fbpx


Cultuur

Het land van Paddington

Dagboekaantekeningen (69)


beer

Zondag 22 mei Het weerzien met Peter gisteravond… laat ik het sentimenteel noemen, de oude heer die zijn bejaarde vriend met enig zacht gekraak in de armen sluit, de voorstanderklier die de hartklep verwelkomt… Hij en ik delen herinneringen aan de Siberische winter van 1963, toen we op school handschoenen moesten dragen om onze vingers, verstijfder dan artritis ze ooit zal krijgen, rond de penhouder te kunnen klemmen en met de kroontjespen als harpoen een miniem wak te slaan in…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Zondag 22 mei

Het weerzien met Peter gisteravond… laat ik het sentimenteel noemen, de oude heer die zijn bejaarde vriend met enig zacht gekraak in de armen sluit, de voorstanderklier die de hartklep verwelkomt…
Hij en ik delen herinneringen aan de Siberische winter van 1963, toen we op school handschoenen moesten dragen om onze vingers, verstijfder dan artritis ze ooit zal krijgen, rond de penhouder te kunnen klemmen en met de kroontjespen als harpoen een miniem wak te slaan in de bevroren inkt, een zwart vijvertje in het inktglas dat verzonken was in de ondraaglijk harde bank. Kleine martelingen behoorden tot een onderwijsmethode die het geheugen honoreerde en hem en mij aan de hand van de vooroorlogse personages Ot en Sien (die klompen droegen) voorbereidde op de studie van alles wat we op de bodem van Europa en die van onze ziel zouden aantreffen. Dit alles werd ons eigen Atlantis – en het was dan ook een omhelzing die een wereld omsloot; maar de morfologie van het gevoel maakte dat het sentiment in een lichte gêne overvloeide, daar in de aankomsthal van de luchthaven, waar een anonieme menigte onze beide heertjes omgaf…

Op het perron (ik had mijn auto bij het station van Hastings geparkeerd) een dikke puber, die zich de voorbije jaren met een mengsel van chips en cola had gevuld en een spelletje op zijn telefoon zat te spelen. ‘Maak eens plaats voor een hartpatiënt, jongeman,’ zei ik tegen hem.
What?’ antwoordde de dikzak lijzig, zonder op te kijken. Het ergerde me al niet weinig dat hij dik, lijzig en onbeschoft was, maar God in de hemel, niets was erger dan zijn uitspraak van dat ene simpele woord! Het kwam als ‘wô’ uit zijn brutale bek, ja, dit kleine varken negeerde de volledige letter t, nagenoeg vier procent van het hele alfabet, uit traagheid, vetzucht, stompzinnigheid!
‘Oi! Get the fuck up or I’ll smash your fucking phone!’ schreeuwde ik vlak bij zijn oor, het oor van een big, dat een veeg verdiende die helaas wettelijk verboden was – het tafereeltje, waarbij ik zo goed mogelijk het accent van de Londense arbeidersklasse nabootste, trok de aandacht van andere reizigers. Nu schoot de obese zak chips overeind, de cola klotste, hij waggelde weg in de richting van de horizon, waar de sporen een asymptotisch karakter aannamen.
Het publiek zweeg op Engelse wijze, maar een oudere heer knikte me waarderend toe. Mijn zachtmoedige vriend, die op de vrijgekomen plaats was gaan zitten, berispte me. ‘Je hebt gelijk,’ zei ik, ‘maar het is de enige taal die zo’n kind begrijpt. Hij moet maar leren dat hij niet het centrum van de wereld is.’
‘Het was nog maar een kind.’
Ambivalentie: de ongemakkelijke gelijktijdigheid van twee waarheden.

Maandag

Toen we gisteravond thuiskwamen, gaf Peter mij een boek en vertelde een anekdote.
Het boek was Een grafmonument voor Boris Davidovitsj van Danilo Kiš, een verzameling verhalen over communistische idealisten van het eerste uur, zei hij, ‘met de revolutie als de zeug die haar worp verslindt’. Ik nam het later mee naar bed.
De anekdote ging over een vriendin van lang geleden, wier stem na veertig jaar opgewekt begon te kwebbelen in zijn telefoon. Ze had zijn nummer van zijn zus gekregen. Ze was toevallig in de stad. Het zou leuk zijn elkaar terug te zien, enzovoorts.
‘Het was vijf uur en ik zat in een bijna verlaten café op die ex van mij te wachten. Een vrouw van mijn leeftijd bestelde een koffie. We keken elkaar heel even glimlachend aan. Ik herinnerde me een mager meisje met groene ogen,  deze vrouw was mollig en had bruine ogen. Een half uur zat ze aan een belendend tafeltje naar buiten te kijken, terwijl ik af en toe opkeek van Kiš. Daarna ging ze weg. Er zal iets tussengekomen zijn, dacht ik. Ik keek op mijn telefoon en vond een berichtje met de boodschap dat ze sinds vijf uur in dat café zat en zich afvroeg waar ik bleef. Dat berichtje had ik haar vanaf mijn tafeltje zien schrijven, dus zonder te beseffen dat zij mijn ex was die naar me schreef. Een half uur hebben we naast elkaar op ons verleden zitten wachten.’
Ik vertel hem dat ik zo soms op Joy zit te wachten, op de droeve dagen dat ik een grote afstand tussen ons ervaar, de grauwe trieste dagen dat ik het meisje van indertijd niet herken. Mij overkomt wat hem overkwam in een café in Lausanne, maar dan terwijl al die jaren die mij van het meisje en mijzelf scheiden als het ware telkens opnieuw voor mijn ogen verstrijken.

Maandagavond (in bed)

Dat dunne boekje van Danilo Kiš: een koortsige samenvatting van alle wreedheid en achterlijkheid van het Sovjetregime, ons voorgeschoteld als een antropologische studie, de Sovjetmens in zijn zwart-witte werkelijkheid van bovenmenselijke moed versus onmenselijke brutaliteit. Uit die botsing is de Sovjetcultuur ontstaan, die de internationale beleed en het tribalisme praktiseerde. Zwijgend hurkte de stam rond zijn totempaal.

Dinsdag

Ik op mijn beurt geef Peter Knapen en moordenaars van Hermann Ungar, even dun, even onthutsend.
Ungar (1893-1929) was een Moravische Jood, een tijdgenoot van Kafka. Vaag glimlachje op de foto; verder een pak, pochet, ronde brillenglazen, weelderige haardos, lange dunne vingers – maar dit alles doet niet ter zake. Dat glimlachje echter! Ook als ik niets van hem afwist, wist ik al voldoende. Dit gezicht heeft plaatsgehad. Het definieert in zijn gelaten voltooidheid de soldaat uit de wereldoorlog die een gedaanteverwisseling heeft ondergaan, namelijk tot ambtenaar van de gloednieuwe republiek Tsjechoslowakije. Het is het gezicht van een man die de hel heeft gezien en nu in zijn kantoor het modernisme moet belichamen. Het kan niet anders, zegt zijn glimlachje; ik moet wel.
Ungar debuteerde met dit boekje in de modernistische wereld die op de ontbinding van het Habsburgse rijk volgde: het was 1920, het geboortejaar van mijn vader. Huub Beurskens (ook zijn vader was van 1920) heeft in zijn vertaling van de twee novellen de grondeloos zwaarmoedige toon nauwkeurig nagebootst: het Nederlands klinkt Duits zonder germanistisch te zijn. Hij schreef ook een verhelderend nawoord.
Brengt Kafka u van streek? Die vrouwenloper moest lachen om zijn eigen verhalen. De geschiedenis heeft zijn werk zo somber gemaakt. Maar Ungar! Vooral die tweede novelle… Ik geloof niet dat ik ooit een vreselijker verhaal heb gelezen. Het onderwerp is een mechanische moord, gepleegd door een mechanisch handelend kind, iemand zonder een duidelijke eigen wil. Maar de hoofdpersoon – dat stuk gereedschap van de duivel – martelt ook katten, en geleid door Ungars pen vond ik dat nog erger dan de moord op een mens… Zo gedetailleerd is de beschrijving dat ik, die katten als fluwelen uitschot beschouw, oprecht walgde van het boek, waaraan Ungar me tegelijkertijd met metafysische draden vastbond. Zie de mens. Zie de kat. In die passages demonstreert Ungar een literaire waarheid die door menige lezende tante wordt genegeerd: alles hangt af van de toon, de stijl, de wijze waarop de schrijver zijn inkt doet vloeien.
Peter begint onder mijn neus in deze vreselijke Ungar te lezen.

