fbpx


Cultuur

Dagboek van een middeleeuwer

Dagboekaantekeningen (79)



Woensdag 14 december De vertegenwoordigers van immorele en verwerpelijke opvattingen staren ons vanaf hun sokkels aan. Omdat we de ideeën zelf niet kunnen straffen, straffen we hun effigie; we vergruizelen het marmer en bekladden het brons, zoals de middeleeuwers de beelden van heiligen met het gezicht naar de muur zetten wanneer de oogst mislukte. Maar ik bepleit juist als verlicht mens de verticale democratie en sta erop ook die zoon van de achttiende eeuw met aandelen in de slavenhandel eens…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Woensdag 14 december

De vertegenwoordigers van immorele en verwerpelijke opvattingen staren ons vanaf hun sokkels aan. Omdat we de ideeën zelf niet kunnen straffen, straffen we hun effigie; we vergruizelen het marmer en bekladden het brons, zoals de middeleeuwers de beelden van heiligen met het gezicht naar de muur zetten wanneer de oogst mislukte. Maar ik bepleit juist als verlicht mens de verticale democratie en sta erop ook die zoon van de achttiende eeuw met aandelen in de slavenhandel eens naar zijn mening te vragen. Hij wijst me op het bloed waarin de economie mijn handen onderdompelt. De middeleeuwers op hun beurt vinden ons barbaren die niet eens de Maagd vereren.

18 december (derde zondag van advent)

Het is vandaag zes jaar geleden dat onze door de wereld dwalende Anna stierf. Haar naam wordt genoemd in de voorbeden (dat doet Julian de tuinman). In alles wat ik sinds 2016 heb geschreven speelt ze een bepalende rol, ook al is ze nauwelijks zichtbaar. Dat is in mijn dagelijks leven net zo.

Dinsdag

Ik schrijf een ‘in memoriam Jeroen Brouwers’ op verzoek van een weekblad.
Laat ik me niet bezondigen aan heiligenverering. Weg met de hagiografie; onheilig, zowel hij als ik…
Jeroen Brouwers en ik waren intiem bevriend, maar toen hij op 11 mei 2022 stierf, een oude man inmiddels, hadden wij elkaar al een jaar of wat niet meer gezien of gesproken. Als ik door de telescoop van de geschiedenis naar de oorzaak van onze onmin speur, valt die bijna niet meer te ontwaren — iets met een schenking van zijn brieven aan het literair museum. Tijdens onze brouille wisselden we een paar diplomatieke boodschappen, die vijandig noch hartelijk waren. Toen Anna stierf, schreef hij mij een rouwbetuiging, die eindigde met de woorden: ‘Wees statig in je verdriet’.

Statig — dat was zo’n typisch Jeroenwoord. Ik moest erom lachen, voor zover dat rond Kerstmis 2016 mogelijk was. Hoe deed je dat, statig zijn in je verdriet? In zwart pak en met een hoge hoed op door het dorp schrijden en met droge ogen het rouwbeklag van je dorpsgenoten in ontvangst nemen? Evengoed was ik hem dankbaar voor die brief.

Ook hij had een kind verloren, zijn oudste zoon, Daan. Zijn verdriet daarover verborg hij, maar ik weet dat hij op zijn knieën Daan om vergiffenis heeft gesmeekt — hij was een slechte vader geweest, vond hij zelf. Dit alles vertelde hij me na een fles jenever en het typeert zijn rare, paradoxale karakter: charmant, hard, wrokkig, onstuimig, sentimenteel. Een man wiens hart een steen was die week werd wanneer hij Orpheus hoorde zingen, alleen was hij zelf Orpheus.

Luide akoestiek omringde hem, retoriek, brede gebaren, omhelzingen, geruzie, maar het was de drukte van een overgevoelige. Heel zijn werk, niet enkel die ene titel, was een kroniek van zijn karakter: één deel polemiek, één deel lyriek, soms ook polemische lyriek of lyrische polemiek — leest u bijvoorbeeld maar wat hij over zijn moeder schrijft in Bezonken rood.

Was hij overigens een goeie polemist? Volgens Arnon Grunberg niet; die schreef: ‘Is dit een polemiek, dan is elke dominee een begenadigd polemist.’ Grunberg bezondigt zich hier aan lui en ijdel gebruik van het woord dominee, wat mijn eigen overgevoeligheid prikkelt: ik ben namelijk een domineeszoon (Duitse filosofen zijn dat ook) en Grunbergs dominees zijn louter redekunstige exemplaren.

Zonder te willen psychologiseren — alsjeblieft zeg, ik ben de antichrist van de psychologie, de psychologie drijft de westerse wereld naar rand van de afgrond — zeg ik u dat de polemieken van Jeroen uitingen waren van een nooit werkelijk genezen, altijd weer schrijnende, uit zijn kindertijd stammende wond. Al zijn polemieken zijn samen te vatten in een paar woorden uit Bezonken Rood: ‘Naar de hel met haar. Ik bedoel: naar de hel met alle moeders.’

Zijn literaire polemieken zeiden precies hetzelfde: ‘Slechte schrijvers, jullie zijn bedriegers, jullie laten mij en de literatuur in de steek, net zoals mijn moeder dat ooit heeft gedaan toen ze me in een kostschool opsloot. Naar de hel met jullie.’

In mij waardeerde hij het verwante drukke karakter en hij zag dat ik als gezel van de meester — ik was begin dertig toen ik hem leerde kennen, hij al een gevestigd romancier — wel iets beloofde. Ja, ik durf wel te zeggen dat Jeroen mijn prozastijl bewonderde; tegelijkertijd verklaarde hij niets van poëzie te begrijpen, wat hem er dan weer niet van afhield ooit een brief vol lofprijzing aan mijn vader te sturen (niet de dominee, maar de dichter); hij was hem diep dankbaar voor die brief. En Jeroen zou zeer zeker de opvatting van Flaubert hebben beaamd dat een prozaregel even onveranderbaar moet zijn als een versregel.

’s Avonds (vervolg)

Vrienden? Collega’s? Hoe vaak ben ik door anderen niet zijn leerling genoemd! Zijn werk — vooral het vroege werk — was uitgesproken verslavend voor de taalgevoelige, romantische aspirant-schrijver, alsof er een bedwelmende rook uit opsteeg, iets als de hallucinaties uit de rotsspleet in Delphi…

Denkend aan Jeroen zie ik die geweldige kop weer voor me, het struweel van zijn wenkbrauwen, die borende blauwe ogen; ik hoor dat gehijg en gesnuif weer. Ik voel die imposante buik bij onze omhelzing… En ik denk: een beer. Dat was zijn totemdier. Met die consonanten begint zijn achternaam. En het vormt een etymologische band met mijn eigen achternaam, waarvan de eerste lettergreep een oud-Germaanse vorm van ‘beer’ is.

De getemde beer was niets voor hem, hij had een afkeer van Heer Bommel. Als beer kon hij zich nogal ongelikt gedragen; ook mij is dat niet vreemd; zo raakte onze vriendschap op een gegeven moment dus vertroebeld. Maar Jeroen kreeg spijt van onze ruzie en liet mij via een derde vriend weten dat hij de vriendschap graag wilde herstellen. Of ik maar contact met hem wilde opnemen. Ik schreef hem dat ik niet begreep waarom hij geen contact met mij opnam. Koppigheid was een van de karaktertrekken die bij ons allebei was ingeplant. En zo werd het weer stil tussen ons.

De beer intussen, de solitaire brompot, was het geliefkoosde totemdier van Flaubert. Hebt u ooit de talloze gelijkenissen tussen Jeroen en Gustave tot u laten doordringen? Brompot, polemist, briefschrijver (genre: epistolair bezetene), liefhebber van scabreuze grappen. De voorkeur voor isolement: het Croisset van Jeroen was een illegaal neergezet buitenhuisje in een bos in Zutendaal (tegen het einde van zijn leven pestte de kleinburgerlijke Vlaamse politiek hem daar weg, ook al was de bouwovertreding niet door hem begaan). Wat nog meer. Obsessie met de moederfiguur, zij het dat Gustave dol was op zijn moeder. Gezet. Ziekelijk: epilepsie in het geval van Gustave (later ook syfilis), kortademigheid in het geval van Jeroen.

Aan een operatie hield hij een gat ter hoogte van zijn adamsappel over, waarin een plastic pijpje paste: het leek alsof zijn aamborstige gepiep hem langs die weg verliet. Toen ik dat gat ooit ‘symbolisch’ noemde, zei hij: ‘Typisch een dichter. Wat symboliseert het dan?’ Niets misschien. Of wat u maar wil. Zijn debuut heette Het mes op de keel.

