fbpx


Cultuur, Literatuur

Met een krop in mijn achterwerk

Dagboekaantekeningen (31)


Brody vlag en wapen

Dinsdag 29 september Er is nog een reis waarvan ik u nooit verslag heb uitgebracht. Brody wil ik u niet onthouden. In de Donaumonarchie, in een verre uithoek die Galicië heet, op de Oostenrijks-Russische grens, lag het oude Brody, een provinciale mengeling van Polen, Roethenen en Joden, maar dan een ongemengelde mengeling, want iedereen leefde binnen zijn eigen culturele schutskring; en zoals in het hele rijk vielen de Joden ook nog eens uiteen in een welvarende, burgerlijke, seculiere groep en…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Dinsdag 29 september

Er is nog een reis waarvan ik u nooit verslag heb uitgebracht. Brody wil ik u niet onthouden.

In de Donaumonarchie, in een verre uithoek die Galicië heet, op de Oostenrijks-Russische grens, lag het oude Brody, een provinciale mengeling van Polen, Roethenen en Joden, maar dan een ongemengelde mengeling, want iedereen leefde binnen zijn eigen culturele schutskring; en zoals in het hele rijk vielen de Joden ook nog eens uiteen in een welvarende, burgerlijke, seculiere groep en de zogenaamde ‘kaftanjoden’ of Ostjuden (in die zin was Brody ook een sjtetl). Even buiten de stad scheidde een slagboom, bewaakt door soldaten die een helm met vederbos droegen, het keizerlijke Oostenrijk van het tsaristische Rusland.

Dat bezocht ik allemaal, terwijl het er niet meer was. Isaac Babel beschrijft de bloederige veldslagen tussen Russen en Polen in 1920: veel Brody werd verwoest. Op de voormalige grens staat nu een smerig Oekraïens benzinestation.

Wat zag ik in Brody? Ik die vreesde in het onbegrijpelijke Azië te belanden, trof brokstukken en manifestaties van de Duitse geest aan, te midden van historisch-materialistisch beton en portieken die als recipiënt van urine dienstdeden: zuilen, bordessen en krullen, burgerlijke negentiende-eeuwse huizen in de Ulica zlota, de Goldgasse; tafellinnen in een restaurant waar de karper postuum met mij in debat ging, een ober die met het hoofd neeg, een hotel dat Zum goldenen Bär had kunnen heten… en de geest van Joseph Roth, die hier in 1894 bij het station geboren was, in een huis dat niemand kon aanwijzen.

Het Museum voor Geschiedenis en Etnografie was een ondoordringbare schemering, een gedenkteken voor mijn spijt dat ik in de Slavische talen nooit verder ben doorgedrongen dan het cyrillische alfabet. Een hulpeloze eentalige beheerster glimlachte nerveus bij ‘Franz Joseph’ en ‘Joseph Roth’ – had die Amerikaan het over de zoons van een familie Joseph? – en fladderde toen naar een archiefkast met prentbriefkaarten van het oude Brody; na enig veinzen vroeg ik verder, ze produceerde een lichtblauw uniformjasje met goudgalons en een officierssabel in zijn schede, eeuwig imperiaal priapisme.

Maar het stedelijk gymnasium! Enorm, neoclassicistisch, keizerlijk, en toen Roth er de lessen bijwoonde okerkleurig, zoals alle overheidsgebouwen in het rijk van dat overspannen tweekoppig stuk pluimvee. Op de gevel hing een plaquette die meldde dat Joseph Roth hier zijn Matura had gedaan, in het Duits welteverstaan. Ik kreeg een rondleiding van de lerares Engels, die niet veel verder was geraakt dan het Latijnse alfabet, maar stralend bevestigde dat Duits uit de mode was, evenals knevels, vioolspel, met de hand schrijven en de heilige communie (gelukkig was er nog alcoholisme en de smartphone). In een speciale vitrine lagen een paar boeken, een diploma en nog wat parafernalia… ik stak er niets op en toch begreep ik iets nieuws, namelijk de ondemocratische zegen: voor het perifere Galicië was de Oostenrijkse bezetting honderdvijftig jaar lang een weldadige ontkenning van het volkerenrecht geweest, alles wat volgde bewoog zich op de schaal van historische verschrikkingen tussen terreur en banaliteit.

