JavaScript is required for this website to work.
Binnenland

De zaak Özdemir

Is een partij eigenaar van parlementszitjes?

Xavier Everaert3/6/2015Leestijd 3 minuten

Een constitutioneel-juridische benadering van de zetel van Mahinur Özdemir.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Mag ik het nog even over Mahinur Özdemir hebben? Het vermaledijde Brusselse parlementslid dat vorige week uit de cdH werd gezet omdat ze geen klare wijn schenkt over de Armeense genocide.

Neen, ik wil het niet over de Armeense genocide hebben, maar over mevrouw Özdemir in haar hoedanigheid als parlementslid. Er is namelijk een relletje ontstaan omdat zij haar mandaten niet wil ’teruggeven’ aan haar partij. Die partijlogica lijkt op het eerste zicht plausibel, maar is dat allerminst. Hoe krakkemikkig ons kiessysteem ook is, deze mevrouw heeft haar mandaat op persoonlijke titel verworven.

Als we de parlementaire democratie als een continue herverdeling van eigendomsrechten over Kamerzetels beschouwen, kunnen we zeggen dat de blote eigendom van een mandaat toebehoort aan het Parlement, c.q. de democratie, en de mandataris het tijdelijke vruchtgebruik bezit. In dat opzicht is een mandaat dus een overeenkomst tussen een parlementariër en de democratie. Een duale overeenkomst waar geen derde partij bij betrokken is.

Het contract tussen politieke partij en mandataris staat daar eigenlijk volkomen los van. Bijgevolg staat de contractbreuk tussen Özdemir en cdH los van het contract tussen Özdemir en de democratie. Ook al heeft cdH een vitale rol gespeeld in de totstandkoming van het contract, zij is en blijft een derde partij.
Dit verandert natuurlijk wanneer we de voorkeurstemmen afschaffen en enkel de lijststem behouden. In dat geval kan een politicus geen contract meer afsluiten met de democratie, en wordt de partij per definitie de contracterende partij. Enkel in dat geval zou de contractbreuk tussen mandataris en partij impliceren dat de mandataris verzaakt aan zijn of haar rechten met betrekking tot het mandaat. Maar dit is – gelukkig – niet het geval.
Aangezien een politiek mandaat in zijn huidige vorm dus een tweeledige contractuele relatie betreft, maken we drie grote fouten als we partijen een terugvorderingsrecht geven ten aanzien van dissidente volksvertegenwoordigers.

Eén: we nemen elke incentive weg voor volksvertegenwoordigers om zelf een mening te vormen, buiten de uitgestippelde denkkaders van de partijdiscipline. Een volksvertegenwoordiger kan namelijk zijn of haar opinies herzien gedurende het mandaat, tot geheel nieuwe inzichten komen die niet noodzakelijk stroken met die van de partij of waarover nog geen partijstandpunt is gevormd, en hij of zij kan tenslotte in gewetensnood terechtkomen. Maar de invulling van het politiek mandaat valt onder het contract met de democratie, niet met de partij. Slechts wanneer zulke nieuwe inzichten fundamenteel antidemocratisch van aard zijn, kan de democratie haar contract met de mandataris verbreken. Hij of zij gaat dan namelijk haar rechten als vruchtgebruiker te buiten en schendt het blote eigendomsrecht van de democratie. Zo kan een theocratische moslim niet met de democratie contracteren, omdat hij de zelfbeschikking van de democratie – waar hij niet over beschikt – teniet wil doen.

Twee: we nemen elke incentive weg voor partijen om kandidaat-mandatarissen voldoende te screenen alvorens hen op de kieslijsten te droppen. Zo kunnen partijen allochtone stemmen scoren door een allochtoon in de Kamer te piloteren, om die dan daarna te vervangen door een volgzame partijslaaf die minder electoraal gewicht vertegenwoordigt. Op die manier wordt niet alleen de democratie, maar ook het hele concept van de Volksvertegenwoordiging uitgehold, ten bate van een schimmige Partijvertegenwoordiging. Het risico dat een Kamerlid zich afscheurt, zal partijen stimuleren om betere relaties te onderhouden met haar mandatarissen, hetgeen het interne partijpolitieke debat enkel ten goede zal komen.

Drie: dankzij de dissidente Turkse volksvertegenwoordigers hebben wij als buitenstaanders kennis kunnen nemen van het sentiment binnen de Turkse gemeenschap dat ons anders volledig ontgaan zou zijn. Zulke parlementsleden bieden ons een unieke inkijk in een subcultuur waarvan de deuren anders strikt gesloten voor ons blijven. Als we partijen machtigen om dissonante geluiden uit de samenleving weg te filteren uit onze volksvertegenwoordigende instellingen, is de kans groot dat wij ons nooit bewust zullen worden van de mogelijk gevaarlijke sentimenten die zich vormen in groeiende segmenten van onze samenleving. Onder het mom van ijzeren partijdiscipline in naam van internationale mensenrechten wordt dan een sluier der onwetendheid gelegd over de parlementaire democratie. Terwijl net die parlementaire democratie een belangrijk klankbord moet zijn van wat er effectief leeft in onze samenleving. Niet elke kiezer past binnen een keurslijf van een partij. Het zou niet correct zijn om dat wél te verwachten van een kandidaat-mandataris.

Kortom: we zouden het mandaat van volksvertegenwoordiger moeten lezen als een verzekering tegen, in plaats van een erkenning van partijdiscipline. De zaak Özdemir opent een interessante discussie over de juridische en morele definitie(s) van genocide en de rol van Turkije in het debat anno 2015, maar zou een veel gewichtigere discussie moeten openen over de rol van een volksvertegenwoordiger binnen de democratie, ten aanzien van zijn of haar partij en ten aanzien van zijn of haar kiezers. Alsook een grondige analyse van de relaties tussen al deze stakeholders van de parlementaire democratie onderling.

Xavier Everaert is doctoraatsstudent in de rechtseconomie aan de Universiteit van Turijn.

Categorieën
Commentaren en reacties