Een meermaals getrouwde Gustave — dat is misschien het meest opvallende verschil.
Stijl — laten we het daar nog even over hebben. Al mijn literaire helden zijn grote stilisten, Nabokov, Roth, Schulz, Flaubert, Tsjechov, Ozick, Brouwers. Stijl redt deze epische gestalten van de hen omringende stompzinnigheid. Ik gebruik met opzet dat ‘stompzinnigheid’ (ik gebruik ieder woord met opzet) omdat Flaubert het zo graag gebruikte. Natuurlijk, beslist, wat u zegt, voor Flaubert was stijl een functie van zijn onderwerp, de specifieke schrijfstijl van een roman vloeide voort uit de stof; Jeroen daarentegen was een monogrammatische stilist, hij zette met een klap zijn initialen als een onmiskenbaar stempel op iedere tekst die hij afleverde, van een kattenbelletje tot Cliënt E. Busken.
In die laatste roman, zult u tegenwerpen, bepaalt het onderwerp toch juist de stijl? Jazeker, maar evengoed heeft dat Nederlands alle kenmerken van het onverwisselbare hogere gepriegel van deze horlogemaker, een ambacht waarmee hij ooit in een brief aan mij de stilistische perfectieneurose vergeleek.

Ik heb als onheilige veel van de onheilige Jeroen gehouden en zijn dood herinnerde mij aan onze dwaasheid. Ruzie! Ik mag wel zeggen — in de geest van Gombrowicz over Bruno Schulz — dat ik in mijn trieste literaire leven veel smerigs heb ondervonden, maar dat Jeroen een van de weinigen was die mij overlaadden met geschenken. En dat onze ruzie stompzinnig was.

Een paar dagen na 11 mei vorig jaar ontving ik een bericht van Gwennie, zijn weduwe. ‘Het is erg jammer dat jullie de voorbije jaren gebrouilleerd raakten’, schreef ze, ‘maar weet dat Jeroen niet boos meer was. “Benno en ik hebben maar vijf minuten nodig om alles uit te praten, dan is het klaar.” Dat heb ik hem een paar keer horen zeggen wanneer er bezoek was en je ter sprake kwam.’
Aldus werd onze vriendschap hersteld.
‘Ik hoop,’ voegde ze eraan toe, ‘dat het een beetje gaat met jou en je gezin. In de aanloop naar Kerst dwalen jullie ieder jaar door mijn hoofd.’

Vrijdag

Op stap met Gary, Duncan en nog een paar andere vrienden: we wandelen in de knarsende sneeuw door het dorp en zingen kerstliederen onder de vurig fonkelende sterren in de extreem zwarte nachthemel — een dickensiaans universum omvat ons. We zingen in Roselands, het bejaardentehuis, waar een broze dame van streek is en naar haar dode man vraagt, maar wij jubelen ‘Gloria in Excelsis Deo’ in deze kokend heet gestookte antichambre van de dood… En nu komen de Dysons naar buiten, gevolgd door hun kleinkinderen uit Australië: de hele familie zingt mee, en boven ons hoofd strekt de nachthemel zich uit tot aan de rand van de kosmos, de nachtelijke zonnen priemen met atomair geweld hun licht door dat sublieme zwarte fond, de vorst kraakt… Zenuwachtig zoekt Dickens naar onzachte woorden om dit alles te beschrijven.

Kerstnacht

De sneeuw is weggesmolten. Joy wilde geen kerstboom, nu Christopher en Hayley in Colorado bij haar ouders zijn; ze heeft een kerstkrans aan de woonkamerdeur opgehangen.
We luisteren naar dat kinderlijke verhaal van Lucas. Mattheüs schrijft iets heel anders, over de eerbare Jozef die zijn verloofde niet te schande wil maken. Het is bepaald postmodern, zoals die twee elkaar tegenspreken! En terwijl het intellect aan het redeneren is, wordt het kind achter zijn rug geboren.

