fbpx


Geen categorie

vzw Klimaatzaak: wanneer groene advocaten geld ruiken




Deze laatste dagen ben ik, gelukkig van op enige afstand, getuige van een weerzinwekkend schouwspel. Enkele Bekende Vlaamse Kameraden dagen alle overheden, de bevoegde en minder bevoegde, voor de rechter voor ‘klimaatnalatigheid’. Daags erna loopt een klimaatrealist in de door de VRT kundig opgezette val door in het programma Hautekiet in debat te gaan met één van de initiatiefnemers, waarna Mark Van de Voorde (ex-hoofdredacteur Kerk en Leven, ex-spindoctor CD&V) op de derde dag met een draak van een opiniestuk in De Morgen de discussie volledig saboteert. Een impressie van drie dagen argumentatie-armoede en irrationale waanzin.

1 december. De vzw Klimaatzaak laat in de Gentse Vooruit elf ‘toonaangevende persoonlijkheden uit de media en de wetenschap’ opdraven voor een interessant toneelstuk. Bedoeling van de vzw is blijkbaar om de overheden te dagvaarden voor ‘schuldig klimaatverzuim’. Nu, voor u lacherig doet over de eis ‘schuldig klimaatverzuim’: er bestaat wel degelijk zo’n rechtsfiguur in ons Belgisch recht, later meer daarover. Wie de website van de vzw bezoekt, krijgt verdacht weinig juridische informatie. Je kan een ‘volmacht’ geven om ‘mee te stappen’ in de eis, en je kan een aantal A4’tjes downloaden waarin summier diverse verdragsbepalingen en (grond)wetsartikelen worden geciteerd. Bij een wakkere jurist gaan dan enkele alarmbellen af: dit stinkt naar class action fishing.

Class actions als dusdanig voor klimaat- en milieu-gerelateerde zaken bestaan (nog) niet in onze rechtsorde, maar de praktijk van de collectieve claims bestaat wel degelijk. Vooral het woordje ‘volmacht’ moet onze aandacht wekken. Wat houdt dit precies in? In de VS, het land van de class actions, en waar gewiekste advocaat Roger Cox de mosterd haalde voor zijn klimaatzaak, sturen gespecialiseerde advocatenkantoren miljoenen brieven per jaar naar mensen waarin hen wordt aangepraat ‘slachtoffer’ te zijn van een bepaalde schade, waarna hen om een volmacht wordt gevraagd om in hun naam te vervolgen. Dat impliceert dat de mensen die toezeggen, heel weinig controle hebben over de zaak. Als de juristen achter vzw Klimaatzaak bijvoorbeeld een dading afsluiten met de overheid, hebben de volmachtgevers geen recht om die dading aan te vechten. Zij worden dus voor de kar gespannen van gewiekste advocaten die geld geroken hebben. En in de groene pot zit aardig wat centen. Het zijn uiteindelijk niet de slachtoffers die een vergoeding voor hun ‘schade’ bekomen, maar de advocaten, die met riante sommen aan de haal gaan. Zo maakte het beruchte advocatenkantoor Milberg Weiss miljarden dollars winst, door duizenden onwetende burgers te overtuigen dat ze een bepaalde schade hadden geleden, waarna ze dadingen afsloten met industrieën en overheden, en zowel de uitbetaalde som van de daging, als de erelonen van de cliënten, tot 1000 dollar per uur, opstreken.

Vaak zijn zulke collectieve rechtszaken nadelig voor de vermeende schadelijders. De zaken tegen Blockbuster en Nationwide Life Insurance Company ruïneerden zowel de geviseerde bedrijven als de ‘slachtoffers’. Blockbuster ging over kop na de dading, zonder dat de klanten van Blockbuster daartegen konden protesteren, en de klanten van Nationwide Life Insurance zagen hun verzekeringspremies noodgedwongen stijgen, omdat het advocatenkantoor dat de class action had ingesteld het bedrijf bijna in het faillissement had geduwd.

Meer in de lijn van wat vzw Klimaatzaak probeert te doen vinden we terug bij de zaak Comer v. Murphy Oil uit 2007, waarbij gewiekste advocaat Gerald Maples procedeerde tegen de hele Amerikaanse olie-industrie omwille van de klimaatverandering. De zaak draaide uit op een fiasco en Maples gaf schoorvoetend toe dat hij de zaak had aangespannen ter wille van de media-aandacht voor het klimaatprobleem en de (vermeende) grote bereidwilligheid van de erg solvabele oliebedrijven om met een dading over de brug te komen. De mensen die Maples hun volmacht hadden gegeven, verloren evenwel duizenden dollars elk aan honoraria.

