fbpx


Cultuur, Religie

De plastic hamer

dagboekaantekeningen (19)


Eckermann, Freud, Nietzsche, kies maar uit

5 april 1792 Belle van Zuylen in een brief: ‘Kon het gezond verstand maar in de mode komen! Dat zou de gelukkigste mode zijn die ooit bij de mensen ingevoerd werd.’ Wat je zegt, kind. Weldra hakken ze in Parijs op industriële schaal gezond verstand af; ik stel me zo voor dat ikzelf, was dat lot mij beschoren geweest, in de kar naar het schavot had zitten lezen in Het ogenspel van Elias Canetti, het derde deel van zijn memoires,…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


5 april 1792

Belle van Zuylen in een brief: ‘Kon het gezond verstand maar in de mode komen! Dat zou de gelukkigste mode zijn die ooit bij de mensen ingevoerd werd.’

Wat je zegt, kind. Weldra hakken ze in Parijs op industriële schaal gezond verstand af; ik stel me zo voor dat ikzelf, was dat lot mij beschoren geweest, in de kar naar het schavot had zitten lezen in Het ogenspel van Elias Canetti, het derde deel van zijn memoires, over de jaren dertig, wanneer het bloed in Duitsland al begint te stromen, alvorens onder het hoog boven mij in de zon blikkerende mes een vouwtje te maken in de pagina waar ik gebleven was.

In mijn tijd, Belle, zou je maar een krant hoeven op te slaan om te ontdekken dat de nuchterheid geheel en al uit de mode is; onder de halve intellectuelen die de pers domineren heerst de mode van de angstvallig nagebootste opinie – het behaagziek heupwiegen in een gewaagd kledingstuk is vervangen door het in de pas lopen in confectie.

5 april 2020 (acht uur ‘s avonds, BBC, glas whisky in de hand)

Elisabeth II richt zich gedurende enige minuten tot de natie. Wat ze zegt vertoont in zoverre gelijkenis met een lyrisch gedicht, dat de inhoud conventioneel is – gezamenlijk zullen we de vijand verslaan, verricht rustig uw plicht, lijk zoveel mogelijk op mij – maar de vorm geheel eigen. Wanneer ze met die stem als een kalme kerkklok haar slotwoorden heeft uitgesproken, ‘until we meet again’, blijft het volk ontroerd en gerustgesteld achter. Mama heeft gesproken.

Zo zit dat dus met de mythe: we aanvaarden dat er iemand boven ons is geplaatst, een besje op een te grote stoel, met een metalen hoed die haar niet tegen de regen beschermt, en hoewel we stoel noch hoed zien, weten dat de tot een persoon verdichte geschiedenis ons toespreekt. Het is van een vrome krankzinnigheid: de mythe is eeuwig en drieënnegentig, bovenmenselijk en in haar ouderdomskromming één meter vijftig.

Ik hef het glas op haar gezondheid.

‘s Nachts

Tijdens een audiëntie neem ik de vrijheid haar te vertellen dat de meest voorkomende droom in Engeland theedrinken met haar is. We drinken thee. Ze spreekt uitstekend Nederlands.

Maandag 6 april

Hayley is haar paspoort kwijt, zodat ze nu helemaal niet meer terug kan naar Amerika. Geruzie met het matriarchaat in Colorado; ze wordt door deze tegenkanting steeds sterker, haar moeder perst haar als het ware nogmaals het leven in, ditmaal het volwassen leven.

Zou Freud ook het freudiaans verliezen van iets hebben voorzien, een voorwerp dat uit je zak valt zoals een woord uit je mond?