Tweede Kerstdag (Boxing Day)

Max Baillie is een violist uit Hastings, jaar of dertig, krullen, grijns, veel talent in veel vingers… In Christ Church speelt hij de triosonate in G van Händel en het eerste pianotrio van Sjostakovitsj uit 1923. De symfonieën van Sjostakovitsj klinken in mijn oren als woedend gekrab en geblaas uit een fabriekshal, dus ik verwacht niets van dit werkje, dat hij schreef als adolescent (hij was van 1906). Maar het bevalt me, cello, piano en Max begeleiden een onzichtbare stomme film, melodieus, jazzy, atonaal, opnieuw melodieus, het bevalt me, het bevalt me zowaar…

Pauze. Geklets met bekenden onder het absurd hoge gewelf. Dan het welbekende eerste pianotrio van Mendelssohn, opus 49. Kom op, maestro! Je moet die pianiste en die celliste bijbenen!

Dat trio… wat een verrukkelijk getingel en gefiedel, uitgevoerd door drie mooie jonge mensen! Het is muziek om verliefd te worden op een prostituee die je syfilis geeft. Wanneer het applaus verstomd is en het geklets weer begint, probeer ik me de afschuw voor te stellen die ons soort vermaaksmuziek in 1839 zou hebben gewekt.

Dinsdag

Nu komt Céline mijn Biedermeier verstoren… Ik lees zijn Voyage au bout de la nuit (het Frans en de vertaling naast elkaar). Het leven is een lange nacht en de schrijver is een jongetje van vijf dat graag vieze woorden gebruikt. Maar de eerste tweehonderd pagina’s — over de Grande Guerre, koloniaal Afrika en New York — zijn overdonderend.

Vrijdag 30 december

De laatste vierhonderd pagina’s Céline. Bewondering die in verveling omslaat. Een grote fles barbituraat.

Nieuwjaar (zondag)

Zoom met Christopher en Hayley bij haar ouders in Colorado. Achter hun rug heeft de sneeuw zich romantisch opgehoopt in de tuin; daarachter de grijsgroene woestenij van de Rocky Mountains, gearceerd door sparren. Mijn ernstige zoon contrasteert de vrolijkheid met frontberichten: een vriend van hem vecht in Donetsk en stuurt hem beelden van een uitgebrand dorp.

Dinsdag

Ik lees in een opiniestuk in een linkse krant dat Poetins oorlog niet onbegrijpelijk is, gezien het ‘neonazisme’ van de Oekraïners. Internet heeft de rol van de heilige teksten overgenomen: elke ketter vindt in die oneindige Bijbel wel zijn letter. Had u deze analogie al opgemerkt?

Woensdag

Ik acht mezelf ongeschikt om commentaar te leveren op de politiek, al heb ik me daar vroeger wel aan bezondigd. Waar komt toch dat bespottelijke idee vandaan dat de ‘geëngageerde schrijver’ een wenselijk verschijnsel is en onder zijns gelijken een moreel superieur fenotype?
Engagement. U wilt engagement. Wat dacht u van onze arme moedertaal? Op die schans wil ik wel springen met de sabel van mijn woordenschat en het borstkuras van mijn zinsbouw!

Zaterdag

Angstdroom.
Ik ben in Brussel, in een schemerige omgeving die ik als de Jachtlaan herken — ik zou de hoek kunnen aanwijzen. Niet ver daarvandaan heb ik in de vroege jaren tachtig op verschillende adressen gewoond. Ik hurk op de stoep, bij een zinken vuilnisbak uit mijn kindertijd. Er rijden auto’s voorbij, maar ik zie geen enkele voetganger. De schemering rond de oranje straatverlichting wordt snel dichter: de duivel is de nacht aan het breien, met gloeiende naalden en knotten duisternis. Nu is de laatste straatlantaren uitgedoofd. Ik wil naar de overkant, want daar om de hoek (besef ik) is het appartement waar ik verwacht word. Ik begin over de weg te kruipen, op mijn knieën, over sadistisch asfalt, en bereik met rauwe handen de tegenoverliggende stoep, waar een zinken vuilnisbak een bleek licht zonder oorsprong weerkaatst. Dan verandert de stoep in het bed, waar ik tegenaan blijk te leunen, op de grond gezeten, hijgend, zwetend.
‘Je was nogal verward,’ zegt Joy later.

Dinsdag 10 januari

Eind deze maand verschijnt Afscheid van de handkus, mijn meest omvangrijke en persoonlijke boek, een dagboek dat gaandeweg in een roman verandert…  Jullie daar! Zien jullie dat de nostalgie in dit morfologische experiment het verstrijken van mijn eigen leven betreft? Dat het ware hoofdpersonage in beide boekdelen Anna is… dat ik jullie mijn stijl opdis als een antidotum tegen de dood?

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.