Woensdag

Philip belt dagelijks met zijn vrouw in Moskou, die Galina heet, geen woord Engels spreekt en huivert bij de gedachte te moeten verhuizen naar het vaderland van haar echtgenoot. Ze is tegen Poetin gekant, maar lijdt onder de zwaarmoedigheid der Russen: iedereen is tegen ons, ze haten ons…
Meer en meer etnische Russen in Oekraïne schijnen voor het Oekraïens als thuistaal te kiezen, als daad van verzet tegen het Russische regime. Dit vertelt Philip.
Arme taal. Arme Galine, die dit jongste wapenfeit als een bevestiging van haar sombere angsten interpreteert.

Donderdag

Joy ligt in bed met hoofdpijn, maar die hoofdpijn verhult een andere pijn: in het omhulsel van Joy slaapt een andere Joy, gekweld door spoken, het naderende pensioen, de naderende ouderdom, de zorgen van iedereen die een zekere leeftijd bereikt, want we zwemmen allemaal mee met onze school haringen.
Maar ook woelt er een Iocaste in de slapende Joy. Ze ontwaakt uit haar hoofdpijndutje en klaagt dat Christopher in Amerika woont… Ogenblikkelijk zwelt uit de doorlopende chronologie het aneurysme van een tijdslus op: ik hecht mijn blik aan de afdruk die het kussen in haar rechterwang heeft gemaakt, en dan, zonder dat er een reële seconde verstreken is, snauw ik, op de rand van het bed gezeten, in machteloos ongeduld: ‘Gaan we daar weer over beginnen?’

Zaterdag

Peter en ik slenteren door het beeldige Winchelsea, waar rijke mensen wonen en de nodige tuinen zijn opengesteld voor het publiek, dit ten bate van liefdadigheid, zielige poesjes of zielige Oekraïners, dat is ons ontgaan. We dwalen al kletsend over de smetteloze gazons, tussen de buxushagen, langs de borders met de arrogante rozen en het minzaam wuivende vingerhoedskruid, meer op ons gesprek over Ungar en literaire stijl geconcentreerd dan op de plant- en wiedkunst der Engelsen.
In de enige pub drinken we een halve liter bier. Van het bier moet ik pissen. Ik ga naar de WC, was mijn handen, steekt ze onder het handdroogapparaat en nu steekt er een weldadige storm van tropische lucht op, en mijn hoofd vult zich met ideeën, dingen die ik dringend tegen Peter en de wereld moet zeggen… In de diepte wuift het vingerhoedskruid.

Zondagavond

De koningin van dit land – ik durf haar ook mijn koningin te noemen – zit zeventig jaar op de troon: een platina jubileum, vergelijkbaar met de absolute, in Parijs bewaarde meter.
In Hastings wonen we in gezelschap van een lange sliert vrienden een jubileumconcert bij: een derderangsuitvoering van Elgars celloconcert, al valt het eerste adagio haast niet te verprutsen. Na afloop eten we in een Italiaans restaurant nabij de pier, die zich boven het kleurloze water in de richting van Frankrijk uitstrekt. Het eten is lekker, voortreffelijk, matig, ik let niet zozeer op het eten maar des te meer op mijn disgenoten. Philip schertst met Vivien, John praat met Peter (in het Frans) over het alpenlandschap, Duncan analyseert met Joy de muziek van Elgar, Darryl en ik vermaken elkaar met flauwe grappen… o zaligheid van deze vriendengroep!
En er is Jane. Ik heb Peter op Jane attent gemaakt. Donker, charmant, kunstzinnig, spreekt beter Frans dan hij Engels. Jane heeft tien jaar geleden de boerderij van haar ouders geërfd en boert voor de lol. Ze is onlangs gescheiden. Deze cowgirl bezit vijftien stieren, die ze eigenhandig heeft gecastreerd, zo vertelt ze.
‘Hoe castreer je een stier?’ vraagt Vivien. Ook op de rosse Vivien, die zich kleedt als een gesublimeerde hippie, heb ik mijn eenzame vriend gewezen.
‘Er zijn veel methoden. Afbinden is het simpelste.’
‘Ah, net als schapen dus. Ik had vroeger schapen. Ik castreerde ze ook zelf. Met een elastiek om hun ballen.’
Tussen de beide dames ontspint zich een gesprek waarin de woorden ‘ligatuur’ en ‘gonaden’ vallen. Twee stoelen verderop hebben Peter en John het thema van de Zwitserse landschapsschildering aangesneden.