Misschien nog frappanter is Smith v. Inco Limited, waarbij een nikkel-verwerkende fabriek werd gedaagd voor schade aan omliggende eigendommen en de fysieke integriteit van de omwonenden. In de jaren voorafgaand aan de class action had het advocatenkantoor miljoenen geïnvesteerd in een lastercampagne tegen Inco, en valse wetenschappelijke rapporten uitbracht die de schade moest bewijzen. Gevolg was een massale publieke hysterie die op haar beurt leidde tot een keldering van de waarde van de onroerende eigendommen. Het Court of Appeals oordeelde terecht dat de waardevermindering te wijten was aan de negatieve media-aandacht, en niet aan – de niet-bewezen – nikkelverontreiniging.

Kortom, gewiekste advocaten spelen graag in op de gevoelens van argeloze burgers. Gevoelens die hun kritisch vermogen al te vaak lijken te verhullen in een waas van publieke hysterie. Inderdaad, collectieve vorderingen geven nietsvermoedende eisers de indruk dat ze, zoals het collectief aankopen van loterijtickets, een grotere kans op winst hebben. Dit is helaas niet zo. Collectieve vorderingen zijn het geliefkoosde instrument van gewiekste advocaten die geld geroken hebben, en maar al te graag het gewicht van grote groepen nietsvermoedende mede-eisers in de juridische schaal werpen om, voor zichzelf wel te verstaan, riante vergoedingen binnen te rijven. De Klimaatzaak, en Roger Cox op de eerste plaats, hebben dat maar al te goed begrepen.

Van de progressieve medemens mogen we toch, in de geest van de ‘Kritische Theorie’, iets meer scepsis verwachten als ze door zulke gewiekste meesters van misleiding voor de kar worden gespannen?

Wat die progressieve medemens betreft, vallen nog een aantal zaken op. De voorbije twintig jaar horen we hen als doorwinterde onheilsprofeten razen dat het ‘vijf voor twaalf is’. Die vijf minuten lijken wel eeuwig te duren. Toen Al Gore in 2007 zijn Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst naam, voorspelde hij een ijsvrije Noordpool in 2014. Dat is er dus niet gekomen, integendeel. Toen was het ‘vijf voor twaalf’. Tijdens de grote klimaattop in Warschau in november 2013 was het volgens de actievoerders ‘tien na twaalf‘. Volgens Stijn Meuris is het op 1 december 2014 ‘zes na twaalf’. Zijn we er dan de volle vier minuten op vooruitgegaan? Hebben de inspanningen van onze overheden dan toch zichtbaar resultaat opgeleverd. Helaas. In haar verwoede pogingen om de revolutie uit te roepen, verpakt in pseudowetenschappelijk doemdenken, verslikt de linkerzijde zich in haar eigen beeldspraak.

‘We moeten NU handelen, anders is het te laat.’ Oké, maar die stelling houdt enkel steek als je erbij vermeldt wanneer het werkelijk te laat is. Wat is het tijdframe dat ons nog rest? Bovendien, als het ‘zes na twaalf’ is, is het toch te laat en kunnen we toch niks meer doen? ‘De overheden moeten meer inspanningen doen.’ Oké, maar zeg dan ook welke? En op welke manier kan een dwangsom of dading met Roger Cox onze insolvabele overheden eigenlijk nopen om de nodige inspanningen wel te leveren? Als de ecologisten hun sense of urgency kracht willen bijzetten en serieus genomen willen worden, moeten ze wel volledig zijn.

Ik concludeer met de schokkendste episode in dit wansmakelijk publiek debat: de column van Mark Van de Voorde in de De Morgen (3 december 2014). De man vindt het kennelijk ‘dwaas’ om de staat voor de rechter te dagen voor zijn beleid, en evoceert daarbij ‘de scheiding der machten’. Als ex-tekstschrijver van Leterme weet hij daar natuurlijk alles van, vraag maar aan Jan De Groof.

Ten eerste vermoedt Van de Voorde dat de klacht ‘waarschijnlijk onontvankelijk’ zal worden verklaard. Dat is nog maar de vraag. Sinds de wet van 31 januari 1994 voorziet onze grondwet in art. 23, 4° uitdrukkelijk in het recht om de overheid te dagvaarden voor een gebrekkige bescherming van een gezond leefmilieu. De grondwetsbepaling houdt in dat alle overheden van de Belgische federatie gehouden zijn tot de bescherming van een gezond leefmilieu. Dit artikel werd in de rechtspraak van het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, in twee arresten op 14 september 2006 (135/2006 en 137/2006) verfijnd. Concreet houdt het een standstill-verplichting in, d.w.z. dat een substantiële vermindering van het bestaande beschermingsniveau in 2006 (ook wanneer de niveaus in bepaalde gebieden erbarmelijk zijn) aanleiding kan geven tot een vordering voor de burgerlijke rechter, behalve wanneer die vermindering in het algemeen belang heeft plaatsgevonden. Bovendien – en dat kan in het nadeel van Cox spelen – betreft het slechts een inspanningsverbintenis in hoofde van de overheid: als de kwaliteit van het leefmilieu, ondanks voldoende inspanningen van de overheden, toch lijkt te zijn achteruitgegaan, is de overheid niet aansprakelijk. Cox en zijn BV’s zullen dus moeten aantonen dat de overheden, elk afzonderlijk, onvoldoende inspanningen hebben geleverd.

