fbpx


Cultuur
Benno Barnard

Geheugen, zwijg

Dagboekaantekeningen (52)


geheugen

 Zaterdag 7 augustus O genealogisch mirakel dat ik me mijn vader ook voor hij mij verwekt heeft niet anders dan als mijn vader kan voorstellen en hem bijgevolg zo moet aanduiden... de verloofde jongeman met de schedel van het dolichocefale type, de vijftienjarige gymnasiast in plusfours en zelfs de vijfjarige in het matrozenpakje met de rijglaarsjes, die tot enig verwekken nog lang niet in staat is: al deze gestalten zijn mijn vader, en als ik de bruine foto van het…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


 Zaterdag 7 augustus

O genealogisch mirakel dat ik me mijn vader ook voor hij mij verwekt heeft niet anders dan als mijn vader kan voorstellen en hem bijgevolg zo moet aanduiden… de verloofde jongeman met de schedel van het dolichocefale type, de vijftienjarige gymnasiast in plusfours en zelfs de vijfjarige in het matrozenpakje met de rijglaarsjes, die tot enig verwekken nog lang niet in staat is: al deze gestalten zijn mijn vader, en als ik de bruine foto van het jongetje verscheur – er staat een met stro gevuld paard op wieltjes naast hem, het leidsel hangt in een slappe boog tussen het speelgoedbit en het knuistje – word ik niet verwekt. Deze wonderlijke paradox schuilt in de taal, dit kind en al die anderen op bruine en daarna grijze kiekjes van voor 1954 verzoeken mij vriendelijk om een bepaald lidwoord: ‘de mijn vader’ van 1925, 1935, 1942…

Uit de schemerige krochten van een failliete kapperswinkel komt hij te voorschijn en dingt met succes naar de smalle hand van mijn moeder, voor wie dezelfde wet van het tegenstrijdige lidwoord geldt: de mijn moeder van 1942. Ze wandelen bij Katwijk over het strand en de mijn vader van 1942 pakt uit met de filosofie van Plato, over wie de elegante Tini, hoewel naar voren getreden uit een smaakvol interieur met een gevulde boekenkast, vrijwel niets weet (‘wel van gehoord, maar vertel’). De elegante Tini is onderwijzeres. Mijn grootvader wilde dat zijn zes dochters voor zichzelf konden zorgen, net zoals zijn beide zoons, een emancipatorische gedachte die – nieuwe  paradox – maakte dat ze het gymnasium was misgelopen, want een universitaire opleiding voor acht kinderen vormde een te grote aanslag op het familiekapitaal en dus bezocht Tini de kweekschool, waar Plato niet tot de leerstof behoorde.

Het heeft me lange tijd verwonderd dat mijn ouders ooit getrouwd waren geraakt. De verklaring daarvan is eenvoudig: ze gingen naar dezelfde protestantse kerk en het idee dat Willem niet goed genoeg voor haar was, zou bij de ouders van Tini niet zijn opgekomen, want die failliete kapper en zijn vrouw waren ook een pink en een kleine teen van het lichaam van Christus. Zo eenvoudig zit de essentie van het christelijk geloof in elkaar.

Zondag

Ik ben het dankbare product van de christelijke, humanistische, kunstbewuste, intellectuele beschaving waaraan het echtpaar Barnard-van Malde op eigen wijze gestalte gaf. Die beschaving is mijn geestelijke verblijfplaats, ook al heb ik in de fysieke werkelijkheid op veel verschillende plekken gewoond.
Maar dat metaforische bouwsel is half ingestort. Mijn ouders hadden een oorlog doorstaan en ik werd opgevoed in de levende herinnering aan die oorlog, waarover ze zelden spraken, en toch is het gat in de wereld – de puinhopen van Rotterdam, de uitholling van de liberale burgerlijke zekerheden – er altijd geweest in mijn herinnering. De twintigste eeuw heeft ook ons begrippenapparaat gebombardeerd, ik wist het als jongetje al, maar het was om zo te zeggen een osmotisch weten: mijn ouders leerden mij over de muren, de roosvensters, de nissen, de crypten, waarbij we om de leegte heen stapten. Als volwassene ronddwalend in een beschadigde beschaving, buk ik me om een scherf van mijn moeders omgangsvormen op te rapen, een brokstuk van mijn vaders esthetica… Ik leg al die artefacten in een vitrine; die vitrine is mijn oeuvre.

Ik heb het allemaal al vaker verteld, maar de waarheid moet je blijven herhalen, anders sta je nog machtelozer tegenover de leugen.

Het neemt niet weg dat ik me – even beperkt als een goudvis in zijn oude vijver, maar met een langer geheugen – nergens anders dan in Europa thuis voel. Ik ben namelijk Europees, westers, beladen met de jongste vorm van de erfzonde, ik kan het ook niet helpen. Mijn recente bezoeken aan de Verenigde Staten hebben me dat nog eens ingewreven.
‘En de diversiteit dan?’ roept een opgewonden literator. ‘Jouw oude Europa is racistisch, cisgender, neokolo…’

Ik luister naar al die kabbalistische begrippen. Maar mijn oude Europa is dat van Joseph Roth! Die in alcohol gedrenkte Jood was dan wel cis, maar zijn kolonialisme beperkte zich tot de opvatting dat Habsburg – de bezetter van de Bucovina, Bosnië-Herzegovina en tal van andere woeste landstreken – te prefereren viel boven Hitler. (Ook Transsylvanië en de transsubstantiatie waren Habsburgs, een geografische respectievelijk theologische overwinning op het cissische denken.)
Dat oude Europa is bedolven geraakt onder de droombeelden van een heerlijke nieuwe wereld. Fraaie fantasma’s, bouwmateriaal voor luchtkastelen… Het communisme vraagt om betere mensen en voor dat utopische Europa heb je betere Europeanen nodig.

Dinsdag

Bepaalde wonderen die dit continent heeft voortgebracht, de sonnetten van Shakespeare, de cantates van Bach, de kathedraal van Canterbury, zijn van ons, van u en mij: ze zijn de veruitwendiging van het onvatbare – door Marsman nog onbekommerd als ‘de europeesche geest’ aangeduid – dat ons tot ons maakt… En de rede! De rede is zeker een erfstuk dat we dienen te koesteren…
Maar als ik de krant lees, lijkt het soms of er van dit alles niets dan het inspiratieloze Europa van de Unie resteert, dat zich tot de Europese geest verhoudt als het afgestroopte vel van Bartolomeüs (zoals geschilderd door Michelangelo in de Sixtijnse kapel) tot de levende heilige.

En ook al liet de Sixtijnse kapel me onverschillig toen ik er ronddwaalde, toch was ik er thuis. En de metafoor strekt zich uit tot de voormalige Donaumonarchie. Tot het half gespeelde conservatisme van Joseph Roth. De herfst van Rilke. De woede van Nietzsche. Het onmogelijke Jodendom. De Nederlandse taal uiteraard (ik ben fundamenteel eentalig). Mijn geruzie met Jezus. Het koffiehuis. De bucolische maaltijd in de boomgaard. U mag de opsomming zelf voortzetten, als u tenminste niet met popmuziek komt aanzetten.

Donderdag 12 augustus

Een man ‘in zwarte kleren’ heeft vijf of zes mensen doodgeschoten in Plymouth. De radio meldt dat Ford Primary School en St Mark’s Church in Cambridge Road morgenochtend vanaf negen uur open zijn als ‘veilige plaats voor onze gemeenschap om samen te komen’…
St Mark’s! Het slappe taaltje van de BBC verslapt nog verder, lost dan op in de keuken, waar het bruisen van de waterketel moduleert naar het geruis van wieken: de herinnering tilt mij op als de windhoos Dorothy en draagt me naar Plymouth in het jaar 1975. Ik studeerde er Engels en woonde er – dankzij ouderlijke contacten – bij de ongehuwde Father Stuart in de pastorie van St Mark’s.

Mijn Engels was dat van Thomas Hardy (we lazen zijn romans), maar dan overgegaan in een soort vormelijke vloeibaarheid, die maakte dat mijn vriend en studiegenoot Andy in de pub bij de binnenkomst van twee vriendinnen boven de muziek uit schreeuwde: ‘For Christ’s sake, don’t you speak fucking Thomas Hardy!’ Maar hij en ik waren te bleu, de vrouwelijke studenten te preuts en de volksmeiden lazen geen stoffige romans waaruit ze hadden kunnen leren dat zorgeloze jongeheren aan het klassenverschil het recht op seksuele gunsten konden ontlenen.
Father Stuart was een berg zwart katoen, door een witte boord gescheiden van een taps toelopend, kaal, zweterig hoofd. Hij speelde uitstekend piano; zijn geheel uit vettige duimafdrukken bestaande broeksriem perste menige bulderlach uit zijn buikmassa te voorschijn; maar zijn homoseksualiteit beperkte zich tot de gewoonte zijn grote vlezige handen op mijn schouders te planten en mij – toen nog tenger – welterusten te knijpen; voor de rest was onze pastorie een victoriaanse kast van rode baksteen, waar het zwijgen veelvuldig werd onderbroken door pianomuziek, geklets, grappen en Match of the Day. Ik heb Engels leren kletsen in Plymouth.