Later bezocht ik ook nog de hoofdstad van de oblast, het oude Lemberg, nu Lviv geheten. Bent u daar ooit geweest? Verbazingwekkende stad. Je verwacht een soort Rusland en krijgt klein Wenen. Er zijn helaas geen Joden maar gelukkig geen toeristen.

Woensdag

Een documentaire op het geschiedeniskanaal spijkert mij vast tegenover het televisietoestel. Het leven van Heinrich Himmler. Dat leven was mij in grote trekken en de nodige details bekend: uiterlijk een personage van Hergé, een kolonel Sponsz; voor de rest immoreel vlees rond een cyanide-capsule, glimlachend toen hij Auschwitz bezocht.

Maar het was iets anders nu ik binnen een uur al zijn opvattingen kreeg voorgeschoteld: zijn haat tegen een kapitalistische economie, zijn geloof in de homeopathie, zijn ontmaskering van de kerk als een instituut dat de natuurlijke mens knecht, zijn verwerping van de traditionele seksuele moraal en het christelijke huwelijk, zijn heidendom, natuurverheerlijking, zonnewendecultus en naamgevingsceremonie, zijn liefde voor een vegetarische brahmanenkeuken… Dat alles voedde zijn rassenhaat.

Ja, we moeten vanzelfsprekend beducht zijn voor het gevaar van de neonazi’s, alleen is dat zootje opzichtig en daardoor eenvoudig te bestrijden. Maar de gewone burgerlijke kranten zijn verspreiders van geloofsartikelen uit de catechismus van Himmler, ze inspireerden hem mede tot zijn rassenleer – ze zijn brandend actueel, als geflambeerd door het heden!

‘Het virus is de wraak van de natuur’…

Donderdag 1 oktober

Wee werkster, die voorovergebogen, met je reet in de positie waarin een vrouwtjesaap zich aanbiedt, het vloerkleed staat te stofzuigen!

Nu heb ik al twee dagen achter elkaar een uitroepteken gebruikt, ik moet beslist beter opletten. Maar de opwinding maakt dat ik slordig met mijn interpunctie omspring. Ik heb me namelijk gerealiseerd dat altijd erotische gevoelens voor onze werksters heb gehad, kuisvrouwen is nog een beter woord in dit verband, vrouwen in een dubbelzinnige positie van macht en onderworpenheid tegelijk.

Ik moet u – nee, allereerst mezelf – bekennen dat het zo is. Het was op een bepaalde manier de schuld van de eerste werkster, de blonde, uit Moermansk afkomstige Masja, met haar doorzichtige huid. Er was een zekere Russische stoerheid met haar gemoeid, een fragiel meisje maar gekweekt uit de verdedigingsmechanismen van generaties Russinnen, die dagelijks een halflege fles moesten afweren voor hun staalarbeider op zijn vijftigste bezweek.

Schoonmaken kon ze niet, maar kent u dat verschijnsel van iemands stem – het kan de stem van een fysiek mismaakte zijn – die je gijzelt met zwakstroom? Wanneer Masja tegen me sprak – ‘Vous voulez que je fasse votre chambre?’ – tintelde mijn huid elektrisch, en de subjonctif maakte het nog beter, ze nagelde me met de Franse grammatica aan de grond… Voorts gebeurde er niks.

De mollige roodharige Olga kwam uit Tsjernivtsi, ooit Czernowitz geheten, de stad van Paul Celan, Aharon Appelfeld en vele andere Joodse schrijvers – een zestalig Salzburg in dat verre Galicië van het interbellum, toen de Oostenrijkers er niet meer de baas waren. Ze had op het politiebureau gewerkt, waar ze slecht betaald werd, had een zoon die rechten studeerde en was getrouwd met een humeurige bouwvakker, over wie ze in buitengemeen slecht Frans haar beklag deed. Ze was minder mooi dan Masja, de molligheid zwierf vooral in de contreien van haar buik rond, maar iets aan haar trage manier van bewegen, of anders haar schijnbare onderworpenheid, wond me op.

