fbpx


Cultuur
Benno Barnard

Burgerlijke schemering

Dagboekaantekeningen (55)


burgerlijk

Dinsdag 21 september

De week is alweer als een bezetene aan het verstrijken; de kalender slaat wild zijn bladen om; morgen is de hoek van de aardas ten opzichte van de baan om de zon het grootst en roept de astronomie de herfst uit…
Maar wacht nu toch even! Laat ik eerst proberen gisteren te reconstrueren. (Mijn levenswerk bestaat tenslotte uit pogingen gisteren te reconstrueren.) Gisteren was het maandag. Weer: zonnig maar als het ware doordrongen van een subtiele weemoed, alsof Pomona in de appelboom zuchten slaakte omdat Vertumnus haar achternazat (ik druk mij niet meteorologisch uit). Tijdens het lichte deel van de dag zitten lezen in Somerset Maugham (later meer daarover) en gebladerd in het door mijn zus samengestelde fotoalbum (ze heeft ook voor ons een exemplaar laten drukken), dat een ware schatkist van nostalgische plaatjes is.
Met de verschuldigde eerbied begroette ik mijn beide grootvaders.
Mijn moeders vader, Herman van Malde, fabrikant, zit omstreeks 1935 op het strand in een uitklapbare houten dekstoel met een zitting van gestreept linnen; hij draagt een donker driedelig pak, dat er bepaald oncomfortabel uitziet als je in aanmerking neemt dat er op de foto ook badpakken liggen te zonnen, vooroorlogse hoeveelheden stof weliswaar, maar betrouwbare indicaties van de omgevingstemperatuur. Opa draagt een artistiekerige alpinopet, een tegen de stropdas eronder afstekend attribuut, zoals de nog niet brandende pijp tussen zijn vingers bijna spottend contrasteert met de genoegens van het baden. Hij kijkt mij ernstig aan, met een nauwelijks zichtbaar lachje rond zijn mond, alsof hij bezig is op het dek van een oceaanstomer weg te varen naar een transatlantisch Elysium: rijst daar tussen de duinen geen scheepsschoorsteen op, half aan het zicht onttrokken door de krijgslist van wuivend helmgras?
Mijn vaders vader, Hendrik Barnard, barbier, staat twintig jaar eerder voor een witte legertent. Tijdens de eerste oorlog is hij gemobiliseerd, maar ook in uniform oefent hij nog zijn beroep uit: op de grauwe foto houdt hij een kwast in zijn rechterhand en een kommetje met scheerschuim in zijn linker; naast hem zit een ingezeepte kameraad, wiens zwarte snor een brug vormt tussen de beide witte wangen, op het scheermes te wachten. Van het peloton zijn voorts aanwezig negen snorren, twee blote gezichten, twee kepi’s (waaronder zich twee officieren bevinden), vier veldmutsen, twee pijpen en een sigaret die pront uit een mondhoek naar voren steekt – een erectie die straks in rook opgaat.
Wat meteorologen de ‘burgerlijke schemering’ noemen begon gisteren om 6:55.
Omstreeks die tijd ontving ik een mail van Huub Beurskens, die schreef over een door hem in het Stedelijk Museum beleefd avontuur. Hij was in die kunsttempel om een tentoonstelling over expressionisme en kolonialisme te bekijken. De nodige Duitsers natuurlijk, Kirchner, Nolde; en in een kleine vitrine lag een exemplaar van Carl Einsteins boek Negerplastik uit 1915 (Einstein was een gezaghebbende Joodse schrijver en kunstcriticus, een pionier van de Afrikaanse kunst in Europa). Op de muur naast de vitrine hing een bijschrift dat beleefd aan het boek refereerde als ‘N-plastik’.
Hahaha! Ik kom niet meer bij.
Een klein avontuur, niets om over naar huis te schrijven? Groot genoeg om over naar mij te schrijven. Onder het vergrootglas van Huubs blik wriemelt die hoofdletter als een magisch ding, afkomstig uit de Oriënt van onze hersens, waar een wachter zijn zwaard trekt als je het waagt de naam Voldemort uit te spreken. Bepaalde woorden mogen niet uitgesproken worden – zij creëren een ongewenste werkelijkheid, ook als ze enkel uitgesproken worden om duidelijk te maken dat het ongewenste woorden zijn.
Carl Einstein, J, pleegde zelfmoord in 1940.


’s Avonds  

De zon ging gisteren onder om 19:02.
De curator van die tentoonstelling lijkt op de professor bij Schopenhauer, die een evidentie niet snapt omdat zij zo evident is. 

Donderdag 23 september

Ik heb een nieuwe ontmoeting met dokter Mohammed op de afdeling urologie van het ziekenhuis in Eastbourne, waar ik heen rijd – een uur vanuit Brede – om de uitslag van mijn prostaatbiopsie van 4 september te vernemen.
Eastbourne! Het is opnieuw een dag onder een blauwe lucht, en terwijl de badplaats almaar dichterbij komt, baart mijn hoofd een nest herinneringen aan de zomer van 2002, toen Joy tijdens de vakantie rijke Russische pubers Engels bijbracht op een van de vele talenscholen. Christopher en Anna waren net vier en brachten de ochtenduren in een geïmproviseerde kleuterklas door: een ordinair maar vriendelijk meisje (haar adem rook naar kauwgom) speelde op het grasveld naast de oude villa – waarvan de grote ramen het blauwe Kanaal kadreerden – spelletjes met de kleintjes en leidde ze een rotsachtig pad naar het strand af. ’s Middags maakten we tochtjes in het fonkelende groen van de South Downs, ontdekten dorpjes zo lieftallig dat ik er direct begon te wonen, pubs waar ik nooit meer nuchter hoefde te worden, en ook het kerkje van Berwick, waar Duncan Grant, Vanessa Bell en Quentin Bell tijdens de oorlog kleurrijke, enigszins kinderlijke fresco’s hadden geschilderd. Drie atheïsten: Bloomsbury dat God eerde… het had iets van een sofistische tennismatch.
Maar ik dwaal af, mijn beproefde methode om ter zake te komen.
Het komt hierop neer dat dokter Mohammed zei dat hij zich mij herinnerde en weldra begon te ouwehoeren over het mooie weer in zijn geboortestad Damascus. Ik onderbrak hem en zei dat ik me hem ook herinnerde: ‘Ik moet bekennen dat het niet mijn favoriete ervaring was. Mede omdat ik daar in mijn blote gat lag te converseren met twee verpleegsters.’
‘Dat is anders mijn idee van het paradijs,’ zei de geneesheer met een mij verbazende knipoog. ‘Twee vrouwen en je broek mogen uittrekken.’
Van de achttien stukjes weefsel bleken er twee kankercellen in het vroegst detecteerbare stadium te bevatten. Menigeen bevindt zich twee of drie decennia in die limbus – ik moet nu driemaandelijks de psa-waarden in mijn bloed laten controleren.
‘U klinkt alsof dat bloed van u blauw is.’ Ook deze opmerking verbaasde mij.
‘Dat zal ik maar als een compliment opvatten,’ zei ik. Zelf sprak hij Engels met een zware Arabische tongval, maar ik waardeerde zijn luchtigheid (in de hoop dat ik zijn diagnose goed had verstaan).
Nu zit ik in de zon bij The Cricketers’ Arms in Berwick. Ik vier mijn opluchting met een halve liter bitter en een sandwich. De tuin van de pub – fruitbomen op een grasveld, geestdriftig roodborstje boven mijn hoofd – is ook voor een man in zijn broek en zonder verpleegsters een gelukzalig oord.
Straks ga ik nog even kijken in het kerkje, waar God inmiddels met love tegen een paar miljard moet achterstaan.

Zaterdag

De routine – het ritueel – van Christophers wekelijkse voetbalwedstrijd heeft een gat geslagen in mijn week. Op naar Westfield dan maar, halverwege de provinciale weg naar Hastings. De plaatselijke club speelt in de zevenendertigste afdeling, op een sappig weiland met zwabberige kalklijnen; door een raam in een uit brandhout vervaardigd gebouwtje reikt een dochter van het Imperium mij thee aan: ‘Here you are, my love.’ Een blauwe kleurspoeling evoceert de golven die Brittannië beheerst en terwijl haar verschijning als zodanig mijn prostaat overbodig maakt, voel ik tegelijkertijd hoe ik, sinds mijn oudste herinnering verbonden met dit eigenaardige land, nimmer, nimmer, nimmer een tot slaaf gemaakte zal zijn!
Goed. Kalm nu maar. De ploegen betreden het veld, Westfield FC in groen en geel. De dertig aanwezige liefdes van de blauwgespoelde slurpen van hun thee en roepen ‘Hup Westfield!’ Het voetbal is best aardig om naar te kijken en vooral de linksbuiten van Westfield bevalt me, hij passeert met draaibewegingen als van een kurkentrekker drie of vier tegenstanders en legt de bal dan klaar voor een medespeler: een magere volksjongen met gemberkleurig haar en sproeten, waarschijnlijk Liam of Mason geheten, al is ook James of George denkbaar, een naam die hij in dat geval met koningen deelt, zodat de hogere klasse heel democratisch met de alleenstaande moeder boeleert – ‘Come and eat your fucking tea, George, I’m not asking again’ – in haar benauwde huisje, dat naar gefrituurd eten en erfelijke kansarmoede ruikt. Wanneer Liam zelf scoort, trekt hij het groen en geel over zijn hoofd en ontbloot de sterrenhemel van sproeten waarmee zijn bleke bovenlijf is bezaaid.
Eindstand: 6-1 of zoiets.
Verzadigd keer ik huiswaarts.
Mijn oudste herinnering, intussen, moet uit 1956 dateren en bestaat uit een reusachtige zwarte locomotief, die vettige, zwavelgele smog uitbraakt en blinkt alsof hij met schoensmeer is gepoetst: in het zwart-wit-geel-bruine plaatje komt een drijfstang, die ieder moment in neurotische stuipbewegingen kan losbarsten, steeds dichterbij – tot een grote hand de kinderwagen wegtrekt en mijn moeder me optilt, haar onderlip trilt en ze heeft enorme vochtige blauwe ogen…
Deze herinnering moet ik hebben samengesteld uit een uiterst vaag oerbeeld van een zwart ding en een bleke moeder, dat ik inderdaad voor me zie, en de anekdote die mijn ouders vertelden over de Engelse kinderwagen met de wielen zo groot als het voorwiel van een vélocipède: op Victoria liet mijn moeder me even los en in de drukte belandden de vooroorlogse fietswielen pardoes in de opening tussen het perron en de glanzende monsterbuik, zodat ik op tweejarige leeftijd bijna op de wijze van de dichter Emile Verhaeren aan een poëtisch-industrieel einde was gekomen.

Zondag

Pat Whateley – nooit gehuwd matriarchaal curiosum –  heeft twintig jaar geleden de velden achter haar huis gekocht om te vermijden dat een nihilistische projectontwikkelaar er iets deprimerends op ontwikkelde; dit monumentale besje, krom van de reumatiek, onderhoudt Pat’s Fields eigenhandig, maait paden, verwelkomt wandelaars en plant eiken in de stellige verwachting over een eeuwtje te kunnen genieten van het door haar geschapen droomlandschap. Ze wordt negentig en verwelkomt ons in de witte tent die tussen haar kleuterboompjes is neergezet. We feliciteren haar. Haar zilveren hoofd reikt nog tot mijn maag, die ik weldra zal vullen met een postuum stuk speenvarken, het tragisch rond zijn spit wentelende spleethoevige slachtoffer van het feestmaal. De zon schijnt. Het is goed – of althans een voordeel – mens te zijn.
Joy en ik komen tussen een paar buren te zitten. Eerst kletsen we over Pat in de jaren zestig, werkzaam op de Britse ambassade in Moskou. Iemand vertelt een anekdote die we nog niet kenden. In 1963 zou onze gastvrouw als spionne van MI6 zijn geïnfiltreerd in de KGB, een activiteit waartoe ze een liaison met een Rus was begonnen.
‘Ik dacht altijd dat ze lesbisch was,’ fluistert Joy.
‘Alleen mannelijke spionnen moeten echt geil zijn om niet door de mand te vallen,’ fluister ik terug.
‘Close your eyes and think of England,’ zegt de buurman, waarop hij zijn lippen tegen zijn wijnglas drukt om zijn lach te smoren.
Het gesprek neemt een paar wendingen, doet kort het Midden-Oosten aan en vervolgens de benzinestations in Hastings, waar geen benzine meer is te krijgen, een gevolg van het gebrek aan Oost-Europese tankwagenchauffeurs. Niemand windt zich erover op en het probleem wekt geen bijzonder verlangen naar hernieuwde aansluiting bij het verenigde Europa.
John spreekt een toast uit. De zon stooft de tent. Bij het spit kijk ik naar het lege, stilhangende karkas, en stel me het hart in de bruine ribbenkast voor, dat wild klopte toen de slager kwam; en ik hoor het gekrijs, gedempt door de inmiddels verstreken tijd, vermengd geraakt met het eeuwige klagen van de schepping dat de achtergrond van alle geluid vormt.

Dinsdag

William Somerset Maugham dus.
Zijn semi-autobiografische roman Of Human Bondage stond op mijn leeslijst: zeshonderd pagina’s over een jeugd in het late victoriaanse tijdvak en de jaren daarna (het boek dateert net als N-plastik van 1915). Een klassieke Bildungsroman, waarin de wees Philip, negen jaar oud, in de pastorie van zijn kinderloze oom en tante belandt – het achterdoek is het fictieve Kentse vissersdorp Blackstable (ook de schrijver was wees en groeide op in een pastorie in Whitstable), waar zijn oom de straat oversteekt als hij methodisten of andere apostaten tegenkomt.
Philips leven is tamelijk regenachtig: de volwassenen weten zich geen raad met een kind; op school wordt hij gepest met zijn horrelvoet (de schrijver stotterde); een kille variant van de anglicaanse godsdienst hangt als een somber zwerk boven zijn dagen, tot hij zich rond zijn achttiende, in een pension in Heidelberg, waar hij verblijft om Duits te leren, losmaakt van de religie en op zoek gaat naar het geluk, dat zoals bekend daar is waar jij niet bent.
Ik ben gevorderd tot pagina 150, maar ik weet hoe het boek eindigt: met een verloving (Somerset Maugham was homoseksueel: pas twee jaar na zijn dood in 1965 zou die afgrijselijke wet die seks tussen mannen strafbaar stelde worden afgeschaft) en met het inzicht dat het eenvoudigste patroon – waarin een mens geboren wordt, werkt, trouwt, kinderen krijgt en sterft – vermoedelijk het meest volmaakte is. Deze epifanie doet Philip besluiten niet langer op het geluk te jagen, dat fladdert toch maar levenslang voor je naar de glinsterende lucht happende vlindernet uit…
Literair is het niet het meest beklijvende proza, maar voor de geschiedenisliefhebber is het een genot. Somerset Maugham beschrijft de pastorie, de school, het pension, hij citeert victoriaanse Engelsen en wilhelminische Duitsers, en zijn zin voor realisme maakt dat Of Human Bondage sinds 1915 van een roman tot een historisch document is verschoten.