Dinsdagnacht

Peter en ik kijken naar een voetballende Christopher, de livestream van een inhaalwedstrijd in Virginia. De globe vertaalt zeven uur ’s avonds in middernacht: dat ons leven synchroon in een verschillende tijd verstrijkt – geografische willekeur – drukt de onmeetbaar brede kloof tussen twee generaties uit, die door het gelukkige rituele telefoontje na de wedstrijd achteloos wordt overbrugd. En terwijl de ene generatie onder het opgloeiende paarse fluweel van een door lichtmasten bijgestane avondhemel een bal de diepte in stuurt, trakteert de andere vijf tijdszones verderop bij het bleke licht van een computerscherm zijn oude vriend op een geestdriftige uitroep…

Donderdag 2 juni

In St George viert het dorp het jubileum met liederen van Purcell, gevolgd door populaire nummers en besloten door de ironie van ‘Rule Britannia’ en de zoete ernst van ‘Jerusalem’ – waarna het ‘God Save the Queen’ weerklinkt uit de volle borst van tweehonderd mensen. De republikeinen hebben gelijk, maar in een voor het jubileum vervaardigd filmpje nuttigt de beer Paddington op zijn eigen onnavolgbare wijze thee bij de monarch: en zie, de echte Elisabeth II speelt mee en tovert een sandwich met marmelade uit haar mythische handtas te voorschijn… ja, uit die handtas komt het ectopische wonder van tegelijkertijd koningsgezind en democratisch zijn te voorschijn en als zodanig is de handtas van Elisabeth belangrijker dan het atoomkoffertje van Biden – en dus hebben de republikeinen ongelijk.
Patriottische liederen, elders op de wereldbol angstaanjagend, zijn in dit land, waar de soeverein bij haar jubileum de antiheld uit een kinderboek ontvangt, zo onschuldig als een speelgoedbeer. Maar als de feiten dat vereisen, sturen we de Oekraïners echte wapens.

Pinksteren

Viering van de uitstorting van de Heilige Geest. Een moeilijk feest om te ervaren, alleen schrijvers kunnen zich er iets bij voorstellen, misschien, wanneer ze ‘geest’ als inspiratie vertalen. U moet het zich zo voorstellen dat twintig procent van mij Kierkegaards hand grijpt en springt, terwijl de heidense tachtig procent zich laat bedwelmen door het ritueel: die kaarsvlammen zijn de tongen van vuur op ons hoofd, dat donderende orgel is de toren van Babel die instort, ik versta het mompelen in het hoofd van iedereen om mij heen, de geheimtaal van de intimiteit van John, Gary, Duncan, Sue, Owen, Joy, Peter… Taal verwarmt mijn schedeldak.
We wensen onze naasten vrede toe, en de lichte gêne van de oude heer die zijn bejaarde vriend met enig zacht gekraak in de armen sluit, de voorstanderklier die de hartklep vrede wenst, vloeit over in een nobel sentiment: Господи дай нам мир – Gospodi, dai nam mir.

Maandag 6 juni

Peter vertrekt alweer. Een vroege trein (ik heb een doktersafspraak en ga niet mee naar Gatwick). Geeuwend wacht de dag me op.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.