fbpx


Buitenland, Cultuur

Het vliegende schip

Dagboekaantekeningen (40)


Het vliegende Schip

Maandag 1 februari De elektriciteit verplaatst zich in deze streek langs bovengrondse kabels, geritmeerd door scheefzakkende houten palen, alsof ze aan een voortdurend woedende kosmische storm zijn blootgesteld – op veel donkere winteravonden valt opeens het licht uit, terwijl het windstil is, de bladzijde in mijn boek wordt zwart, de logica lost op in het niets en terstond neemt de spookachtigheid het van haar over: mijn moeder stapt uit haar fotolijstje pardoes van het grasveld bij de kathedraal van Canterbury…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Maandag 1 februari

De elektriciteit verplaatst zich in deze streek langs bovengrondse kabels, geritmeerd door scheefzakkende houten palen, alsof ze aan een voortdurend woedende kosmische storm zijn blootgesteld – op veel donkere winteravonden valt opeens het licht uit, terwijl het windstil is, de bladzijde in mijn boek wordt zwart, de logica lost op in het niets en terstond neemt de spookachtigheid het van haar over: mijn moeder stapt uit haar fotolijstje pardoes van het grasveld bij de kathedraal van Canterbury de kamer in, strijkt haar blauwe jurk glad en vlijt zich op bank bij het raam neer, mijn vaders bronzen kop, verzacht tot gerimpeld, met baardstoppels opgeruwd vlees, voegt zich bij zijn door de duisternis herstelde lichaam; tussen hen in glimlacht Anna de glimlach van haar metafysisch witte tanden; rondom hen verrijzen de gebouwen op de victoriaanse gravures en achter hen strekken de onaangetaste parken en landschappen van Engeland zich uit…

Op de tast vind ik de zaklantaarn, die zich schuilhield in het keukenkabinet, en haast me naar Darryl, want ook mijn telefoon eet van het lichtnet. Hij verschijnt in zijn deuropening, een schaduwrijke reus in de lichtbundel, en zegt grijnzend dat de elektriciteitsmaatschappij hem (die per mobiele telefoon op de actualiteit is aangesloten) een sms heeft gestuurd: ‘Ze zijn de boel aan het repareren.’

‘En hoe lang gaat dat duren?’
‘Ze hebben geen idee.’

In victoriaans Engeland steek ik een paar kaarsen aan en vervolg mijn lectuur van The Ship that Flew, waar de kinderen net zijn ontsnapt aan een humorloze vazal van Willem de Veroveraar en nu terugvliegen naar het jaar van het Tweede Cataclysme, want de charmant babbelende Montaigne, de losbandige, tegen de taal tekeergaande Rimbaud en de overdadig fonkelende prerevolutionaire Nabokov staan weer in de boekenkast – uit.

Dan ontbrandt het licht en de schepping begint overnieuw: de lamp boven de keukentafel verblindt de lezer, de koelkast bewaart weer het voedsel, de stofzuiger popelt om te stofzuigen. De dierbaren zijn teruggeslopen naar hun graf van papier, olieverf of brons; Heisenberg en Schrödinger trekken zich in hun schaduwrijke nis terug; het huis onderwerpt zich zoet aan Galilei en Newton.

Dinsdag

Het boek dateert van en speelt in 1939, maar ook ten tijde van Willem de Veroveraar, de Vikingen en farao Amenemhat I. De schrijfster heet Hilda Lewis. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die er zelfs maar van gehoord had (mijn familie uitgezonderd) en dat is onbegrijpelijk, want het is een verhaal dat je optilt en meevoert, transports, verrukt… Ja, als kind las en herlas ik Het vliegende schip, een door plakband in het gareel gehouden Prismapocket van omstreeks 1960, een afdankertje van mijn zus.

Peter koopt in een donker winkeltje een oud scheepje, iets met een drakenkop, van een raadselachtige oude man. Het kost al het geld dat hij bezit en nog een beetje meer (zegt de oude man): Peter heeft twee zilveren shillings, een sixpence, nog wat pennies… en een kleine imperiale rekensom leert dat dit de exacte prijs is, want er zit een twopence van zijn vader bij. Die scène aan het begin is al onvergetelijk.

Het Vikingscheepje is betoverd en kan groeien (en weer krimpen) en ook nog eens dwars door de kromming van de tijdruimte heen vliegen, wat tot velerlei avonturen leidt: samen met zijn broertje en zusjes reist Peter naar de Oudheid en de middeleeuwen; ze ontmoeten Robin Hood, redden een man van de brandstapel… maar zo’n opsomming doet helemaal geen recht aan de ervaring van het getransporteerde kind.

En dan herlees je het als volwassene en is het boek in zijn eigen tijdreis veranderd: je vliegt naar kinderen die vlak voor de oorlog leven, maar geen weet hebben van die oorlog, nauwelijks van seks, helemaal niet van drugs of neerslachtig stemmende digitale tovenarij.

Nu, al die jaren later, is mijn pocket (z.j.) vies en vlekkerig en dierbaarder dan ooit, want ook tussen de vroege jaren zestig en het moment dat ik dit schrijf heeft zich een tijdreis afgespeeld, van een buitenwijk van Werkelijkheid naar het centrum van Heimwee.

Donderdag

Vandaag kwam Joy terug, blond, stralend, in een nieuwe winterjas en op kokette laarsjes, en onmiddellijk ontvlamde er een ruzie tussen ons – alle opgehoopte spanning en verwachting (ik had haar zes weken niet gezien) was tot brandstof samengeperst en had in zelfontbranding kunnen resulteren, een warboel van lakens en zweet, gevolgd door het gebabbel van minnaars. Maar helaas, het werd een korte steekvlam, gevolgd door een strovuur (waag u niet aan dit soort metaforen, ze zijn vermoeiend). In de oprit van ons huis streek ze de lucifer langs mijn zenuwstelsel: ‘Waar is mijn tas?’

‘Welke tas?’
‘Die rode. Stond naast mijn koffer. Jij hebt de koffer in de auto gezet, dus moet je ook de rode tas hebben gezien.’
‘Ik heb geen rode tas gezien. Het is verdorie jouw rode tas!’
‘Je hoeft niet boos te worden.’

We reden terug naar het station in Rye, waar tot mijn verbazing de rode tas in de koude leegte van het stationsplein een half uur lang had staan kleumen.

‘s Avonds (na de verzoening)

‘Ergernis is een paard dat zijn meester makkelijk afgooit,’ als u mij toestaat een citaat uit een negentiende-eeuwse Russische roman of anders een oud-Perzisch spreekwoord uit mijn mouw te schudden. Maar wat valt daar nog meer uit mijn mouw? Is dat niet het woord ‘vervreemding’? Laat ik niet liegen in naam van de kunstzinnigheid: soms lijkt het leven van Joy zich in een andere dimensie, niet eens parallel aan de mijne, af te spelen. Is dat ook werkelijk zo, of is de lockdown die ijzige klem om mijn hart? Hoe dan ook moet ik me erbij neerleggen dat alle zetstukken in ons theater die dat zouden kunnen camoufleren, huizen van de National Trust, kerken waar concerten weerklinken, de dampende schotels in de eetkamers van vrienden, zijn weggedragen en terneergeslagen staan te wachten in de coulissen…

Vrijdag

Nee, de formule luidt als volgt: ‘vreemdheid x verovering = een gelukkig huwelijk’. (Er zijn natuurlijk andere formules denkbaar.)
Joy moet overigens tien dagen in quarantaine – of een of andere Sue cum suis beginnen te roddelen.

Later

De lockdown is een laboratorium waar met onze gevoelens wordt geëxperimenteerd.

Zaterdag

Op 23 februari 2020 noteerde ik dat onze Amerikaanse achterneef Winston in de gevangenis zat te wachten op zijn proces: hij had bij een mislukte inbraak een professor doodgestoken. Hij was toen zestien; nu is hij negen of tien jaar ouder; het DNA van een bloedvlek (één druppel) op de drempel van het huis wees hem zeven jaar later als schuldige aan. Hij is recent tot vijfenzestig jaar gevangenis veroordeeld voor de moord en ook nog eens tot vijftig jaar voor moordpoging op de vrouw van de professor (achtereenvolgens uit te zitten). Het mes werd in zijn vuist autonoom en trok zichzelf een keer of zestig uit het bloedende vlees terug, stak opnieuw en nogmaals en een derde en een zestigste keer. Toen was hij dood en zij zwaargewond.

Winston ontkent maar miste de verbeeldingskracht om de film terug te spoelen, zodat zijn droge bloed uit het hout van de drempel kon opwellen en in druppelvorm naar het wondje op zijn wang terugkeren, dat hij net dwangmatig openkrabde toen hij een pizza kwam afleveren of een taart voor de voetbalclub verkopen.

Wanneer hij vrijkomt is hij honderdveertig. Maar voor elke dag dat hij zich goed gedraagt wordt er een dag van die eeuwigheid afgetrokken, zodat hij ook kort voor zijn drieëntachtigste verjaardag kan vrijkomen. Deze sadistische hoop wordt hem geboden door een of andere stenen tafel die voor het wetboek van de staat Indiana doorgaat.

Zondag

Zoomgesprek met de familie in Amerika. De broer van mijn schoonmoeder wordt tachtig en is voor de gelegenheid uitgenodigd. Oom Richard heeft als dokter in Afrika gewerkt, staat op goede voet met God en heeft een kopstem maar geen talent als contratenor. Hij draagt een hoornen bril en blijkt een korte grijze baard te hebben gekweekt, waardoor zijn ouwemannenkop, die altijd iets weeks, vormloos, puddingachtigs had, harder en markanter lijkt – in Afrika vroeger moet hij de meest blanke blanke zijn geweest die ze ooit hadden gezien. Hij is veel dover dan de laatste keer dat ik hem sprak en de uitvinding van het gehoorapparaat moet langs hem heen zijn gegaan. Een kroonjaar. Wij kronen hem. We zingen Happy birthday.

‘Wat weet u nog van de dag dat Jim als vrijer van uw zus verscheen?’ vraag ik.
‘Ik heb je niet verstaan.’
‘Jim! Wat vond u van Jim!?’(Joy.)
‘O Jim. Fijne vent.’
‘Hij zit erbij dus dat moet u wel zeggen!’ (Christopher).
‘Ik heb je niet verstaan.’

De auditieve processie van Echternach komt vrijwel tot stilstand. Een hoortrompet zou wel passen bij dat mombakkes met de bril en de baard, overweeg ik (nu ik me niet op de conversatie hoef te concentreren): dan zag hij eruit als een victoriaanse koloniaal in donker Afrika, te oud om nog terug te keren naar het malse groen en de satanische fabrieken. In de spiegel van het buffet waarvoor oom Richard aan tafel zit, passeert de omvangrijke schim van tante Jean, een vervaarlijk schommelende parabolische massa ouderwetsheid, in wie het niet zou opkomen naar ons te wuiven op een soort televisie, ondanks haar grote hart in haar grote boezem.

Ergens in die kosmopolitische, provinciale wereld van oom Richard en tante Jean is achter de spiegel een moordenaar opgesloten: hun kleinzoon Winston. Het mes viel uit zijn hand; hij vluchtte zeven jaar lang. Nu wordt hij zelf doodgezwegen.

Dinsdag

De sneeuwval verraste ons, want het tuinbrede tapijt – Bredebreed, graafschapbreed – blijft liggen nadat het is uitgerold, alsof we het besteld en ervoor betaald hebben. Op wat poeder na, is deze sneeuw de eerste sinds we in Brede wonen. De lucht is zo koud op mijn wangen als in de vorige eeuw, anno domini 1961, toen we uit de verhuiswagen waren gestapt, die mij in een uur van de hoofdstad naar een onbekende heerlijkheid – bos, heuvels, kasteel – had getransporteerd, en ik in de witte toendra achter onze pastorie iets antropomorfs kneedde uit de verrukkelijke substantie die als manna uit de lucht kwam vallen; en nu is mijn Engelse tuin een schaalmodel van die oertuin. Maar de sneeuw blijft niet lang ongerept: zodra ik de keukendeur opendoe, stormen de honden naar buiten en beginnen haar enthousiast te ontmaagden.

Donderdag 11 februari

De sneeuw strekt zich over de heuvelflank naast Brede Place uit: Sammie en Roffel zijn op hun simplistische manier dolblij en bedelen zelfs niet om een stok, maar voegen een wanordelijk spoor van pootafdrukken aan het spijkerschrift van de vogels en de gevarieerde arabesken van de zoogdieren toe, kijk, dat zijn hertenhoeven, dat moet de vos zijn, die half uitgewiste handtekening met de lange nagels is Das die even ging zitten, daarginds is zijn burcht, een animaal rijm met het middeleeuwse huis achter ons, en is dat geen griffioen? Joy lacht. Ze lacht goddank.

‘Weet je wat dat is?’ zeg ik, vanaf een bult in het bultige landschap naar beneden wijzend, waar de met wit riet en ondergesneeuwde moerasplanten begroeide grond naast het stroompje onder de bomen een kleine vlakte vormt.

‘Nee. Maar jij vast wel.’
‘Een tennisveld.’

John Crook heeft me verteld over de ‘tennis courtship’ van zijn ouders, die hier in de jaren dertig dank zij hun vriendschap met Clare Sheridan – die in het grote huis woonde en een volle nicht van Winston Churchill was – ballen over een net mochten meppen, als een ballistische uitdrukking van hun erotische gevoelens: ‘Gelukkig was mijn moeder even gek op tennis als mijn vader. “Je tennist goed voor een jongedame,” moet hij tegen haar gezegd hebben. Bit of a backhanded compliment, don’t you think?’ Hij snoof en lachte tegelijk. Zo excentriek is John, dat het woord niet volstaat en je hem uitmiddelpuntig zou moeten noemen.

Na de oorlog werd de heuvelflank aan de boer van Hare Farm overgelaten en het tennisveld gesloopt – de grond was sowieso te zompig voor een behoorlijke grasbaan en het drainagesysteem functioneerde niet goed. Alleen kun je een tennisveld niet werkelijk slopen: zelfs nu, in de sneeuw, is de geometrie van de verdwenen baan nog vaag zichtbaar in het verloop van de lage begroeiing, als een Romeinse villa op een luchtfoto, en over de boord van het luchtschip Skidbladnir hangend kun je in de diepte zien hoe Marigold not yet Crook niet tegen het serveren van Johns toekomstige verwekker is opgewassen.

Vrijdag

 Nu draagt het schip mijn geest naar Oost-Berlijn, in het Jaar onzes Heeren 1976. Niets wees op dooi toen Peter en ik door de schemerige straten achter de Muur ronddoolden, een zacht krakende, naar vreemde benzine ruikende, door angstaanjagende, grijs geüniformeerde, Volkspolizisten geheten creaturen bewaakte onderwereld van sneeuw en angst. De stad – de halve stad – rook naar bier en angst. We zochten en vonden warmte in een Kneipe (een woord dat mijn vader in 1944 uit Berlijn had meegebracht, samen met zijn tuberculose), waar een faiencekachel brandde; er speelde geen muziek; mannen in overall zaten op houten, tegen de muur geschoven banken een onverstaanbaar soort Duits te praten; iemand las een krant met een minachtende trek om zijn mond; zo’n kroeg hadden we nog nooit gezien… We raakten aan de praat, herinner ik me, met een nerveuze, op stillen van de Stasi gespitste student in een leren jek, Kurt. Kurt deed filosofie maar mocht niet alles lezen van de DDR, die haar roerende en verbazingwekkende best deed ieder niet werkelijk voorstelbaar vooroordeel obstinaat te bevestigen.

Gefluisterd: ‘Maar ik heb een vriend die Reclamdeeltjes met het werk van Nietzsche kon kopen. Op de zwarte markt.’
‘En?’ zei mijn nog zo kinderlijke ik. ‘Vind je dat dan geen protofascist?’
In de schelp van mijn hoortrompet ruist onze conversatie: Kurt lacht smalend.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.