn keukentafel leunt de vicomte de Chateaubriand, in de gedaante van zijn Mémoires d’outre-tombe, achterover op een met rood fluweel bekleed kussen, dat nog de eer heeft genoten mijn moeders rug te ondersteunen in haar favoriete leunstoel; ze las na het avondeten altijd eerst een voornaam liberaal dagblad, waarin mijn vader voor het eten hele pagina’s luidruchtig bladerend oversloeg om zo snel mogelijk de avonturen van Heer Bommel te bereiken; vervolgens zakte ze met een behaaglijke zucht weg in de roman die op dat moment haar gunst genoot (meestal geen contemporaine).
Dit alles is voor u lang geleden, voor mij niet. Op een van die avonden – die zich uitstrekken van de nadagen van het Britse Rijk tot een heden waarover de gloed van olielampen valt – schonk mijn vader zich bij het verteren van zijn voedsel een glas cognac in (mijn moeder dronk zelden), stak een eersteklassigaar op en verdiepte zich in Two Gold Dolphins, een kinderboek van Elisabeth Beresford, dat hij een paar weken eerder uit Londen had meegebracht. Ik troonde in de brede vensterbank, koning van een eilandenrijk van kussens, waarboven een hoog schuifraam de gulden snede demonstreerde; de soms sputterende, dan weer gelijkmatig brandende olielampen verguldden de woonkamer. Ik was verdiept in Tonke Dragt, mijn lectuur werd geritmeerd door de pufgeluiden van de sigaar die uit mijn vader opstegen.
‘O,’ zei hij opeens, ‘moet je horen, dit is prachtig! Ze vinden een stukje mozaïek van een Romeinse villa ergens in Somerset, en dan ontmoeten ze de Romein die daar woont en hun beschermheer is, maar hij wordt teruggeroepen naar Rome. Dit moet je lezen…’ (Ik herinner me zijn uitroep nog zo goed omdat ik niet wist wat moze-iek betekende.)
Een paar dagen later was het mijn beurt om dat onvergetelijke boek te lezen, met een Nederlandse vertaling ernaast, Twee gouden dolfijnen, een lelijk uitgevoerde pocket, in tegenstelling tot het liefdevol ingenaaide Engelse origineel met de harde kaft.

Na het eten, bij het schijnsel van de lamp boven de keukentafel

Een kleine zestig jaar later heeft de van mijn vader geërfde eerste druk van Two Gold Dolphins – ‘Londen, augustus 1964’ – Chateaubriand verdrongen en rust op het rode fluwelen kussen als een kroonjuweel van het huis Barnardshire.
Ik ben het inderdaad nooit vergeten. Van het boek en zijn historische omgeving heeft mijn episodische geheugen talloze beelden bewaard: mijn vader (een jongen met een sigaar), het omslag, de pentekeningen, het verhaal…
Het dateert van 1961, maar ademt nog helemaal jaren vijftig. Mensen van mijn leeftijd brengen dat decennium hier in Sussex in verband met gerantsoeneerde levensmiddelen, maar ik zie stoom uit een locomotief naar de overkapping van een Engels treinstation opstijgen, mijn oudste herinnering, die een wonderlijk rijm vormt met mijn rookwolkjes uitstotende vader; ik zie de omslagtekening van Cocky and the Missing Castle, een ander boek van Beresford, uit 1959, ook afkomstig uit de Erfelijke Bibliotheek, die mij langs vestimentaire weg doorschakelt naar mijn vroegere zelf: Cocky speelt op straat met zijn vriendinnetje (er is altijd sprake van een mooi genderevenwicht in mijn geliefde kinderboeken); hij draagt een korte bruine broek, een hemd en een mouwloze zomertrui van de uitgestorven soort. Diezelfde kleren droeg ik.
Opnieuw reizen kinderen door de geschiedenis: hun medium is een gouden dolfijn op een gouden klok, die hen uiteindelijk naar een Grote Gouden Dolfijn brengt. Een dertiende uur speelt een rol (net als in Tom’s Midnight Garden), verbonden met een dimensie waarin alle personages uit alle tijdvakken ongescheiden van elkaar voortleven. Wat moeten toekomstige generaties toch zonder een dergelijke fantastische voorstelling van zaken?
In zijn laatste levensjaar herlas mijn vader alleen nog maar. Two Gold Dolphins was het allerlaatste boek in dat uit boeken opgebouwde leven. Nog altijd ontroerde het hoofdstuk over de Romeinse edelman hem. Hij had het verhaal vele malen gelezen en die scène greep hem altijd weer aan – zijn ogen glansden toen hij dat vanuit zijn rolstoel tegen me zei. Ik knikte. Ik veegde langs mijn neus. Een olielamp viel om en de dag was een lichterlaaie van goud.
Tijdreizen: ik doe het elke dag. Ik hoor het geritsel wanneer mijn moeder een bladzij in haar Couperus omslaat: haar 1964 heet ‘voor de oorlog’ – deze suggestie van een nog niet vergruizelde wereld ligt haar in de mond bestorven en versmelt tot een nieuw bijwoord van tijd, voordeoorlog.