Lunch

Het handenwassen neurotiseert me. Ik was mijn handen en zet koffie, maar het koffiezetapparaat wordt door iedereen gebruikt, en Joy is vanmorgen naar de winkel geweest en heeft daarna koffie gezet, dus er kan een virusspoor op het kunststoffen oppervlak zijn achtergebleven, zodat ik opnieuw mijn handen was, maar daarnet heb ik zelf met de handen die het koffiezetapparaat hebben aangeraakt de kraan opengedraaid, op het metaal waarvan een virusspoor zou kunnen zijn achtergebleven, dat weer op mijn handen zou kunnen belanden wanneer ik de kraan dichtdraai, zodat ik nogmaals mijn handen moet wassen… en wanneer deze paradox is opgelost moet ik de deur van de koelkast opendoen, waarop Joy een virusspoor zou kunnen hebben achtergelaten, zodat ik alvorens de melkfles te pakken mijn handen nog een keer moet wassen, maar die fles heeft zij ook, enzovoort, ad infinitum

Het virus is alomtegenwoordig en onzichtbaar. Er is een theologie van het virus denkbaar.

26 september 2002

Ik lees Anna en Christopher een boek voor over een konijn dat een ander beest wil zijn, maar zich als beer verveelt tijdens de winterslaap en als vogel hoofdpijn krijgt van het vallen. (Deze losse aantekening vind ik op een papiertje in een la vol troep terug.)

Dinsdag

Een psycholoog wil ons ‘tools’ geven om in ons kippenhok met onze gevoelens om te kunnen gaan, bijvoorbeeld wanneer iemand die we kennen gestorven is.

Krijgen we van de mensenvriend dan een schroevendraaier aangereikt? Of een hamer om de dood de hersens mee in te slaan?
‘Het is namelijk heel belangrijk om het rouwproces in gang te zetten.’

Psychologen zijn de humanitair bewogen dieven van onze rouw. Ik walg van hun menslievendheid. Met een pastoor kun je bakkeleien over de theodicee en het bestaan van de goede God, maar de flauwekul die aan onze overbevolkte faculteiten psychologie over onnozele twintigjarigen wordt uitgestort resulteert in temerige praatjes, te slap voor een behoorlijke discussie. Van de pastoor krijg je God, van de psycholoog een tool – geef mij maar God. Werkt ook niet maar heeft tenminste muziek en schilderijen in zijn praktijkruimte.

Later

Pedagogen, nog zo’n ras.
Volgens een van hen – lees ik in een Engelse krant – moet je een kleuter die je met een plastic hamer op je hoofd timmert niet bestraffend toespreken maar feliciteren wanneer hij ermee ophoudt, ‘ook al druist dat tegen je intuïtie in’.

Zo moet je het executiepeloton gelukwensen wanneer het ophoudt met schieten.

Woensdag 8 april

Janet, nu alweer vele jaren weduwe, geestig, warrig, vergeetachtig, stralend, troont in haar huiskamer als een vorstin. Ze lijkt een beetje op wijlen mijn moeder, ze lijkt ook een beetje op koningin Elisabeth.

In Rye was ze onze buurvrouw; ze ontpopte zich als de grootmoeder die onze kinderen misten. Toen ze een jaar of drie geleden haar heup brak, zorgde Joy ervoor dat ze een traplift kreeg. We bezoeken haar om de week: we tikken tegen de ruit, waarachter we haar kleine voeten en haar neuspunt uit haar diepe, met intens Engelse bloemetjesstof beklede leunstoel zien steken, en het is of we met die simpele handeling een sneeuwbol ondersteboven houden – nauwelijks zijn we binnen of de anekdotes en lachjes van die naar ons over gebogen één meter vijftig dwarrelen door de kamer. De conversatie gaat over de ditjes van haarzelf en de datjes van het stadje, waar we nog altijd de nodig mensen kennen; ook haar dode man is aanwezig, ze is altijd met hem in gesprek gebleven. Ik zet thee voor haar en ons, terwijl Joy op een krukje aan Janets voetjes zit; ik schenk in en ze zegt: ‘Dat is alweer veel te lang geleden! David informeerde vanmorgen nog naar jullie.’

Vorige week probeerde ik een paar keer Janet aan de lijn te krijgen, maar ze nam niet op. Ik liet een bericht op haar antwoordapparaat achter, maar ze belde niet terug. Joy voelde zich schuldig vanuit onze quarantaine: ‘Die arme ziel zit op ons te wachten.’

Vandaag – een halfuur geleden – bel ik iemand die iemand anders kent die Janet kent. Ik belde de iemand anders. ‘Och,’ zei ze, ‘weet u het dan niet.’

‘s Avonds (we hebben een kaars voor Janet aangestoken)

De kaarsvlam consumeert de kaars. Het donker eet de tuin op. De tijd nuttigt mensenvlees.

Witte Donderdag (klinkt als een exotisch dier)

Freud is hetzelfde overkomen als God; maar net wanneer ik wil uitroepen dat we niet meer in kwakzalvers geloven, staat de anti-vaccinatiebeweging op.

Goede Vrijdag (gezelschap op een onbewoond eiland)

Dat zachte geritsel ben ik die mijn krant lees. Wat lees ik? Ik lees een opiniestuk. Het opiniestuk is het hemd van de gemiddeld denkende mens; uit de mouw ervan komt gewoonlijk een aap. ‘Wat schattig, een aap!’ roepen de lezers, ook al is het een aap van dezelfde rots als de vorige aap – zo kun je verklaren waarom alle weldenkenden gewoonlijk hetzelfde denken.

Volgens de moraalfilosoof Patrick Loobuyck is het vanuit seculier perspectief onbegrijpelijk dat mensen inzake corona (of welk natuurramp dan ook) in de teleologie van de natuur geloven denken, alsof het virus een bedoeling zou hebben, bijvoorbeeld dat het ons wil waarschuwen voor de gevolgen van het kapitalisme, vliegvakanties of het nuttigen van biefstukken.

Welnu, Patrick, dat is heel inzichtelijk voor een moraalfilosoof die uit vlees, bloed en postkatholicisme is samengesteld. Wat denk je, meent de simpele christenziel daarentegen dat zo’n pandemie een bedoeling openbaart? God is boos en stuurt een virus? Maar waarom zou de wetenschap wel recht hebben op de Verlichting en het geloof niet?

In bed

Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken…

Het gevolg is onder meer dat mijn zus en zwager niet naar hun stacaravan bij St Ives kunnen, waar ze anders hun zomer doorbrengen. Vanaf het kampeerterrein is het een paar honderd meter naar de verticale klippen waarachter de leegte boven de zee gaapt.

Mijn moeder, die tijdens de oorlog onderwijzeres op een lagere school was, vertelde me ooit dat de Duitsers het kinderliedje waaruit die regel afkomstig is verboden hadden. En dat het nazisme daarom niet levensvatbaar was.
Dat leek mij sterk. De fundamentele betekenis van de kinderachtigheid drong niet tot mij door. Die regel was toch maar een prulletje uit haar burgerlijke salon?

Tot ik op een dag begreep dat Hitler een kleuter met een plastic hamer was – vandaag namelijk.

11 april 1827

Dankzij de ijverig noterende Eckermann leer ik van Goethe iets dat ik zelf ook al had bedacht. De Geheimrath heeft het over Kant, die ‘het diepst in de Duitse cultuur is doorgedrongen’ en daarom ook op de jonge Eckermann invloed heeft gehad, hoewel hij hem niet heeft gelezen: ‘Nu hebt u hem niet meer nodig, omdat u reeds bezit wat hij u kon geven.’

Korter kan ik niet formuleren waarom ik het nutteloos acht andere filosofen dan mijn favorieten te lezen – diegenen namelijk die op de literaire vorm vertrouwen en de systeembouwerij de rug toekeren.
Ik heb aan Kant geroken, ja, zo durf ik het wel te omschrijven. Genoeg om het stof van zijn studeerkamer in mijn neusgaten te voelen, maar verder inspireerde dat droge proza me absoluut niet; zodra ik het in mijn eigen dialect had vertaald, wist ik dat ik het allemaal al wist. Het prikkelde me niet om naast de stok van de wijsgeer – een metronoom op de keien – een ommetje door Koningsbergen te maken, als een tweede stok, die eveneens zijn hand nodig had.