Na een zomers bezoek aan haar familie bracht ze uit Tsjernivtsi een fles zwavelzuur mee, door de fabrikant ten onrechte als vodka op de markt gebracht; ik kuste haar op de wangen en spoelde wekelijks het equivalent van een borrel door de gootsteen weg.

Op een zonnige herfstdag, vol flitsende insecten – de gordijnen van de woonkamer waren half gesloten – zei ze: ‘Nu even op bed gaan liggen…’ Zei ze dat? Ik bedwong me. Ik sloot de hormonen in hun kooi op. Schaam je! Joy is niet preuts, maar ze zou je uitlachen en daarna verwensen (in naam van het christelijke huwelijk).

En nu, in Brede, bukt Sandra zich om het stof de baas te worden. Blond, vijftig, sentimenteel – ze zegt komische dingen als: ‘Jij snapt niets van vrouwen, jij denkt dat ik de werkster ben!’ en kijkt me dan aan met een blik waarin ondeugd en lust verstoppertje spelen. Verbeeld ik me dat? Geilheid is verbeelding.

De confrontatie tussen het hogere en het lagere, de bibliotheek in zoveel talen en de flat met het krijsende behang, de bril en de stofzuiger, de blonde vormen en het lichaam dat de aanvulling behoeft van een das, een scheermes, toiletartikelen en geld.

Zaterdag

Bij het fonteintje in het toilet beneden vind ik een lange poot zonder de rest van de mug: een prefix, een haakje, een runeteken, zoals het daar ligt te wijzen naar iets. Maar als ik mijn handen heb gewassen, tolt er opeens een langpootmug in een hoek van een spinnenweb boven mijn schrijftafel, alsof ze zich vastschroeft in de lucht, haar element. Ted Hughes omschrijft haar nauwkeurig in ‘A Cranefly in September’:

She is struggling through grass-mesh – not flying,
Her wide-winged, stiff, weightless basket-work of limbs…

Maar Sandra heeft geen tijd voor wijsbegeerte, entomologie, gedichten, ze richt de slang van de stofzuiger als een wapen op de langpootmug, op moeder spin, de resten van haar vorige maaltijden, het huis dat tevens haar bord is…

Zondag

Na de kerkdienst gaat er een lichte rilling door het mystieke lichaam van Christus, dat onhandig door het hoge gras van de dagen waggelt – enige commotie, want in de Mariakapel heeft iemand een drol aangetroffen. De drol is cylindervormig gedraaid en onloochenbaar uit een menselijke aars afkomstig – onze honden kakken anders. Het is eerder gebeurd, zegt iemand. Ja, maar toen was het in een emmer bij de wasbak onder het doksaal. Dat was waarschijnlijk een zwerver. Maar dit is demonisch, zegt Julian de tuinman, die in letterlijkheid verward is geraakt en Openbaringen aanhaalt.

‘Demonisch?’
‘De vent van de pub. Dat is geen christen.’
‘Atheïsten schijten op de kerk,’ zegt John Crook, ‘niet erin.’
‘Het is een Satansaanbidder,’ zegt Julian somber.

Die brave jongen zou onder normale omstandigheden in de hof van Eden werken.
We gaan naar buiten. Mat oktoberzonlicht glinstert nog een seconde op het gaas van onze vleugels. Het lichaam valt uit elkaar in losse ledematen.

Maandag

Joy en ik sjokken een uurtje achter de honden aan. Pats velden zijn heuvelachtig, groen, staan in de zomer vol bloemen, zijn afgezoomd met haagbeuken en eiken, de onderverdeling in percelen dateert nog uit de middeleeuwen; maar nog interessanter is Pat zelf. Die werkte in de jaren zestig op de Britse ambassade in Moskou en rakelt bij een soupertje met welbehagen de Koude Oorlog op, zoals een ander het haardvuur. Hoe ze in de metro gevolgd werd en een briefje in de hand kreeg gedrukt – op de ambassade werd het Russisch ontcijferd, het bericht bevatte de lanceercode van de atoomraketten die in de DDR stonden opgesteld. Met dat geheim konden de Britten niets beginnen: je kon de computerprogramma’s van de vijand toen nog niet met virussen besmetten.

