fbpx


Filosofie, Literatuur
Montaigne

Montaigne: de onzichtbare pijn van de vader



Op zijn 37ste  was Michel de Montaigne (1533-1592) nog niet de auteur van de alom bekende Essais waarmee we hem vandaag associëren. Die begon hij pas in 1572 te schrijven. Nog eens twintig jaar later maakte zijn dood een einde aan het werk waarmee volgens sommigen de westerse moderniteit van start is gegaan.

Twee jaar voor hij dat werk aanvatte, verloor Montaigne zijn eerste kind. Het was geboren op 28 juni 1570, heette Thoinette en het meisje werd nauwelijks twee maand oud. Na haar dood kwamen er nog vijf meisjes, en maar één van zijn zes dochters bleef in leven. Van drie kennen we niet eens de naam.

Afstandelijk koel

Montaigne is in Parijs wanneer hij verneemt dat Thoinette dood is. Op 10 september schrijft hij zijn vrouw een brief waarin hij op die pijnlijke gebeurtenis reageert. De meeste commentatoren vinden die brief afstandelijk en koel. Sommigen verklaren de toon ervan uit de barre realiteit van de statistieken. De kindersterfte was inderdaad ontzettend hoog in die tijd. Maar deed het verlies van een kind daarom minder pijn?

Anderen zien in de onverschilligheid van de brief Montaignes een stoïcijnse inborst: zelfs in de meest tragische omstandigheden mocht je je niet laten overmannen door  verdriet. ‘Dit gevoel is mij volslagen vreemd’, zegt hij in de openingszin van zijn essay ‘Over droefheid’.

Etienne de La Boétie

Of de brief van 10 september echt voor zijn vrouw bedoeld was, is niet zeker. Hij doet namelijk dienst als ‘dédicace’ bij de vertaling die Montaignes vriend Etienne de La Boétie maakte van de troostbrief die de Griekse filosoof Plutarchus schreef aan zíjn vrouw bij de dood van hún dochtertje.

Montaigne heeft het uitvoerig over zijn vriend der vrienden in de Essais. La Boétie stierf in 1563 aan de pest. De dood van zijn vriend lijkt de auteur meer te hebben geraakt dan die van zijn eerste kind. In een brief aan zijn vader vertelt Montaigne in detail over de laatste dagen van La Boétie. Hoe besmettelijk ziek zijn vriend ook was, Montaigne week niet van zijn sterfbed.

Wijs zonder wijsvingertje

In diezelfde brief lezen we dat La Boétie in een van zijn laatste heldere momenten Montaigne zijn bibliotheek en papieren schonk, in ruil voor een belofte: Montaigne moest de naam van zijn vriend vereeuwigen met de uitgave van diens teksten. Naast een reeks sonnetten behoorde daartoe ook zijn vertaling van Plutarchus’ troostbrief.

Samen met Seneca was de Griekse filosoof uit de eerste eeuw na Christus een van Montaignes echte maîtres à penser. Aan diens Moralia ontleende hij niet alleen talrijke citaten, maar ook een manier van denken die hem in staat stelde de onfortuinlijkheden van het leven te verdragen en te overwinnen. Goede filosofen gaven je levenslessen, aldus Montaigne, en Plutarchus deed dat zonder te moraliseren. De echte wijze heeft geen wijsvingertje vandoen.

Troostbrief

Plutarchus’ wijsheid kwam overigens niet uit boeken, wel uit het leven zelf. Net als Montaigne vernam Plutarchus de dood van zijn dochter toen hij van huis weg was. De brief aan zijn vrouw is een van de mooiste troostgeschriften die ons uit de Oudheid zijn overgeleverd. De kernboodschap ervan is die van de matiging van het verdriet. We mogen best droevig zijn, zegt Plutarchus, maar we mogen ons onder geen beding laten gaan in dat gevoel.

Plutarchus begint zijn brief met een ontroerende beschrijving van de goede kwaliteiten van zijn tweejarig dochtertje. Omdat ze een kind uit de duizend was, ziet hij haar verlies niet als een reden voor verdriet, maar als een uitnodiging om zich haar met trots te herinneren. Blijkens de brief weet de filosoof goed waarover hij spreekt. Hij en zijn vrouw hadden al eerder kinderen verloren.

Troostargumenten

Plutarchus prijst zijn echtgenote omdat ze haar verdriet opnieuw met de nodige discretie draagt. Ze laat zich niet zien in de traditionele rouwgewaden en evenmin omringt ze zich met vrienden die haar om haar verlies beklagen. Dat soort gewoontes neemt het verdriet niet weg, weet de filosoof: ze maken de droefenis enkel groter.

Plutarchus reikt zijn vrouw ook een aantal troostargumenten aan om het verlies draaglijker te maken. Sommige komen vandaag eigenaardig over; andere gebruiken we nog. Onze dochter is gelukkig waar ze nu is, schrijft Plutarchus: waarom dan verdrietig zijn? Hoe kort haar leven ook was, Plutarchus blijft dankbaar om het geluk dat ze heeft gekend. Hij raadt zijn vrouw aan daarop te focussen, om haar gedachten van haar verdriet weg te leiden.

Zelftroost

In zijn eigen troostbrief  haalt Montaigne geen van deze argumenten aan. Hij verwijst zijn vrouw naar zijn eigen inspirator: ‘Ik laat het aan Plutarchus over om je te troosten’, schrijft hij, ‘en om je op je eigen plicht in deze te wijzen’.

Die laatste zin klinkt onnodig hard. Maar hij bevat voor Montaigne wel een grond van waarheid. Wie troost wil, moet zelf een deel van het werk doen en de aangereikte overwegingen in de praktijk brengen. Troost krijgen we nooit zonder zelftroost.

De troost van de afleiding

Even zo goed  doet die zin vermoeden dat Montaigne zelf niet zo’n trooster was. In een later essay schrijft hij dat de troostargumenten van de klassieken bij hem niet werken. Wie iemands pijn wil verzachten, klinkt het in het essay ‘Over afleiding’, heeft aan stoïcijnen en epicuristen geen boodschap.

Wie troost wil bieden. doet er volgens Montaigne beter aan voor de nodige afleiding te zorgen. Ook al neem je daarmee de oorzaak van de pijn niet weg, is het meestal beter de aandacht van wie lijdt op iets anders te richten.

Vier lange jaren

In de brief aan zijn vrouw vermeldt Montaigne een detail dat me doet vermoeden dat de dood van Thoinette hem meer raakte dan we geneigd zijn te denken. Vier jaar lang hebben hij en zijn vrouw moeten wachten op hun eerste kind, schrijft Montaigne.

‘Longuement attendue’ noemt hij hun dochtertje. De pijn die achter die woorden schuilgaat, zorgt voor een lapsus die vele commentatoren Montaigne kwalijk hebben genomen. Hij vergist zich in de leeftijd van zijn twee maanden oude dochtertje. Ze is gestorven in haar tweede jaar, schrijft hij.

Verborgen verdriet

Ik denk niet dat dit wijst op onverschilligheid. In zijn essay over de droefenis waarnaar ik al verwees, heeft Montaigne het over een Atheense kunstenaar die het offer van Iphigenia moest schilderen. Zijn werk moest ook laten zien wie van de omstaanders het meest bedroefd was om de offerdood van het meisje.

Het grootste verdriet om de dood van het kind was volgens de kunstenaar dat van de vader. De schilder kon het alleen weergeven door het gezicht van de man te verbergen. Verdriet dat niet getoond wordt, is daarom niet minder, suggereert Montaigne hier. Het is een van de vele lessen die hij op zijn beurt ons leert.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jurgen Pieters

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent.