Vijf problemen met de Belgische haatspraakwetten

Dries Van Langenhove werd onlangs veroordeeld voor haatspraak.
foto © Belga
Aangeboden door de abonnees van Doorbraak
Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.
Ik neem ook een abonnementDe recente veroordeling van Dries Van Langenhove plaatste de Belgische ‘haatspraakwetten’ opnieuw in het daglicht. De rechtse activist werd beboet op basis van de Antiracismewet, omdat hij zou hebben aangezet tot haat jegens etnische of raciale minderheden. Daarnaast werd Van Langenhove vervolgd op grond van de Genderwet, omdat gender volgens hem een ‘sociaal construct’ is dat niet beantwoordt aan de werkelijkheid. Ook daarmee zette hij volgens het openbaar ministerie aan tot haat.
Voor die laatste tenlastelegging werd het oud-Kamerlid vrijgesproken. Wel schreven de Leuvense rechters in hun vonnis dat de ideeën van Van Langenhove ‘niet stroken met de maatschappelijke en wetenschappelijke opvattingen over gender (genderidentiteit)’. Zo beweren de magistraten dat kritiek op genderideologie – een relatief recent fenomeen – feitelijk verkeerd is en effenen ze het pad voor latere veroordelingen van wie bijvoorbeeld transgenderisme verwerpt.
Haatspraak in België
Het debat over het Belgische haatspraakregime verzandt snel in algemeenheden. Dat is niet per se een probleem. Het is zonder twijfel nodig om het bestaan van dit soort wetten an sich in vraag te stellen. Het risico van (te) algemene kritiek is evenwel dat voorstanders hun critici kunnen wegzetten met even algemene argumenten, verwensingen of leugens. Dat de tegenstanders irrationele haat tegen anderen leuk vinden en willen opstoken bijvoorbeeld. Op die manier moeten ze niet antwoorden op de ernstige tekortkomingen van de concrete regels over ‘hate speech’.
Deze wetten zijn in essentie kopieën van elkaar, met vergelijkbare verboden en sancties maar met verschillende ‘beschermde criteria’
Die concrete regels liggen vast in drie wetten: de Antiracismewet (die betrekking heeft op ras, etniciteit en nationaliteit), de Genderwet (die gaat over geslacht en genderidentiteit) en de Antidiscriminatiewet (die een soort van ‘catch-all’ is voor alle andere vormen van discriminatie en haat, zoals religie en seksuele oriëntatie). Deze wetten zijn in essentie kopieën van elkaar, met vergelijkbare verboden en sancties maar met verschillende ‘beschermde criteria’. Wie in België spreekt over ‘haatspraakwetten’, heeft het over deze drie.
De wetten zijn behept met dezelfde weeffouten. Weeffouten die niet alleen de vrije meningsuiting beknotten, maar ook de waarheid criminaliseren.
Wat is ‘haat’? Wat is ‘aanzetten tot’?
De strafbepalingen van de haatspraakwetten zijn zonder twijfel de meest omstreden clausules. Zij bepalen onder meer dat ‘aanzetten’ tot ‘haat’ bestraft wordt met een celstraf en/of geldboete, zonder ‘aanzetten’ en ‘haat’ daarna te definiëren (en dus te begrenzen). Dat is extra opmerkelijk, aangezien elk van deze wetten van wal steekt met een lange lijst van definities. Maar voor de van nature misschien wel vaagste begrippen doen ze geen poging. Wat ‘aanzetten tot haat’ nu net betekent, wordt volledig overgelaten aan de rechtbanken en hoven.
Wat privé is, blijkt publiek
Het aanzetten tot haat (of geweld of discriminatie) is maar strafbaar als het in een zekere openbaarheid gebeurt. De haatspraakwetten verwijzen daarvoor naar artikel 444 van het (inmiddels oude) Strafwetboek.
Wie denkt aan ‘openbaarheid’, denkt misschien aan oraties op een marktplein of in het algemeen aan plaatsen die vrij toegankelijk zijn voor het brede publiek. Een openbare lezing in een Leuvens auditorium bijvoorbeeld. Artikel 444 gaat evenwel verder. Ook op plaatsen die ‘niet openbaar zijn’, maar wel ‘toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken’ mag niet aan haatspraak gedaan worden. Verder zijn geschriften strafbaar die, hoewel niet openbaar gemaakt, ‘aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden’. Het is die laatste bepaling die Van Langenhoves private S&V-chatgroepen na de beruchte Pano-uitzending in het vizier brachten van het Gentse gerecht.
Wie ‘gevaarlijke’ dingen zegt tijdens een vergadering van een hobbyclub of in een Signal-chat met vrienden, riskeert een gevangenisstraf
Artikel 444 verduidelijkt niet vanaf wanneer een samenkomst — al dan niet online — de interesse opwekt van de politie en het parket. Die onduidelijkheid is de bedoeling: Vlamingen moeten de vervolging vrezen, ook in hun privéleven. Wie ‘gevaarlijke’ dingen zegt tijdens een vergadering van een hobbyclub of in een Signal-chat met vrienden, riskeert een gevangenisstraf. Het ‘chilling’-effect.
