fbpx


Cultuur

Losse ledematen

Dagboekaantekeningen (41)


Nóg lelijker wordt moeilijk

Zaterdag 13 februari In het tegenvallende slothoofdstuk van Speak, Memory woont Vladimir Nabokov met vrouw en zoon in ballingschap in Berlijn (alvorens naar Parijs en Amerika te vluchten). Veel introductie vindt er niet plaats. Opeens is er een ‘jij’, de wederhelft van ‘ik’, en even onverwacht, als door een doos met een veer gebaard, is er vanaf 1934 ‘ons kind’ – maar de verteller onthoudt beiden het doopwater. Ik onthul hier dat zijn vrouw Véra en hun zoon Dmitri heet.…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zaterdag 13 februari

In het tegenvallende slothoofdstuk van Speak, Memory woont Vladimir Nabokov met vrouw en zoon in ballingschap in Berlijn (alvorens naar Parijs en Amerika te vluchten). Veel introductie vindt er niet plaats. Opeens is er een ‘jij’, de wederhelft van ‘ik’, en even onverwacht, als door een doos met een veer gebaard, is er vanaf 1934 ‘ons kind’ – maar de verteller onthoudt beiden het doopwater. Ik onthul hier dat zijn vrouw Véra en hun zoon Dmitri heet.
Had hij als memoireschrijver het geluk van zijn kindertijd nodig? Vladimir, polyglot prerevolutionair aristocraatje, dat Engels en Frans leerde van kindermeisjes en huisleraren, dat de winters in een Petersburgs stadspaleis met een Jugendstilgevel doorbracht en de zomers op het landgoed van de familie even buiten de stad, voor het bezit waarvan hij zich in geen enkele zin verontschuldigt, en waarover hij een proza schrijft dat mij in verrukking brengt, bladzijden als vlindervleugels in ruste tegen een overweldigende, weldra bloedrode hemel, met een volmaakt afgewogen overvloed aan stoffelijke details (het haar van zijn moeder, de koker van een pince-nez, de gebeeldhouwde rug van een sofa), alsof hij voor het retrospectief inventariseren over facettenogen beschikt. Voor dat proza neem ik mijn pet af, welk hoofddeksel Nabokov misschien als het ‘van tweed vervaardigde laissez-passer voor eigendommen van de National Trust’ zou omschrijven. Meester, ik groet u!
Vlapapa is schattig. Maar als schrijver zit hij met een technisch probleem. Hij is namelijk zoals de meeste jonge vaders sentimenteel, maar de bij sentiment behorende woordenschat zou zijn stijl besmeuren. En dus verbergt hij al dat gevoel onder schuim dat hij uit Tijd en Ruimte en Chromosomen klopt, gefilosofeer dat de finesse van de eerdere hoofdstukken ontbeert. De weinige evocaties van zijn omgeving – het is een winderige dag en hij wijst de peuter op een bed viooltjes, die door een gril van de natuur een snorretje hebben en aan een horde deinende Hitlertjes doen denken – flonkeren nabokoviaans, maar voor filosofie heeft het nomen van dat adjectief geen aanleg. Wat had ik graag meer gelezen over het Hitler-Berlijn waar ‘ons kind’ zijn eerste jaren doorbracht, varianten op de minutieuze beschrijvingen van zijn eigen Petersburgs-plattelandse kindertijd, toen de tsaar nog leefde…

‘s Avonds (binnenbrandje van vodka in mijn slokdarm)

In werkelijkheid was Véra, wier naam enkel in de opdracht prijkt, bepaald geen schim: een schim is een weggecijferde die niet genegeerd wil worden, zij was het omgekeerde, de steun en toeverlaat die zich onzichtbaar maakte achter het genie. Ze tikte zijn manuscripten uit en speelde schaak met hem, terwijl auteurs van schaakproblemen gewoonlijk niet geloven in vrouwelijke schakers. Er bestaat een aandoenlijke foto van het echtpaar, op het balkon van hun hotelsuite in Montreux, met het uit vierenzestig velden bestaande landgoed tussen hen in, genomen in tegenlicht, twee zwarte silhouetten, uitgeknipt tegen de eeuwigheid van de Mont Blanc aan de overkant van het onzichtbare meer.
Blijkbaar stelde ze geen prijs op een introductie in de memoires van haar man; de lezer is bijgevolg gedwongen uit externe bronnen te putten om te weten te komen dat haar wortelstok Russisch-Joods was. Ze schreef zelf en kende zijn poëzie uit haar hoofd toen ze hem in de kringen van Russische emigrés in Berlijn ontmoette. Ongemeen intelligent. Om een of andere reden heb ik moeite me haar voor te stellen als moeder van ‘ons kind’, hoewel er ook een snoezige foto is met het jonge ouderpaar achter een kinderwagen.
In de jaren tachtig publiceerde het Nieuw Wereldtijdschrift een tekst van Nabokov, ik ben vergeten wat het precies was, maar ik heb de brief geërfd waarin Véra toestemming geeft: een brief met het briefhoofd van Le Montreux Palace, een behemoth van een gebouw, een Europa met gele markiezen dat zijn tsaren en keizers nooit zou afzetten en ad infinitum thee plukte en diamanten opgroef in zijn koloniën, waar de Nabokovs zeventien jaar (en Véra na Vladimirs dood nog veertien jaar langer) enkele van de 236 kamers bewoonden, bekostigd door het succes van Lolita – een bleek boek in vergelijking met Speak, Memory. (Om er nu in één kamer een nacht te logeren, moet je rond de tweehonderd boeken verkopen.)

Zondag

Ik ken de aanblik van het hotel, waar tegenwoordig Russische oliebaronnen een suite huren, de even banale als kwaadaardige tegenvoeters van de humane, liberale adel waaraan Nabokov ontsproten was. In de lobby brandt een kroonluchter, die met al zijn tentakels naar de uiterste weelde tast. Je kunt de gevel vanaf de kade op je gemak bestuderen, met achter je het zoet klotsende Meer van Genève en daar weer achter de zinloze opeenstapeling van besneeuwd graniet geheten Mont Blanc. Vladimir zit op een bronzen stoel en staart over het water, dat permanente heden, geschapen door tektonische krachten, blikkerend als de stijl die zijn herinneringen aan de eerste decennia van de vorige eeuw actueel maakt – die stijl is het mooiste kind van de moeder aller muzen, het geheugen.
In een dorp even verderop aan het meer is zijn as begraven, onder een steen waarop staat dat hij in een nabijgelegen dimensie ÉCRIVAIN was; ook Jij en Ons Kind liggen daar. Het dorp heet Clarens: daar woonde Peter, recht tegenover de resten van de familie Nabokov, vooraleer zijn scheiding hem naar een appartement in Lausanne verjoeg.

Maandag

Joy en ik hebben gisteravond illegaal gesoupeerd bij Mary. Mary uit Utah trouwde op haar achttiende met de kapitein van het schip waarop ze met haar ouders een wereldreis maakte (later zou hij voor de Britse koopvaardij gaan werken). Om haar mooie zilveren verweduwde hoofd warrelen herinneringen aan de naoorlogse restauratie, toen mijn moeder een bontjasje en handschoenen droeg naar de opera: tot duizeligwordens toe geslepen glazen die het scheepsbal weerkaatsten, elegant gesneden witte uniformen, gevuld met de maritieme vorm van wellevendheid, de foxtrot, de verleiding als een schaakspel van vlees en bloed, met een koning die twee tegenspartelende ouders mat zette – ‘Ik was nog een kuiken,’ zei Mary, ‘maar ik wist heel goed wat ik wou, en dat was Clive.’
Zo belandde Mary in 1962 op het Engelse platteland, in haar kinderboekenhuis aan het eind van Stubb Lane, waar ze nog altijd woont, en van waaruit Joy en ik de vallei van de Brede zagen, onder een heldere ronde maan, die een paar late wolken polijstte bij zijn tocht naar de hemel, terwijl onder hem een stereoscopisch droomlandschap zich uitstrekt: daar, aan het eind van ons gezichtsveld, schiep het clair-obscur de poort naar de rode woestijn van Utah, waar Mary zestig jaar geleden uit te voorschijn kwam…
Omdat 1962 nog niet ‘de jaren zestig’ was, eet je niet zomaar bij Mary. Ze dient de door haar bereide gerechten op in schalen gemaakt van een paar handenvol China en we souperen van borden die zo doorzichtig zijn als de maan; en in dit huis is de Amerikaanse term voor bestek – silverware – letterlijk op te vatten. De kaarsen branden; ze huiveren even bij haar uitspraak van plat principal, maar het parelhoen is niet vergeefs gesneuveld. Dit alles heeft, anders dan u mogelijk denkt, niets met snobisme te maken: het is een ouder soort Amerika, aan haar nagelaten door ouders die zelf in het Diepe Zuiden waren opgevoed en eendrachtig door Mary en Clive naar Engeland verscheept. ‘Nu roept het Zuiden per definitie argwaan op,’ zegt ze. ‘Een vriend van mijn zoon kon zich mijn ouders uitsluitend als racisten voorstellen. Terwijl die mensen zich inzetten voor de burgerrechtenbeweging.’
Haar dochter Sarah was elf toen ze op de weg naar Rye werd doodgereden. Sarah ligt dicht bij Anna begraven en volgens mij moedert Anna een beetje over haar, iets waar ze ook in het ondermaanse erg goed in was. We praten over onze dochters: het verdriet van Mary is vijfendertig jaar oud, het onze nog een peuter. Sinds onze kennnismaking vorige zomer communiceren haar en ons verdriet stilzwijgend met elkaar, terwijl wijzelf over van alles en nog wat kletsen. Zij is atheïste, Joy en ik zijn dat niet, maar alle drie behoren wij tot een en dezelfde denominatie met ontelbare leden.
Sarah was bevriend met een jongen van haar leeftijd: ze stak op haar fiets de weg over naar zijn huis, hij stond buiten op haar te wachten. ‘Ik ben nog altijd bevriend met zijn moeder. Mike heeft pas onlangs een vriendin gevonden, toen hij de veertig al voorbij was. Het klinkt misschien onvoorstelbaar, maar hij heeft al die tijd getreurd om Sarah.’
Joy veegt haar ogen af met het linnen servet. Mary’s stem, pianissimo nu: ‘Wil je me zien huilen, dan moet je Jerusalem spelen. Waarom weet ik ook niet. Iets met England’s green and pleasant land. Terwijl ik nu in februari de warmte van Utah zo mis.’
‘And did those feet,’ zing ik, sentiment smorend in mijn servet. ‘Het begint al bij die anderhalve tel van feet

