fbpx


Cultuur

Vertel nu verder, papa

Dagboekaantekeningen (54)


Benno Barnard

Dinsdag 7 september Ruzie met Joy. Weldra komen de kinderen, weldra arriveren de gasten uit de graafschappen Heinde en Ver. Haar zenuwen en de mijne zijn als elektrische draden in een oud huis: de verlichting knettert en valt voortdurend uit. O, straks brandt ons huwelijk af! Postmoderne vrouwen zijn toch onbegrijpelijk. Ze vinden dit of dat en dulden geen afwijkende mening. Huishoudelijke kwesties zijn relatief eenvoudig op te lossen: ik geef toe en laat mijn toegeven keihard resoneren in een…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Dinsdag 7 september

Ruzie met Joy. Weldra komen de kinderen, weldra arriveren de gasten uit de graafschappen Heinde en Ver. Haar zenuwen en de mijne zijn als elektrische draden in een oud huis: de verlichting knettert en valt voortdurend uit. O, straks brandt ons huwelijk af!
Postmoderne vrouwen zijn toch onbegrijpelijk. Ze vinden dit of dat en dulden geen afwijkende mening. Huishoudelijke kwesties zijn relatief eenvoudig op te lossen: ik geef toe en laat mijn toegeven keihard resoneren in een uit mokken vervaardigde stilte. Maar dat betekent niets. De staatshuishouding is heel wat problematischer. Plotseling – laten we zeggen terwijl ik de vaatwasmachine op haar bevel met vuile borden en glazen sta te vullen – begint ze over Scruton, Burke en het hiernamaals, en vraagt in alle ernst of ik een conservatief ben. Weet ik veel, liefje! Zo blaten we als schapen. Het lijkt wel alsof we in een dagboeknotitie van een of andere Franse schrijver figureren.
We zouden beter op de vrouwen moeten letten. Ze worden bescheiden. Ze willen de gelijken van de mannen zijn. Is dat verstandig? Echt, ze waren zo belangrijk, de vrouwen.

Woensdag

Nietzsche klopt met zijn hamer op de afgoden. Er zijn ontelbaar veel afgoden, meer afgoden dan realiteiten: de een gelooft in het feminisme, de ander in de natuur, de derde in de traditie – alleen de godheid van het gezond verstand heeft bitter weinig volgelingen. Boink, boink… De hamerslagen van Friedrich Nietzsches maken de leegte van de afgoden hoorbaar.
Maar de hamer is voor Nietzsche ook het gereedschap van de beeldhouwer. In boek twee van Zarathustra schrijft hij: ‘Weg van de god en de goden lokte me deze wil; wat viel er nog te scheppen als er goden waren! Maar naar de mens drijft me steeds opnieuw, mijn vurige wil tot scheppen; zo wordt de hamer gedreven naar de steen. Ach mensen, in de steen sluimert voor mij een beeld, het beeld mijner beelden ! Ach, dat het in de hardste, afstotendste steen moet slapen ! Nu gaat mijn hamer wreed tekeer tegen de kerker. Van de steen springen stukken af; wat kan het mij schelen? Voltooien wil ik het…’
Zarathustra werkt aan de übermensch, maar Nietzsche, die naarstig voortkloppende stilist, die onbegrepen, naar menselijk gezelschap hunkerende grappenmaker – wiens buitenissige gedrag de kluis is waarin hij zijn bedroefde ziel bewaart – wil dat zijn lezers die hamer zelf zouden hanteren.
De hamer zelf hanteren!
Met die hamer sla ik, die mij zowel christen als nietzscheaan noem, de afgod Nietzsche aan stukken…

Donderdag 9 september

Naar Heathrow – miljoenen auto’s om mij heen, een reusachtige kudde van elkaar verdringende zoogdieren op ronde benen, in een vacht van metaal, die maar twee kanten op kunnen.
Dan sluit ik ze in mijn armen, het Vogeltje, mijn eniggeboren zoon; en in een flou artstique, op de omringende werkelijkheid aangebracht met waterverf van het merk Larme Facile, haasten we ons naar Terminal 5, waar een uur later Bart en Marcy uit Denver te voorschijn komen. Al babbelend rijden we naar Sussex, waar Joy met koffie wacht, blonde, onbegrijpelijke, teerbeminde Joy.