Vrijdag

Veel vrienden, gekluisterd aan de Europese landmassa, geloven dat wij hier bezig zijn in de Noordzee weg te zinken. We vinden geen druppel benzine meer en lege supermarkten veroordelen ons tot het bestaansminimum.
Ik kan niet ontkennen dat er problemen zijn in de transportsector, met verplegend personeel en in enkele andere sectoren. Ongetwijfeld zullen die worden opgelost; ongetwijfeld zullen er weer andere, economische voordelen blijken te zijn verbonden met de uittreding, dankzij nauwere samenwerking met het Gemenebest bijvoorbeeld. Of niet, beste bovenlip.
Wat reizen betreft is de situatie van mijn kindertijd hersteld. U en ik hebben een paspoort nodig om elkaar te bezoeken. Ikzelf bezit al een paspoort sinds onze vroegste reizen naar Engeland. Ik vond het als kind een privilege in Harwich – na een lange reis met een taxi, een trein, een nachtboot – een stempel in mijn paspoort te krijgen: het was de ridderslag van de reiziger; daarop volgde het schokken en ratelen naar Liverpool Street Station, volbracht aan boord van een trein met trijpen banken en een ontbijt geserveerd door een als heer opgetuigde Engelse arbeider, die het menu voor de Hollandse gasten in onsterfelijk Hollands proza opdiende, met ‘oeworstjes’ als de meest exquise lekkernij.

Zondagmorgen

Luister, Owen, jongen, God, hè, dat is een vis met longen. Zie verder bij ichthyologie.

Maandag 25

Of ik voor de Grote Poëzieprijs mijn bundel Buiten zinnen wil insturen. Nee, dat wil ik geenszins, nu niet en in de toekomst ook niet! De reden van mijn donderende nee kent zoveel vertakkingen als een boom; de voornaamste zijn deze.
Primo: ik beschouw het systeem van prijzen met nominaties als psychologisch abject.
Secundo: volgens Poëziekrant hoeft de maker van ‘gedichten waarin een man een vrouw toezingt die niets terugzegt’ niet langer op een lauwerkrans te hopen. Wat nu? Wat voor een Autorenbeschimpfung is me dat? Welke rondkoppen van Cromwell zouden nog een man bekronen, welke sycofanten van Calvijn… een overrijpe man…
Hoor mij kokhalzen.