Aswoensdag

Een lange wandeling met John. Onze honden dartelen door de laatste woorden van het gedicht van Blake. We kletsen diepzinnig, een peripatetische oefening van drie uur.
‘Voor de vastentijd geef ik het onnodig hard dichtslaan van een irritant boek op,’ zegt John. ‘Ik heb wijn overwogen, maar je moet niet hollen op de weg naar heiligheid.’

Vrijdag

Krantje: ‘In de aanloop naar de wereldbeker wordt het succesverhaal van Mbappé gezien als een gom voor het enorme stigma dat over de banlieues gedrapeerd ligt.’
Ziet u de onzin in de zin? Hij bevat stricto sensu geen taalfouten, maar je moet hem uit liefde voor je moeder vernietigen. De onderdelen kloppen, ze zijn zelfs volgens de regels van de spraakkunst aan elkaar geplakt; samen vormen ze een wangedrocht.
Ik zal u vertellen wat hier staat, vertaald in synoniemen: ‘De geslaagde vertelling van Mbappé wordt gezien als een stukje rubber om de reusachtige wond van Christus, die in plooien sierlijk over de voorsteden gespreid ligt, uit te vlakken.’
De taal is niet de dienstmaagd van ons denken.

Maandag

Als kind maakte ik een fase door waarin ik maar moeilijk afscheid kon nemen van mijn afgeknipte nagels, die ik, zeven of acht jaar oud, zodra mijn moeder het angstaanjagend happende, kromgebekte zilverkleurige schaartje na een laatste knip-knip op de glazen plaat boven de wastafel had teruggelegd (‘Ik kom je zo instoppen!’ zong haar zich snel verwijderende mezzosopraan op de gang), uit de pedaalemmer opviste en in de kom van mijn hand van de badkamer naar mijn slaapkamer op zolder verhuisde, waar ik ze in een sigarenkistje stopte (gelukkig rookte mijn vader). Mijn motivatie was animistisch: ik vond het een vreselijke gedachte dat mijn nagels, eenmaal gescheiden van mijn lichaam, gedoemd waren tot een leven in de emigratie van de vuilnisbelt. Hetzelfde gold voor speeksel: ik probeerde zo weinig mogelijk te spugen, want het voelde als het verstoten van mijn lichaamsvocht aan (hetzelfde gold voor mijn prestaties op de WC, maar hier dwong het praktische verstand mijn obsessie tot inschikkelijkheid). De kapper kwam bij ons aan huis, creëerde rond het magere knaapje van mijn schouders de ijsberg uit het gedicht van Nijhoff en alras dwarrelden mijn tragische zwarte lokken naar de grond, waar mijn moeder zorgzaam kranten had uitgespreid – stiekem nam ik een handvol mee naar boven en legde dit pars pro toto bij mijn nagels. Zou Horatius als kind aan dezelfde tic hebben geleden en daaraan met een glimlach hebben teruggedacht toen hij zijn membra disiecta poetae verzon?
Ik kan me niet herinneren dat deze milde afwijking van normaal kindergedrag lang duurde; er kwamen andere eigenaardigheden voor in de plaats, neurotische dwanghandelingen als het vermijden van de richels tussen de tegels in de gang van de Torckschool (des te ingewikkelder omdat ze maar iets langer waren dan mijn voeten); het diende allemaal om de toverformules van mijn paleolithisch voorgeslacht te vervangen.

