JavaScript is required for this website to work.
Brussel deze week

Johan Van den Driessche: ‘Het is niet evident als Vlaamse partij op te komen in Brussel’

Michaël Vandamme1/8/2018Leestijd 5 minuten
Ben Weyts (l) en Johan Van den Driessche (r).

Ben Weyts (l) en Johan Van den Driessche (r).

foto © Reporters

De N-VA hoopt in de Brusselse gemeenten het verschil te maken, met steun van Franstalige keizers.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

De N-VA zit in de federale en de Vlaamse regering, net zoals ze haar plaats heeft in tientallen lokale meerderheden in het Vlaamse hinterland. Maar in Brussel schrijft ze een exclusief oppositieverhaal. Of de stembusslag van oktober 2018 daar enige verandering in zal brengen is betwijfelbaar. Toch hoopt de partij garen te spinnen van een gunstig gesternte dat zich al een tijdje aftekent.

We treffen Johan Van den Driessche, minder dan drie uur nadat hij een tweet over de recentste klucht rond de voetgangerszone in hartje Brussel uitstuurde. Samengevat: van het eerste stukje dat eindelijk definitief aangelegd werd, moeten alle stenen weer opengebroken worden wegens… verkeerd geplaatst. Loepzuiver surrealisme waar Magritte het schaamrood van zou krijgen. ‘Je moet het vooral als een metafoor zien’, meent hij. ‘Bij openbare werken begaat men wel eens fouten die achteraf rechtgezet worden. Deze stenen-historie is natuurlijk niet essentieel in dit dossier. Maar het is echter extra pijnlijk dat het allemaal zo lang aansleept, zo rommelig wordt aangepakt en wanneer je dan denkt dat de finishin zicht is gebeurt dit (lacht).’

‘Mr. Brussels’

Bekeken tegen een Vlaamse achtergrond is Brussel een vreemde eend in de bijt. Per definitie. Hetzelfde geldt voor de Vlaams-Brusselse politieke microkosmos, en eigenlijk ook voor de figuur van Van den Driessche. Sinds jaar en dag is hij een onversneden ‘Vlaamse Beweger’. Ook tijdens de jaren dat hij aan het hoofd stond van het internationale revisorenkantoor KPMG in dit land, slaagde hij erin dit te combineren met verschillende engagementen. Hij was actief bij VOKA Brussel, waarvan enkele jaren als voorzitter, ook bij het Vlaams Komitee voor Brussel (VKB), de Vlaamse Volksbeweging (VVB), enzovoort. Ook stond hij een hele poos aan het hoofd vanvtbKultuur. En toen klonk de sirenenzang van de partijpolitiek.

Na een wat moeizame start in de hoofdstad, pakte de partij met hem uit als hun ‘Mr. Brussels‘. Hij werd gemeenteraadslid in Brussel-stad(Manneken Pis is zijn overbuur), en even later trok hij aan het hoofd met een driekoppige fractie naar het Brussels Parlement. De drieparlementsleden zijn trouwens lijsttrekker in een andere Brusselse gemeente: Liesbet Dhaenein Oudergem, Cieltje Van Achterin Schaarbeek en Van den Driessche dus in Brussel-stad. Prognoses zijn in deze altijd een hachelijke zaak, maar laten we, alle elementen in beschouwing genomen, stellen dat Dhaene de moeilijkste opgave heeft.

SWOT-analyse

Ongetwijfeld maakte Van den Driessche met de zakelijke achtergrond die hij heeft ooit een SWOT-analyse van zijn partij in de hoofdstad. ‘Strength‘ is het federale verhaal, gokken we. Met vooral Theo Franckenen Jan Jambonop de cover van de folder die een tijdje geleden in elke Brusselse bus terecht kwam.

‘Uiteindelijk heeft dit alles te maken met een coherent verhaal’, antwoordt Van den Driessche. ‘Wat we voor het gemeentelijk niveau willen, enten we op hetgeen gebeurt op andere echelons waar onze partij wel mee beslist. Het is toch wat te makkelijk, om een recent voorbeeld te nemen, dat de Schaarbeekse burgemeester Clerfayt, een man van DéFi, de zwarte piet voor alles wat fout loopt rond het Noordstation aan Francken doorschuift. Elk niveau moet zijn verantwoordelijkheid nemen, ook en zeker het gemeentelijke. Dat is het signaal dat we willen geven.’

En merkt u – we blijven nog even bij die ‘strength’ – dat de modale Brusselse kiezer dat ook vindt?

‘Er is een groeiende groep die deze overtuiging toegedaan is, dat kan ik alleen maar vaststellen. Weet u, ik kan de vergelijking maken met zes jaar geleden. Toen kreeg ik ook wel eens een sympathieke steunbetuiging uit Franstalige hoek, maar vandaag spreken we over een heel andere orde. Het aantal positieve reacties is werkelijk exponentieel toegenomen. In grote mate kan dit op conto van de perceptie van Jan Jambon en Theo Francken geschreven worden. Maar ook dat wij alledrie in onze fractie de voorbije jaren regelmatig met een gedegen dossierkennis in thepicture kwamen helpt.

En dan zijn er de peilingen. Ik ben me bewust van hun beperkte waarde als politieke barometer, zeker in Brussel waar de percentages die Vlaamse partijen neerzetten erg dicht in de buurt van de foutenmarge van het onderzoek komen. Maar de voorbije peilingen wijzen wel op een trend door van ons de grootste Vlaamse partij te maken. Ik blijf daar nuchter bij, maar zoals het cliché luidt, heeft een politicus liever een goede peiling dan een slechte (glimlacht).’