Dinsdag

François-René, vicomte de Chateaubriand (1768-1848) schreef zijn Mémoires d’outre-tombe tussen 1810 en 1847; fragmenten werden volgens zijn wens na zijn dood gepubliceerd, het restant van de meer dan tweeduizend pagina’s pas na de Tweede Wereldoorlog. Laat ik eerlijk zijn, ik lees een gedeeltelijke Nederlandse vertaling en raadpleeg soms een pdf (met hyperlinken) van de volledige tekst; anders heb ik het pas na mijn eigen dood uit.
Flaubert prijst de stijl van deze vader van de romantiek. Hij beschrijft iedere uithoek en kanteel van het kasteel waar hij is opgegroeid, alleen roepen die bouwstukken voor mij niet veel kasteel op; maar dan is er opeens een sublieme passage waarin hij vertelt hoe zijn norse vader elke avond na het souper door de eindeloze ridderzaal heen en weer beende, voor een kaarsvlam langs, waarbij hij even zichtbaar werd, alvorens weer in de schaduwen te verdwijnen – tot de klok van het onmogelijke gebouw tien uur sloeg: dezelfde veer richtte de hamer van de klok omhoog en dwong de voetstappen van de vader tot stilstand; daarop hield hij zijn kinderen ‘een schrale, ingevallen wang’ voor en trok zich terug in zijn oostelijke torenkamer (vertrekken werden met behulp van een windrichting aangeduid), tot opluchting van zijn huisgezin.
Ik zit dus capita selecta uit dat enorme werk te lezen, moet veel opzoeken, want soms is het of ik een krant uit 1790 of 1822 op tafel heb uitgespreid, vol namen en gebeurtenissen die onder het onophoudelijk neerdalende stof zijn verdwenen en nu bij mijn opgravingen weer te voorschijn komen. Het zijn de eerste bladzijden over de Franse Revolutie geschreven door een ooggetuige die ik lees. Zijn broer werd geguillotineerd en zijn moeder stierf op een hoop stinkend stro in het cachot; zelf was Chateaubriand vanaf 1793 een balling in Londen.

’s Middags

Hij verwierf allereerst literaire roem met zijn apologie van het christendom, Génie du christianisme, verschenen in 1802, toen de guillotine vermoeid was en Napoleon als eerste consul op de puinhopen van de revolutie de voorafschaduwing van zijn keizerrijk liet verrijzen. Gewapend met een ganzenveer viel de edelman helemaal alleen het wereldbeeld van Voltaire en de Encyclopedisten aan, met een succes dat hemzelf verbaasde. Je zou hem een christelijke antirevolutionair kunnen noemen.
In 1970 bestond er nog een – later door de christendemocraten verzwolgen – Antirevolutionaire Partij, waarvoor Peters vader in de gemeenteraad van Rozendaal zetelde. Toen de verkiezingen naderden, plantte Siebe een paars bord dat de ARP aanprees in de voortuin: daar stond het, paars, gekant tegen de abrupte omwenteling, een gereformeerd vierkant tussen de beuken van de Rosendaalselaan, tot toenemende revolutionaire woede van zijn zoon, die het op een dag uit het gazon rukte en in stukken
sloeg.

Vrijdag

Heb ik u wel eens verteld hoeveel ik naar muziek luister, bij voorkeur naar negentiende-eeuwse kamermuziek? Als melomaan noem ik de negentiende eeuw mijn eeuw. Alleen luister ik te veel. Zo raakt alle kamermuziek in mijn inwendige salon vermengd: ik hoor bijvoorbeeld een arpeggio de trap op en af hollen – dat moet een pianotrio van Césannes Branck zijn…
Maar naar kamermuziek van Wagner luister ik nooit. Niet vanwege de associatie met Hitler, want Wagner was een genie. Maar hij had geen talent; zoiets nietigs als kamermuziek sloeg hij over.

Maandag

Naar Gatwick. Met eindeloos veel moeite een ticket bemachtigd op de website van Easyjet en voor een extra koffer betaald, waarin ik alle teruggevonden brieven van mijn mijn vader naar Lausanne vervoer, waar Peter ze op datum zal sorteren, de honderdduizenden fraaigevormde bogen en schreven uittikken – voordeoorlog bestond er op lagere scholen een mal voor de letters van je toekomstige handschrift, die na de oorlog is weggegooid – en aanduiden wat de moeite waard is voor buitenstaanders. Een monnikenwerk, maar deze voormalige revolutionair is dan ook een monnik; als een anachronistische kopiist tikt hij geregeld hele tekstfragmenten uit zijn bibliotheek voor mij over.
‘Je zou ze ook kunnen scannen,’ zei ik op een keer.
‘Ja, maar dan is het niet meer dezelfde tekst.’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.