’s Avonds (Sammie slaakt piepgeluidjes in haar slaap)

De dingen van vroeger roepen de stemmen van de doden op en halen het jongere zelf van de levenden te voorschijn vanonder het stof dat gestaag op ons neerdaalt.
Ik kijk naar de zwart-witte keuken in de pastorie van mijn Rozendaalse kindertijd, vereeuwigd in het album van mijn zus. Achter de openslaande deuren naar de tuin zie ik schimmige bomen onder een vracht licht – dat is sneeuw, ook de vlakte tot aan de haag is wit. De koperen handgreep van de spanjolet steekt in een hoek van 45° tegen het bevroren gras af; wekelijks poetst de hulp, die Martha heet en van de Drentse heide afkomstig is (bij dat geografische detail stel ik me de plaggenhut uit mijn geschiedenisboek voor), de beginnende groene aanslag weg: nu produceert de handgreep vage, grillige weerkaatsingen en hoor ik de mezzosopraan van mijn moeder zeggen dat een keuken te vochtig is voor koper.
Onze keuken is kosmopolitisch: voor de gesloten tuindeuren staat het zeventiende-eeuwse Franse klaptafeltje van kersenhout – het tafeltje met het vraagteken – en om die cirkel heen, als schildknapen die op Arthur en zijn ridders wachten, staan de vier Hollandse stoelen met hun rieten zitting.
Boven de tafel hangt aan zijn kettingen van messing de grote olielamp, in het hart waarvan mijn vader ’s winters voor het avondeten een lucifer bij de met olie doordrenkte katoenen wiek houdt: een roeterige vlam wekt het witte melkglas van de kap tot leven en de eerste zwarte vegen beginnen zich af te tekenen, als regenwolken tegen een heldere hemel. Ook deze lichtbron poetst Martha met een ijver alsof ze de djinn van Aladin probeert op te roepen. De lamp en haar rituelen verzoenen de donkere achterkamer uit mijn vaders jongensjaren met de warme weelde van mijn moeders meisjesjaren – de lucifer in de hand van mijn vader brengt dat wonder tot stand. ‘Pokkeding om aan te steken, joh,’ zegt hij voor de grap met een Rotterdams accent.
Dag vader. Dag moeder. Dag tafel onder de lastige olielamp.

Woensdag

Iemand stuurt mij een interview uit Der Spiegel met de nu honderdjarige documentairemaker en journalist George Stefan Troller, een Weense Jood die in 1941 bij toeval aan de nazi’s wist te ontkomen.
Het tijdschrift stelt hem vragen over zijn identiteit en over ‘Heimat’ – en het is alsof die stokoude stem dwars door mij heen fluistert:
‘Thuis is daar waar je voor het eerst als kind dingen een naam gegeven hebt of ervaren hebt dat de dingen een naam hebben. Bij het begin van je leven ben je immers uitsluitend door gevoelens met de dingen verbonden, en pas daarna heet de kast “kast” en de stoel “stoel”. En daarmee is de dingen ook het gevaarlijke van het vreemdzijn ontnomen. Nu behoren ze je toe. Dat is het begin van het thuisgevoel. Ik kan me goed voelen in gezelschap van de stoel en de kast, want ze zijn van mij. Dat is thuis, en het laat zich niet nabootsen, later, nadat je zestig jaar in een ander land hebt gewoond. Maar  een verloren thuis is altijd vruchtbaarder dan een thuis waar je thuis bent.’

Tijdens het avondeten

Die laatste glanzende formule van Troller – ‘Eine verlorene Heimat ist immer fruchtbarer als eine gehabte Heimat’ – is ook een mes dat het wandelende J-woord in zijn eigen rug steekt.

Vrijdag 31 september

Het hemelse septemberweer duurt voort in oktober.

Zaterdag 32 september

De isothermen en isobaren doen wat van hen verlangd wordt. De dag klampt zich aan de meteorologie van de voorbije maand vast.

 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Benno Barnard