Vrijdag

Peter – hij heeft vanaf Gatwick de trein naar Hastings genomen. Op het stationsplein kloppen wij het stof van een hele pandemie uit elkaars jasje. Mijn oude vriend heeft veel bagage bij zich, een zestigjarige koffer die uitpuilt van Rozendaal, Lausanne, de Bucovina en de rest van de Donaumonarchie, gewikkeld in Joodse belezenheid, waartussen de presentjes die hij heeft meegebracht: anekdotes, spitsvondigheden, de liefde voor zijn tweejarige kleindochter, de wrok over zijn ex-vrouw…

’s Middags

Nu arriveert ook mijn zus en andere familie. Vreugde om die vertrouwde, met iets meer grijs omlijste gezichten. We kletsen en spelen kaartspelletjes. Mijn zus heeft een  fotoboek samengesteld uit haar familiearchief: een galerij van ernstig kijkend voorgeslacht, maar in de jaren zestig klaren de gezichten op, de kleur doet haar intrede, Joy komt uit New York, en de draden van ons lot raken in elkaar verward en nu wordt Christopher geboren… Kijk, daar is de baby met de boeddhistische buik en dito wangen, in wie wij het mooiste aapje uit de evolutie zagen. En kijk eens, de lijst van woorden in twee talen – woef = dô – die hij kende toen hij negentien maanden oud was. De kleuter in bad. De kleuter met zijn zusje, dat recent door een vliegtuig is gebaard. Voetbal. Sinterklaasfeest. Schoolklassen. Gekke bekken. Briefjes.
Aan mijn vader schrijft hij in 2005: ‘Jaa, ik kan goed reekenen en de oovergrootvader van boma Christina was met Napoleon naar Rusland? Ik heb eergisteren een ternoj gespeeld en de finale gewonen. In de finale de eenege gool gemaakt. Ik kan goed Engels lezen. I trit to wriht laik jou…’ (gevolgd door een vierkantje met ‘Dag Chris’: een tamelijk geslaagde nabootsing van het krullerige vooroorlogse handschrift van de patriarch). ‘Dag lieve Bompa! Ik houw van jou!!!!!!!!!!!!’ (de uitroeptekens zijn de telegraafpalen die hem met mijn vader in Utrecht verbinden).
Het briefje stamt uit Rye, waar wij in 2005 en 2006 woonden (het verslag van die periode staat opgetekend in Een vage buitenlander). Ik vraag aan Christopher of hij iets grappigs bedoelde met zijn Engelse bastaardspelling, maar hij kan het zich niet herinneren.

Addendum

Ik had mijn zevenjarige zoon, die tuk was op ridders en bloederige epen, de geschiedenis van Willem Borst verteld. Deze betovergrootvader van mijn moeder was ingelijfd door de Grande Armée en bouwde mee aan de brug over de Berezina; toen hij twee jaar later thuiskwam, met een baard en in lompen, herkende zijn vrouw hem niet.
Dit wil de familielegende, die best wel meer zou willen, maar het historische geweten bewaakt de morele grens tussen de provincies Overlevering en Fantasia. Uit de Berezina stijgt een dichte nevel op, die de heroïsche daden van mijn voorvader aan het gezicht onttrekt. Maar vast (vertelde ik Christopher) heeft hij de nodige kozakken om zeep gebracht, zonder na het afscheren van zijn baard aan al te veel posttraumatisch stresssyndroom te lijden.
‘Met de blote hand, want zijn degen was in de rivier gevallen, dus hij legde zijn kolenschoppen om de keel van zo’n kerel en drukte zijn strottenhoofd…’
‘Wat vertel jij dat kind allemaal?’ vraagt Joy, die op de schans van de moraal is geklommen.
‘Vertel nu verder, papa!’

Zaterdag 11 september

Om half vier begint de hoogmis. Father Owen zal de anglicaanse zegen uitspreken over het huwelijk van mijn zoon en schoondochter; de formuleringen uit het Book of Common Prayer van 1662 zullen worden gebruikt, wat minder zonderling is dan het klinkt, want ook de ontwikkelde ongelovige kent de woorden uit de film; de muziek zal hemels zijn, voor zover de hemelse koren Purcell zingen tenminste. Joy en ik zullen een traan wegpinken.
Vooraf dronken we koffie in de tuin. Boven de vlinderstruik fladderden in semantische gehoorzaamheid witjes en citroenvlinders; van het vingerhoedskruid dronken zwaarlijvige hommels; een roodborstje kwinkeleerde in de christusdoorn. De gasten waren al bij voorbaat lacherig en ontroerd tegelijk, al die pakken en japonnen en verse kapsels…
We zitten in de kerk. De schare bedraagt het viervoudige van een gewone zondag. Nu begint het orgel te spelen; nu schrijden de priester en de acolieten door het middenpad naar het altaar; nu begint het orgel het rondeau van Purcell te spelen: iedereen draait zich om en daar schrijden de bruid en bruidegom al naar voren… maar wat is dat? Terwijl de trouwgeloften in het Engels van de Restauratie worden herhaald, hoor ik mijzelf tegen Joy iets even dichterlijks als onbetamelijks zeggen: ‘With my body I thee worship!’ En Marcy, naast Joy, keert zich tot Bart en fluistert: ‘Let’s do it, baby…’
Nee, het gebeurt niet echt, of liever gezegd, het gebeurt wel echt, maar het gebeurt in mijn hoofd, zoals ook de zegen in mijn hoofd een belijdenis van het lichamelijke is (‘Zegen, Heer, niet alleen de verstrengeling van hun vingers’) en de hostie in mijn hoofd wordt uitgereikt met de woorden ‘Het lichaam is het leven’… Tijdens de oogwenk die de mis duurt, begrijp ik – voor het eerst? – de verbluffende waarheid: de mis is (zonder dat zelf te weten) een eredienst van het lichaam.
Dan staan we allemaal buiten in de zon, voor het portaal, tussen de grafstenen van een eeuw en langer geleden. Het is ruim twintig graden, windstil, en we omhelzen elkaar eindeloos.