Ik hoef me niet in Kant te verdiepen om het onderscheid tussen subject en object te begrijpen (ik begrijp het voldoende om de ik-gij-verhouding van Buber te verkiezen) of om het inzicht te verwerven dat elk schepsel omwille van zichzelf bestaat en deel uitmaakt van de voedselketen zonder daarom geboren te zijn (ik kweek ook geen goudvissen om de reiger te voeden). In zekere zin zag Kant de blindheid van alles een eeuw voor Darwin: de kurkboom is niet gegroeid opdat wij onze flessen kunnen afsluiten (Goethe tegen Eckermann), silicium is niet in de aardkorst gelegd om onze eenzaamheid te versterken door middel van een smartphone (Barnard tegen u).

Stille zaterdag (bevreemdt het huidige geslacht)

Maar hoe bestaat het dan dat ik in de zin van het leven geloof, terwijl ik Kant erken en voor Darwin buig? Heb ik soms de opdracht van de filosoof met de snor en de hamer succesvol volbracht en met mijn blote handen het tegenspartelende leven zin gegeven?

Het antwoord staat vandaag in De Standaard: een op verzoek geschreven essay (‘noem me maar opstel’) dat ik ‘Pasen voor ongelovigen’ heb genoemd. Deels een bekentenis, deels een spotschrift. Ik ben er trots op, minder op de diepzinnigheid ervan (die betwistbaar is) dan op mijn opgestoken vinger (die onmiskenbaar is).

De slotzin gaat als volgt: ‘En wanneer ik als een dakloze met lege handen om eten en drinken kom vragen en dan een smakeloos koekje en een slokje migraine krijg, welt soms de overtuiging in mij op dat die polemische rabbi inderdaad superieur was aan zijn graf.’
(Maar over welke vinger hebben we het precies? En getuigt het wel van moed, van aristocratie, zo’n vinger op te steken? Het ergste wat me tenslotte kan overkomen is dat hij wordt afgehakt. Hij is mijn hoofd niet.)

Pasen (folklore van oma, spectaculaire triomf van de verbeelding)

De datum is 12 april: de sterfdag van mijn moeder.

Het aantal doden in mijn papieren telefoonboekje groeit en groeit (het papieren museumstuk dateert nog uit de vroege jaren negentig). Achter iedere dode teken ik een kruisje (voor de dode atheïsten heb ik geen apart symbool).

In ons kippenhok kijken we naar een livestream van de Paasdienst die onze oude vriend Erwin in de woonkamer van zijn pastorie in Essex celebreert – zijn ruimtelijke beperking is de onze, hij voedt zijn gezin met de substantie van de rabbi zoals wij elkaar seculier in leven houden.

Tijdens het Paasmaal

Voortreffelijk lamsvlees, gebraden door Christopher en Hayley.

‘Van welk materiaal is de hamer van Nietzsche gemaakt?’ vraag ik opeens bij de koffie (voortreffelijke appeltaart, gebakken door Christopher en Hayley).
‘Lucht,’ antwoordt Christopher zonder aarzeling.

Maandag 13 april

Commentaar van een vriend op mijn Paasopstel: ‘Ik zou nooit zo over mijn kind kunnen schrijven.’

Ik opper namelijk de vraag hoe het mogelijk is dat iemand die een kind verloren heeft desondanks geen godloochenaar is.
Ook in het slothoofdstuk van mijn Zingen en creperen schrijf ik over haar. Een schrijver brengt mensenoffers uit liefde.

Tijdens de hondenwandeling

We wandelen weg van ons huis richting ons huis. Gevoel van benauwenis – uit de quarantaine barst het verlangen te voorschijn met vrienden op een terras te tafelen, bij voorkeur op een terras ergens in Cornwall of Umbria, terwijl wijn en conversatie elkaar in tegengestelde richting passeren.