Er wordt jullie voor de voeten geworpen deze verkiezingen als gewestelijke verkiezingen aan te pakken, of zelfs federale. Maar zeker niet als plaatselijke verkiezingen.

‘Onterecht. Een aantal politieke tegenstanders pakten hier mee uit, zwaaiend met onze folder met Jambon en Francken op de cover. Maar wie de moeite doet ze te lezen zal merken dat de focus wel degelijk op het lokale gericht is. Elke gemeente heeft haar plaatselijke besognes, maar vaak, zoals gezegd, kan je die niet los zien van hetgeen op andere niveaus beslist wordt – of net niet. Laten we ook niet hypocriet doen: als Vlaamse partij is het geen evidentie om op te komen in een Brusselse gemeente. We zijn trouwens een van de weinigen die dit ook doen. Door samen met de Franstalige evenknie op één lijst te gaan staan, bespaar je jezelf heel wat praktische beslommeringen. Wij doen we het op eigen kracht (glimlacht). Waar het ons om gaat zijn kwaliteitsvolle mensen in de gemeenteraden te krijgen. We komen op in elf gemeenten, dat is de voorlopige stand van zaken. Mogelijk groeit dit aantal. Niet overal zullen we een verkozene hebben, daar zijn we ons van bewust. Maar belangrijker is om ervoor te zorgen op de plekken waar dit lukt kwaliteitsvolle mensen te hebben. Een prognose? Daar waag ik me niet aan (lacht). Je hebt relatief “zekere” zetels in Jette, Brussel-stad, Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek en Sint-Agatha-Berchem, maar ik verwacht ook wat verrassingen.’

Speerpunten

En met welk eigen lokaal verhaal moet de Brusselse kiezer over de schreef getrokken worden?

‘We pakken uit met drie speerpunten: veiligheid, identiteit en welvaart. Op zich zijn dat thema’s waar we al jaren veel belang aan hechten. Veiligheid in een stad als Brussel spreekt voor de hand. Aan identiteit geven we een dubbele betekenis. Het onderwerp slaat niet enkel op onze westerse waarden, gelijkheid van man en vrouw, enzovoort, maar natuurlijk ook de positie van de Brusselse Vlamingen en het Nederlands in onze hoofdstad. Essentieel aan welvaart is het belang van de middenklasse om het fiscale plaatje van onze stad recht te trekken.’

Laten we ene sprong van enkele maanden maken. En daar zit je dan als raadslid in een gemeenteraad, al dan niet met meerderen. Waar begin je mee?

‘We beseffen maar al te goed dat er meer kans is dat we in de oppositie belanden. Wegen vanuit de oppositie is daarbij niet makkelijk, maar als gemeenteraadslid zit je wel met je neus op de feiten en kan je aan de alarmbel trekken. Dat op zich en de schrik daarvoor zorgt bij de meerderheid al voor een  corrigerend effect. En, eigen lof stinkt, maar de strijd tegen het megalomane stadion op Parking C, was vanuit de oppositie toch vrij effectief.

Pijnpunt taalwetgeving

U had het over identiteit, met bijzondere aandacht voor de Brusselse Vlamingen. De taalwetgeving blijft een pijnpunt, en dat verandert niet met de N-VA in de federale regering, klinkt de kritiek.

‘Ten onrechte! De federale regering is enkel bevoegd voor aanpassingen aan de taalwetgeving, met een bijzondere meerderheid overigens. Controle en toezicht op de taalwetgeving ligt dan weer bij het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en de GGC (Gemeenschappelijke Gemeenscahpscommissie). De taalwet is niet perfect, maar draagt meer dan voldoende garanties in zich voor tweetalige dienstverlening in Brussel. Het probleem ligt bij het toezicht en de sanctionering op de taalwet. Hier blijft de gewestelijke overheid in gebreke.’

Denkend aan de middenklasse

Het (opnieuw) aantrekken van de middenklasse is een recurrent thema van de Brusselse N-VA. Maar hoe geef je hier een lokale vertaling aan?‘Gemeenten hebben wel degelijk hun rol te spelen. Want waarom verlaten vele middenklasse gezinnen de hoofdstad? Tal van factoren spelen een rol, maar er zijn toch zo van die punten van ergernis die steevast terugkeren. Woonbeleid, onveiligheid, gebrek een netheid, onderwijs, noem maar op. En voor al deze euvels hebben de gemeenten veel in de pap te brokken. Men laat onderwijs en VGC (Vlaamse Gemeenschapscommissie) haast samenvallen. Ergens begrijpelijk, maar waarom investeren de gemeenten niet meer in Nederlandstalige scholen? Per slot van rekening zouden ze hiermee tegemoet komen aan de wens van vele Brusselaars voor wie kennis van onze taal een wissel op de toekomst is. Het zou ook bijdragen tot een oplossing voor de schandalige situatie dat een te grote groep Nederlandstaligen uit de boot valtin ons eigen Vlaams-Brussels onderwijs, maar ik vermoed dat we het daar in de aanloop van juni 2019 nog wel uitvoerig over kunnen hebben (lacht).’

Michaël Vandamme is bestuurslid van het Vlaams Komitee voor Brussel en freelance journalist.

Commentaren en reacties