‘Was je leven nooit in gevaar?’
‘Natuurlijk niet. Hun mensen waren nooit veilig, maar wij liepen enkel het risico dat we onwetend staatsgeheimen zouden prijsgeven.’

Onwetend? Bij de tandarts bijvoorbeeld. Als Pat kiespijn had, werd ze naar Helsinki gevlogen, want de Moskouse tandarts werkte misschien voor de KGB en zou haar met behulp van de juiste verdoving informatie kunnen ontfutselen.

Met 007 heeft ze nog de sponde gedeeld.

Woensdag

Tussen Berlin Alexanderplatz van de Duitse Jood Döblin en Goodbye to Berlin van de Engelse homoseksueel Isherwood door lees ik… maar ik schaam me dat op te biechten. Onward and upward! Harry Potter. Die lees ik ook. The Philosopher’s Stone, het eerste deel van het veelluik. Maar vanwaar mijn biecht?

Uit verbazing. Rowling: het conflict tussen verbeelding en stijl. Die weelderige fantasie, uitgedrukt in pover, armzalig, houterig schoolmeisjesproza. Hoe bestaat het. Alsof een alchemist goud in lood verandert. Hoe bestaat het dat ik daar nog nooit een kritische opmerking over heb gelezen.

Overigens vind ik Isherwood meeslepender dan Döblin, wiens collagetechniek – advertenties, liedjes, krantenberichten – nogal vermoeiend is, maar anderzijds een vergrootglas op het historische Berlijnse gewriemel legt. In 1930 had ik het niet uitgelezen; de tijd heeft het niet beter maar wel belangwekkender gemaakt.

Vrijdag

In het krantje interviewt een Joost Vandensande de gepensioneerde wielrenner Eddy Planckaert (61), die de journalist ontvangt in zijn vierkantshoeve. ‘Maar eerst moeten we een onzevader bidden, om te zien of onze ziel wel zuiver genoeg is. “Voilà, dat doet deugd,” lacht hij hard, nadat we metersdiep in ons geheugen hebben gegraven.’

Ik hoef onze vader niet te verdedigen. Weg met Hem. Weg met het katholicisme en zijn slavenmoraal, zijn wierook, zijn pedofilie. Geef ons de natuurlijke mens! Is het bij dat kaarslicht geen heldendaad het onzevader vergeten te zijn, die boodschap van onderwerping, dat allopathische recept uit de westerse huisapotheek tegen de dood?

‘s Middags

Meer krantje. De meesterlijke zelfspot van Barbara Debusschere: ‘Beseft de kerk dat ze moet ophouden moralistisch met het vingertje te zwaaien?’

Hahaha! Die Barba… hahahahahahaha!

Zondag

De filosoof Ignaas Devisch gelooft niet in God; zijn katholieke opvoeding was enkel frustrerend.

Nu ik. (Waarom verdedigen die katholieken zichzelf niet beter?)

Nietzsche heeft zijn colbertje laten hangen; Foucault is zijn stropdas vergeten. Ziet u Devisch? Hij denkt dat hij zelf nadenkt, maar in werkelijkheid geeft hij les in het jasje van Nietzsche, met de stropdas van Foucault om zijn nek. Wanneer staat er in Vlaanderen nog eens een jonge filosoof op die uitroept: ‘Hé, ligt daar geen drol?’

Maandag 12 oktober

Van het westelijk front geen nieuws. De Amsterdamse Raad voor de Kunst – ooit een eerbaar instituut – weigert subsidie aan het beroemde barokorkest van Ton Koopmans. Ik stuur een dépêche naar de loopgraven:

‘Geachte Raad,
U weigert het wereldvermaarde gezelschap van Ton Koopman subsidie op basis van een vermeend gebrek aan diversiteit.
Ik ontcijfer uw dialect en begrijp dat u dit bedoelt: “De Barok voldoet in haar wezen, structuur, vorm, filosofie, ja, in haar Europeesheid niet aan onze achterbuurtnormen.”
U verlangt om zo te zeggen dat het orkest Bachs cantates zingt met een krop in zijn achterwerk, viool spelend met zijn voeten.
Hoofdschuddend,
Benno Barnard’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.