14 april

Uitgerekend nu ontvang ik een mail van mijn zus met het nieuws dat de gemeente Utrecht het graf van mijn moeder wil ruimen – want die is alweer vijfentwintig jaar dood – tenzij we 171,80 per jaar betalen. Naast haar ligt mijn vader begraven, als in lits-jumeaux. In Engeland is het ondenkbaar dat je het graf van een schrijver zou ruimen (dat van mijn vader wordt geregeld door lezers bezocht). En natuurlijk is mijn vader pas tien jaar dood, dus de ambtenarij stelt voor dat we mijn moeder opgraven en postuum vernietigen, maar mijn vader een nieuwe buur geven.

Iedere vooruitgang die een beschaving boekt – wetenschappelijk, technisch, sociaal, zelfs moreel misschien – wordt ogenblikkelijk tenietgedaan door een niet als barbarij herkende vorm van barbarij.

Woensdag

Nu al anderhalve week werk ik mee aan een vorm van teleonthaal: ‘s avonds kan de Vlaamse poëzieliefhebber een centraal nummer bellen ten einde te worden doorverbonden met een ‘dichter van wacht’. Een nobel initiatief, een menselijk initiatief, een met mijn karakter strijdig initiatief, waar ik louter en alleen aan meedoe (samen met nog een stuk of twintig andere dichters) omdat ik het verzoek als een categorische imperatief herkende; voor de overige 90 procent zei mijn ijdelheid ja (mijn ijdelheid wordt even vaak gestreeld door mensen die verrukt zijn dat ze mij aan de lijn krijgen, als ruw verstoord door mensen die nooit van me gehoord hebben).

Wie niet meedoen: onze bekende sociaal bewogen dichters, die in geschrifte altijd op de barricaden staan voor onderdrukte volkeren en minderheden. Geen Verhelst, Lanoye, Ducal of Hertmans. Waar zijn jullie, lummels, kletsmeiers, nu jullie is gevraagd om ethiek in de praktijk, voor de buurvrouw om zo te zeggen? Jullie zijn gevraagd, jullie hebben bedankt, om ‘uiteenlopende redenen’, hoor ik – misschien had Ducal pijn aan zijn niet-Palestijnzijn en leed Lanoye onder de lockdown die het onmogelijk maakte naar Soweto te reizen…

Maar eerlijk, voelt u die tocht? Dat is de wind die blaast door het gat dat gaapt tussen de abstracte, eminent predikbare verbondenheid met zeven miljard aardbewoners en het oude vrouwtje uit mijn kindertijd, dat nog altijd de straat wil oversteken.

17 april

Mensen en honden volgen het voetpad naar Brede Place. Het leidt ons over het erf van Hare Farm, een oogstrelende steenklomp, die na vijf eeuwen de behaaglijke zijnstoestand halverwege architectuur en organisme heeft bereikt: een pannendak donzig van het mos en rode bakstenen muren met de esthetische pokdaligheid van korstmos. Om de boerderij heen zijn verhalen geweven: de grootmoeder van de boer heeft de grootvader met de dubbelloops vermoord; de knappe jonge vrouw van de boer komt uit de stad en wordt tegen haar wil vastgehouden; de boer zelf heeft alleen maar geen baard omdat de kleur hem zou verraden… aldus kletst de pub… en kijk eens aan, nu leunt hij over zijn hek en groet ons, hoewel hij in het verleden ook weleens heeft gedreigd zijn honden los te laten.

‘They stole my quad bike,’ zegt hij. ‘Pikeys.’
Dat is het niet-correcte woord voor zigeuners. Zijn taalcentrum is onontvankelijk voor correcte woorden.
‘Gelukkig zit er een gps op. De politie heeft hem teruggevonden in de Hoge Bossen.’
Dat is vijf mijl verderop.
‘Daar parkeren ze de voertuigen die ze stelen. Als ze na achtenveertig uur niet zijn opgehaald, weten ze dat er geen gps op zit.’
‘Wow,’ zeggen we alle vier.
‘Enjoy your walk.’ Uit zijn stenen trekken wurmt zich een glimlachje te voorschijn. ‘Keep them dogs on their leads. There’s lambs in yonder field.’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.