’s Avonds

In het luilekkerland van de grote witte tent vieren tachtig mensen feest: de wijn stroomt door zijn beek, de salade is een weiland, de biefstuk loeit zacht. Iemand tikt tegen zijn glas, komt overeind en brengt op het jonge paar een heildronk uit: ‘We zijn allemaal blij, echt, met zo’n prachtige, eh, bruid…’
Dit wil zeggen: ‘Ik spreek om te spreken, maar eigenlijk ben ik dronken.’
Iemand anders tikt oorverdovend tegen zijn glas, dat uit elkaar spat – de scherven vliegen fonkelend alle kanten op; nog oorverdovender geschater.
De jazzband begint te spelen, maar wordt onderbroken door Gary, want eerst moet er door iedereen gezongen worden. En dus zingen we ‘I could have danced all night’ en ‘Doe is a deer’ en ‘God Save the Queen’ (synchroon met het Amerikaanse volkslied) en het geheel culmineert op Christophers verzoek in ‘Jerusalem’, dat iedereen uit zijn hoofd kent.
De band zet de klarinet aan de mond, plaatst de strijkstok op de snaren. Aan de tafel van John Crook – een congregatie van ervaren wijndrinkers – vloeit het belangrijkste bijproduct van de Rhône als bloed uit een ondersteboven gehangen koe.

De dag na de dag voordien (’s avonds)

Eten in de pub. Ik zit naast Peter en hij zit naast mij. Tussen ons een vertrouwelijkheid met zestig jaar als fundament. We praten over getrouwd zijn en niet meer getrouwd zijn; over de liefdesgedichten van John Donne, door hem aan het bruidspaar geschonken; over onze voorgenomen reis naar de Bucovina en de verdwenen sjtetls in die wrede arcadische landstreek. Het gesprek voert zichzelf. Soms zwijgen we even en glimlachen voor ons uit. De vreugde maakt stom; de weemoed welsprekend – zo is dat in de kosmos geregeld.

Dinsdag? (ik ben het spoor in de kalender bijster)

Met onze bezoekers rijd ik van Hot-on-Rother naar Her-Super-Mare, maar vandaag maken we met het bruidspaar en Hayleys ouders een lange wandeling, van Great Dixter naar Bodiam Castle. Daar aangekomen, stoffig, dorstig, lacherig, zijgen wij neer aan een tafel bij het café van de National Trust (die het kasteel beheert). Na de nodige glazen bier en limonade haalt Joy kaartjes voor wie nog nooit in die grote holle middeleeuwse kies hebben rondgedwaald…
Dan gebeurt er iets verbazingwekkends.
In het scherp gesneden gezicht van Bart Mitchell – ‘Hij lijkt op Vanderneffe uit de strip van Kiekeboe,’ zei Christopher gisteren – gaat de mond open. De mond zegt: ‘Laat iemand anders maar gaan, ik zit hier goed.’
‘Heb je ooit een veertiende-eeuws kasteel gezien, Bart?’ vraagt Joy.
Deze Amerikaan bevindt zich op honderd meter van de middeleeuwen, maar ze worden beschermd door een slotgracht zo breed als de Atlantische Oceaan.
‘Die ouwe dingen zijn gewoon niet zo aan mij besteed.’
Charmante, ondoordringbare aartsvader!

Woensdag

Christopher heeft tussen het trouwen door een paar werkafspraken in Londen. Ik rijd hem naar het victoriaanse stationnetje van Robertsbridge, dat met zijn in de zon glinsterende geraniums en ivoorwit geschilderde houten seinhuisje op nieuwe bedenksels van E. ‘The Railway Children’ Nesbit ligt te wachten, met welopgevoede onderdaantjes van Edward VII als protagonisten, door wier conversatie een vergeelde beschaving voortdurend please en thank you strooit. Christopher draagt een lichtblauw pak en een zorgvuldig gestrikte das. De zon verblindt me wanneer ik een beetje halfslachtig naar een jongeman op het perron richting Charing Cross zwaai. Zijn pak zwaait terug.