Waarheid is niet relevant
‘Gevaarlijk’, maar niet noodzakelijk foutief, zoals blijkt uit Van Langenhoves meest recente veroordeling. ‘Haatspraak’ kan immers feitelijk correct zijn en toch bestraft worden. Er bestaat met andere woorden niet zoiets als een waarheidsverdediging wanneer men vervolgd wordt op basis van de Antidiscriminatiewet, Antiracismewet of Genderwet.
Het is daarom geheel mogelijk dat een Whatsapp-groep met cijfers en statistieken een vorm van haatspraak is. De bespreking van zulke cijfers en statistieken maakt de zaken enkel gevaarlijker voor de deelnemers: ware of waarschijnlijke ideeën en conclusies zijn namelijk verboden als ze niet overeenkomen met het moderne wensdenken over afkomst en cultuur. Misschien wel hét maatschappelijke debat van deze eeuw wordt zo voor de helft gecriminaliseerd.
Discrimineren, maar dan ‘indirect’
De Belgische haatspraakwetten gaan niet enkel over haatspraak, maar ook over discriminatie. Aanzetten tot discriminatie wordt — net als aanzetten tot haat — strafbaar gesteld, maar ook discriminatie an sich wordt in verschillende domeinen (arbeidsbetrekkingen, commerciële relaties, vrijetijdsbestedingen) verboden.
Van groot belang daarbij is de wettelijke verankering van de ‘indirecte discriminatie’. Indirecte discriminatie doet zich voor wanneer ‘een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een of meer beschermde criteria, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen’. Wie bijvoorbeeld stelt dat losse zwemkledij in het algemeen verboden is, maar hierdoor vooral moslima’s benadeelt, schendt de Antidiscriminatiewet. In die zin oordeelde recent het Vlaams Mensenrechteninstituut.
Het verbod op indirect discrimineren betekent in een diverse, multiculturele samenleving dat doortastend beleid rond culturele thema’s onmogelijk wordt. Noteer bovendien dat niet moet worden bewezen dat een maatregel een discriminerende intentie had, noch dat een werkelijke benadeling plaatsvond. Het volstaat dat de regel een negatieve impact kan hebben. Een mooi cadeau voor linkse activisten, die altijd en overal discriminatie zien.
‘Bewijs dat u níet discrimineert’
Een onderbelicht aspect van het antidiscriminatieregime is de verschuiving van de bewijslast die de Antidiscriminatiewet, Antiracismewet en Genderwet invoerden ten nadele van de persoon die van discriminatie beschuldigd wordt. Wordt u beschuldigd door bijvoorbeeld Unia, dan is het aan u om te bewijzen dat u níet discrimineert. Of met de woorden van de Antidiscriminatiewet:
‘Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie (…) kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest.’
Zo wordt een van de belangrijkste principes van het procesrecht (dat eenieder de feiten bewijst die hij aanvoert) opgeofferd op het antidiscriminatie-altaar.
Toetje: Discriminatie van blanken toegelaten
Het verbod op discriminatie — dat dus erg verregaand is — wordt enigszins gemilderd, zij het uitsluitend ten nadele van blanken en mannen. Discriminatie is immers toegelaten als ze voldoet aan de voorwaarden van de ‘positieve actie’, een notie die in elk van de drie haatspraakwetten opgenomen werd en bedoeld is om ‘achtergestelde groepen’ vooruit te helpen.
De discriminatie van relatief succesvolle burgers is daarom toegelaten
Positieve acties zijn maatregelen ‘om de nadelen verband houdende met een of meer beschermde criteria te voorkomen of te compenseren, met het oog op het waarborgen van een volledige gelijkheid in de praktijk.’ De discriminatie van relatief succesvolle burgers is daarom toegelaten om ‘kennelijke ongelijkheden’ weg te werken, waarbij niemand zich moet (of mag) afvragen waarom deze ongelijkheden bestaan. Opnieuw zijn de oorzaken irrelevant, eigenlijk taboe.
De positieve discriminatie van bijvoorbeeld Afrikanen in België gebeurt bijna altijd ten nadele van Europeanen. Dat is logisch, want de meeste waardevolle zaken (goederen, diensten, posities) zijn niet eindeloos beschikbaar. Die schaarste betekent dat alles wat bijvoorbeeld een zwarte vrouw gegeven wordt omdat ze een zwarte vrouw is (positieve discriminatie), afgenomen wordt van iemand anders, meestal een blanke man. Een praktijk die de Belgische haatspraakwetten toelaten en aanmoedigen.
| Categorieën |
|---|

Roan Asselman (1996) is analist, redacteur en Amerikacolumnist van Doorbraak. Hij concentreert zich op de impact van massamigratie op Europese natiestaten, de invulling van politieke rechten in het digitaal tijdperk en de ethische vraagstukken binnen de (bio)medische wetenschap. Roan is jurist en bio-ethicus (beide KUL) en behaalde een postgraduaat in het vermogensbeheer (EMS).
Econoom Peter De Keyzer fileert het Belgische status quo. ‘Er is geen enkel land dat meer te winnen heeft bij hervormingen dan België.’
Pete Hegseth duwt daar waar het pijn doet in Europa: op de gevolgen van de ongecontroleerde migratie en de verwaarlozing van Defensie.