Woensdag 24 februari

Mijn categorie – van behoorlijk middelbaar tot eerstegraads beschimmeld – is aan de beurt en voor mijn vaccinatie tegen covid reed ik naar de victoriaanse Village Hall van Ticehurst, twaalf mijl verderop. Behaagziek staken de eerste teunisbloemen hun eigen zonnetje naar de grote hemelse zuster, die hun gele hartje deed glanzen; mijn gemoed  glom dienovereenkomstig; de naald wenkte… ‘Mr Barnard?’
Ik ben dol op de rol van Mr Barnard, die zo bekakt mogelijk Engels spreekt. Hij wordt afgevinkt en mag plaatsnemen op het soort kunststoffen stoelen met een te ver doorbuigende rugleuning waarvan dorpshuizen en kerken ooit hele bataljons hebben aangeschaft. Na een minuut mag ik al naar binnen. Daar wacht Christine, wier glimlach haar mondkapje in een membraan verandert, wier stem mij uitnodigt te badineren… ‘It’s the Oxford jab, Mr Barnard,’ zegt Christine, met moeite een jubeltoon bedwingend.
‘Ah, the patriotic vaccine,’ zegt Mr Barnard.
‘U kunt de komende vierentwintig uur hoofdpijn krijgen, lichte duizeligheid, het staat allemaal in de brochure…’ Haar naald danst als een verliefd mugje ter hoogte van mijn linkerbovenarm.
‘Ik ben blij te mogen lijden voor het vaderland,’ zeg ik zo Brits als ik er maar in slaag mij aan te stellen. ‘Goddank is het niet die moffentroep van Pfizer!’
Christine kirt. Het mugje kust mijn arm. Zij en ik beginnen een nieuw leven in haar van speculaas vervaardigde cottage en slapen onder lakens van bloemetjesstof.

Donderdag

Hoofdpijn. Lichte duizeligheid. Leest u verder de brochure maar.

Zatermiddag 4 uur

Thee bij Judy en Steve. Op het terras, met uitzicht op de samenvatting van Engeland die hun ommuurde tuin is – het grasveld dat voor croquet dient, de border die ‘s zomers impressionisme in je oogkassen plant, de half ingestorte serre waar Judy haar zoete tomaten kweekt, de bosjes waar moeder hert ‘s avonds wat bast afscheurt en ‘Now eat your tea, Bambi!’ zegt – heeft Steve een doorzichtige plastic tent gebouwd, met banken en een terrasverwarmer, door iedereen ‘de tabernakel’ genoemd.
Ian is er ook, een jonge dokter die de kleine cottage naast het hoofdhuis huurt. Thee dus. Geen prettiger gezelschap denkbaar om veilig de wet te overtreden, want iedereen laat zijn boodschappen aan huis bezorgen en onze gastheer en gastvrouw en de jonge dokter (die diabetes heeft) zijn al weken geleden gevaccineerd. Het gesprek zwenkt, draait, keert in een onnavolgbare wiskundige spiraal: ieder nieuw onderwerp bevat materiaal voor een nieuwe grap, we take the piss uit alles en iedereen, elkaar en onszelf, verslaafd aan de genitale zone zoals alleen wij puriteinen dat zijn.
‘Ik las dat de Zuid-Afrikaanse minister van cultuur de naam van Port Elizabeth veranderd heeft in iets dat niemand uit kan spreken,’ zeg ik.
‘Het is Xhosa,’ zegt Steve. ‘Gubuhguh of zoiets.’
‘Kuhbercha,’ zegt Ian met een tongklik. ‘Je spelt het G-q-e-b-e-r-h-a. Xhosa was de moedertaal van Mandela. Die tongklik diende oorspronkelijk om de naam te camoufleren van iemand over wie je roddelde.’
Op de tuin daalt de avond van Zuid-Afrika. We wisten wel dat Ian in Zuid-Afrika bij de Xhosa had gewerkt, maar waren het even vergeten. Ergens tjirpt een krekel van het genus Gêne.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.