’s Middags

Een mail van Bart Van Loo: mijn dichtbundel Het trouwservies bekoorde hem en hij heeft op een of ander sociaal medium een link naar een prozatekst van mij geplaatst. ‘Wat een schrijver…’ luidt zijn commentaar. Dat laat ik door Joy op een kussen borduren. Wereld, vergun mij toch dat vleugje wierook.

Donderdagavond

De magische abrikooskleurige eetkamer van John Crook ontvangt ons, de ouders, de kinderen, de zus, zwager, Gary, Duncan, Peter. Schertsend, om zijn schoonvader te plagen, zegt Christopher dat John moet bidden voor het eten; en prompt verrijst John aan het hoofd van de tafel voor het gat van de manshoge open haard en bidt: ‘Benedic Domine, nos et hæc tua dona quæ de tua largitate sumus sumpturi.’
We eten een stoofschotel van lamsvlees en groenten, we heffen menigmaal het glas, telkens ontbloeien de rode bloemen tegen de muren van abrikoos.
Dan raakt het brood op, Christopher verdwijnt in het sanctum van de keuken, waar mijn vriend John, met de dwerg Asperger op zijn schouders, achter hem aan snelt en hem terugstuurt, en dan, wild zwaaiend met een stokbrood, een verontschuldiging achtervolgt in een labyrint van zich vertakkende bijzinnen… Hij is de voor het geniale bestemde kleuter uit zijn fotoalbum, op de schoot van zijn moeder, aan de hand van zijn moeder, die Marigold heette en over wie hij het vaak heeft, mijn ouwe morose vriend de vrijgezel, die onder zijn bejaarde colbertje een vlekkerige rode trui vol gaten draagt, waar zijn oedipuscomplex een klein beetje uit puilt. ‘Kom,’ zegt hij, ‘de Hunnen zijn verslagen, dus we kunnen best hun Lieder zingen…’
Hij, die onbegrepen, naar menselijk gezelschap hunkerende grappenmaker, pakt een groot groen boek met partituren van Schubert; Duncan gaat in een hoek bij de haard achter de buffetpiano zitten, onder een gravure met bergen, een gehoorzaam reflecterend meer en veel clair-obscur; en wanneer John en Gary de Winterreise inzetten, betreedt de Duitse romantiek de eetkamer, wijken de abrikooskleurige bergwanden terug naar de verte, versnelt het plafond zijn proces van afbladdering en verandert in een hemel gevuld met de geografie van melkwegen en fantastisch kolkende serpentines van astronomisch licht: ‘Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh’ ich wieder aus…’
En tijdens deze transformatie van het vlekkerige en kapotte in het sublieme, valt mijn oog op Bart, die onder het tafelblad in een spelletje op zijn telefoon is verdiept…

Zaterdag

Een laatste wandeling met Christopher. Sammie en Roffel schrijven ellipsen om ons heen. ‘Dank je voor alles, papa,’ zegt Christopher. ‘Je moet de voorbije week minstens duizend mijl hebben gereden.’
Ja, ik ben de slaaf van mijn bereidheid – half opvoeding, half paniek – het iedereen naar de zin te maken. ‘Wist je dat je tegenwoordig een slaaf een tot slaaf gemaakte moet noemen?’
Hij kijkt met zijn uiterst blauwe ogen naar de rand van het veld, waar Roffel verzaligd in dassen- of vossenkeutels rolt. ‘Maar dan gebruik je nog steeds het woord slaaf,’ zegt hij. ‘Je zou dus tot tot slaaf gemaakte gemaakte moeten zeggen. Maar dan ad infinitum, dus tot tot tot slaaf gemaakte gemaakte gemaakte… enzovoorts.’

Zondag 19 september

We brengen het bruidspaar naar Heathrow. Zes uur vliegen verderop ligt hun nieuwe appartement in Alexandria, in een koloniaal huis uit de tijd van George III; de huur is niet hoger dan die van de flat in het hoogtechnologische gebouw in Washington waar Christopher hiervoor woonde.
‘Muß selbst den Weg mir weisen In dieser Dunkelheit.’

Op de terugweg

Vandaag vijfenzeventig jaar geleden, een jaar na de oorlog, verlaten mijn ouders de kerk waar ze zojuist in het huwelijk zijn getreden. Op de foto in het door mijn zus gemaakte boek heeft mijn moeder een wit gehandschoende hand door de arm van mijn vader gestoken, die een hoge hoed – een zogenaamde ‘kachelpijp’ – draagt. Het is zestien graden; er staat een westenwind.

 

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.