Het grootste gevaar voor Cox is evenwel dat er slechts op grond van concrete gevallen kan gevorderd worden wegens vermeende inbreuk op het standstill-beginsel van art. 23, 4° van de Grondwet. ‘De klimaatverandering’ in globo, die, in de woorden van Francesca Vanthielen, ‘alles omvat’, is wellicht niet specifiek genoeg om gegrond te worden verklaard.

Terug naar Van de Voorde. Opmerkelijk is zijn appèl aan de ‘scheiding der machten’, zoals omschreven in ‘l’Esprit des Lois’ van Montesquieu. De scheiding der machten van Montesquieu impliceert geen autonomie der machten. De drie machten staan niet los van elkaar. Integendeel, de drie machten beïnvloeden mekaar. Dat betekent concreet voor de rechterlijke macht dat burgers rechterlijke bescherming moeten kunnen inroepen tegen on(grond)wettig beleid. Volgens Van de Voorde is beleid een politieke keuze waar regeringen en parlementen over beslissen. Beleid is dus een dictaat dat de rechter moet toepassen. Van de Voorde doet er goed aan Montesquieu eens te herlezen. Zulke gedachtenkronkels zijn foutief en gevaarlijk. Eén van de primaire functies van onze rechterlijke macht is net de bescherming van de burger tegen beleidsdaden. Artikel 23, 4° van onze Grondwet is, tot spijt van wie het benijdt, daar een goed voorbeeld van. Wanneer de wetgevende en uitvoerende machten beleidsdaden stellen die de concrete staat van het leefmilieu voor een burger substantieel verminderen, en waarvan het algemeen belang niet afdoende kan worden aangetoond, kunnen zij de overheid voor de rechter dagen. Dit is niet meer dan een logische, zij het gewaagde, implicatie van het Flandria-arrest van 5 november 1920, waarmee ‘de cultus van de overheid’ werd opgeheven en, net als andere deelnemers aan het rechtsverkeer, aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Rechtspositivisten en onwetenden als Van de Voorde zullen de schouders ophalen en er ons op wijzen dat het overheidsbeleid per definitie in het algemeen belang is, en het dus niet moet worden verdedigd voor de burgerlijke rechtbank. Met deze boude stellingen stelt Van de Voorde meteen alle hogere rechtscolleges in vraag, tot het Europees Hof van de Rechten van de Mens toe. Ik wil er deze lui even aan herinneren dat in een rechtsstaat, zoals het woord zelf aangeeft, recht voor de staat komt.

Rechterlijke controle op overheidsbeleid staat volgens Van de Voorde gelijk met dictatuur. Nochtans is een dictatuur een systeem waarbij dictaten niet kunnen worden aangevochten voor de rechter. Alleen verpakt Van de Voorde dictaten waar hij zich niet aan stoort als ‘beleid’.

In de discussie van de voorbije dagen zijn dus enge dingen naar boven gekomen. Juridische cowboys die grof geld willen verdienen aan de groene gekte (zoals Serghe de Gheldere’s guru Al Gore en Rajendra Pachauri, die elk miljarden verdienden aan de emissiehandel) en commentatoren die de primaire taak van de rechterlijke macht, de bescherming van de burger tegen de overheid, openlijk aanvallen. Ik weet niet wat ik stuitender en gevaarlijker moet vinden.

 

Xavier Everaert is doctoraatsstudent in de rechtseconomie aan de Universiteit van Turijn.

 
 
(c) Reporters
 

Bronnen:

– Lexecon Inc. v. Milberg Weiss Bershad Hynes & Lerach, 523 U.S. 26, 1998.

– Nationwide Life Insurance Company v. Commonwealth Land Title Insurance Company, U.S. Court of Appeals for the Third Circuit, 579 F. 3d 304.

Smith v. Inco Ltd., 2011 ONCA 628 (CanLII), 107 OR (3d) 321, Court of Appeal of Ontario, 7 October 2011.

– Cass., 5 november 1920, Pas. 1920, I, 193, conclusie Procureur Generaal LECLERCQ.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Xavier Everaert