Ontelbaar veel jaren later, ik geloof in 2008, vond ik hem terug in een bungalow aan de rand van een dorp in Cornwall; hij was oud, zwaar astmatisch en op zijn conische schedel woekerden de korsten van een soort schurft. Hoe het met hem was (slecht); hoe het met mij was (goed). Geen weerzien heeft me ooit meer in verwarring gebracht: ik herkende die met zwarte stof beklede hoop reuzel, hij droeg nog altijd zijn klerikale boord, maar het was of ik door hem heen keek… En hoe het Andy was vergaan. Dat had ik nooit moeten vragen: Andy, vertelde hij hijgend en piepend, was gesneuveld in de Falklandoorlog.
Ik heb dit verhaal uitvoerig verteld in mijn boek Een vage buitenlander, maar sommige verhalen moet je blijven vertellen, zodat ze geleidelijk afslijten tot hun meest elementaire vorm, die van de mythe.
‘De romantiek is door ons heen gegaan,’ zegt mijn vader ergens in dat boek. ‘Mocht de diamanten stad nu neerdalen, dan zouden wij schuilen in de schaduw van hetgeen voorbijgaat.’

Maandag

Bepaalde bloedwaarden zijn te hoog, vindt de huisarts, en hij regelt een MRI in het ziekenhuis. Aldaar aangekomen word ik door een Bulgaarse technicus – een uitsmijter met opmerkelijk kleine witte handen – en een Roemeense verpleegster – een warmhartig type dat mij toespreekt alsof ze me nog gebaard heeft – op een lopende band gelegd, die mij in een buis schuift, waarop veertig minuten lang garagegeluiden weerklinken, gehamer en geklop van een carrosseriebedrijf, waardoorheen net als in een echte garage muziek wordt gemengd, alleen is het Mozart, want ik mocht kiezen.

Na afloop laat de Roemeense haar hand op mijn arm rusten en zegt: ‘Maakt u zich maar geen zorgen. Meestal is het niks.’
‘Prostaat doet op mijn leeftijd soms wel een beetje vervelend.’
Mijn ijdelheid wil zo graag dat haar glimlach ondeugend is, alsof dat eerste woord een seksspeeltje is. Maar ze kijkt op haar horloge, ten teken dat de tijd voor flirten nu echt voorbij is.

Dinsdag (tegen zonsondergang)   

Avondwandelingetje in Stubb Lane – gut gut, zijn we niet bezadigd aan het worden, straks drentel ik nog (voorbij de zeventig), en daarna slof ik (voorbij de tachtig). Maar het zonlicht schept de idylle van een Engels zomeravondlaantje, het naderbijkomende pannendak welft zich moederlijk over Shearfold Farm, de merel zingt een weemoedig deuntje van Elgar of Holst; en nu, halverwege mijn netvlies en mijn taalschat, verandert het rood van het pannendak in karmozijn… Ook dit is romantiek, gedroom van een eenzame wandelaar in een laantje; het is fundamenteel op mijzelf gericht.

Donderdag

In De terugkeer van de hooligan vertelt Manea hoe hij als kind samen met zijn ouders en duizenden andere Joden naar een werkkamp in Transnistrië wordt gedeporteerd, en hoe zijn vader daar op de vuil geworden witte kraag van zijn hemd een luis ontdekt en van pure schaamte zelf in een luis verandert: ‘Zo is het leven het niet waard geleefd te worden.’ Maar de moeder zegt fel: ‘Jawel, het is het waard dit te overleven. En dan zul je opnieuw een wit hemd kunnen dragen, een gesteven wit hemd!’

Waarom was ik van die anekdote zo ondersteboven? Omdat die ene waterdruppel tekst het verzet van het zelfrespect, van de netheid weerspiegelde, helemaal los van alle politiek? Netheid tegen fascisme… In 1958 wordt de vader opnieuw van zijn waardigheid beroofd: die idiote communisten maken hem opnieuw tot dwangarbeider, op basis van een loze beschuldiging, en voor de tweede keer slaagt hij er niet meer in zijn trots uit te drukken in zijn kleding en aan zijn kleding trots te ontlenen.
Hoor eens hier, 1968, ik ben zelf een sloddervos – maar mijn oude jasje is geen uniform, het is niet de obligate dracht die minachting uitdrukt voor diezelfde ‘burgerlijkheid’ waar mensen onder de Europese dictaturen zo hartstochtelijk naar verlangden. Het is gewoon een lekker zittend jasje, dat de mal van mijn licht gebogen postuur is geworden.

Zaterdag 21 augustus

De rede heeft een lichaam nodig, om te beginnen een ruggengraat.
Achter een volle kar sta ik bij de krantenkiosk in Sainsbury’s op Joy te wachten. Ik pak een krant van een stapel: bij een nieuwe productie van Romeo and Juliet in het Globe Theatre word ik als bezoeker vooraf gewaarschuwd dat er straks op het toneel bloed vloeit, vergif wordt geslikt en zelfmoord gepleegd; ook wordt mij het nummer van een hulplijn in de maag gesplitst.

Thuis (boven mijn krant)

Geheugen, zwijg – aldus luidt het ware programma van de puriteinen. Straks, als wij triomferen, luiden wij het jaar 1 in.

[ARForms id=103]

Benno Barnard