fbpx


Cultuur

Hey dad

Dagboekaantekeningen (61)


herinnering

Maandag 13 december Grijs weer. Het grijs is alomtegenwoordig; de bodem van dat voldongen feit is modder. In het uitstervende dialect van Sussex bestaan tientallen woorden voor soorten modder, maar allemaal klinken ze als de voetstappen van een Saksische boer in zijn weiland, waar de grote meisjesogen van zijn koe hem vanuit een door Gollem getoverde nevel aankijken… Het is een dag in de Juliaanse kalender en hij staat op het punt gekerstend te worden, maar weet hij veel, om…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Maandag 13 december

Grijs weer. Het grijs is alomtegenwoordig; de bodem van dat voldongen feit is modder. In het uitstervende dialect van Sussex bestaan tientallen woorden voor soorten modder, maar allemaal klinken ze als de voetstappen van een Saksische boer in zijn weiland, waar de grote meisjesogen van zijn koe hem vanuit een door Gollem getoverde nevel aankijken… Het is een dag in de Juliaanse kalender en hij staat op het punt gekerstend te worden, maar weet hij veel, om hem heen is geen geschiedenis, in hem geen lineair besef, er is niets dan de slurpende onomatopeeën van zijn voetstappen die wegzakken in zijn zomp, zijn slab, zijn gawm, zijn ike, en wanneer hij straks de heuvel afdaalt naar de brede streám, waar zijn zoontje zit te vissen, zal hij door de sleech waden. Over een eeuw of vier zal de Normandische levensstijl te verfijnd zijn om een verdere bijdrage aan deze woordenschat te leveren.

Woensdag

Nagekomen citaat uit België.
Ik zit boven talloze kopjes koffie te lullen met Frank, die Nietzsche te voorschijn haalt als een revolver: ‘Overtuigingen zijn gevaarlijker dan leugens.’
Mikte Friedrich nu op mijn verstand of mijn ideeën? Tussen die losse ideeën van mij bestaat zoveel leegte, dat de kogel er makkelijk tussendoor vliegt. Ik ben de denker van het onsamenhangende, verbrokkelde, tegenstrijdige denken. Doceer mijn denkwereld, zoals uitgedrukt in mijn literatuur, en u zult – nerveus met uw vingers op de katheder trommelend – tegelijkertijd mijn werk recht willen doen, de tijdgeest behagen en uw brood verdienen. Onmogelijk! roep ik u toe.
Intussen zijn hij en ik het wel eens over de modieuze overtuigingen van de welopgevoede menigte, de niet tegen het heersende denken in gedachte gedachten. Waarheden! Het is beter deze koeien te slachten.

Donderdag

Arnon Grunberg heeft de P.C. Hooftprijs voor verhalend proza gewonnen. Tussen hem en mij bestaat wel een zekere verstandhouding, al vindt hij dat ik me niet zo met het Jodendom moet bemoeien. Hoor eens hier, Anton, jij en ik gaan ons niet verlagen tot het tribale, jij de Jood, ik de christen, jij het erfelijke slachtoffer, ik de erfelijke dader. Mijn belangstelling voor de religie en cultuur van je voorouders is ergerlijk maar onvermijdelijk: anders begrijp ik evenveel van de Europese geschiedenis als een archeoloog die niet mag graven.

Vrijdag

Christopher vraagt me hem het bestand van mijn roman te sturen. Een troostrijke gewaarwording: mijn volwassen zoon die veertigduizend woorden van zijn vader wil lezen.

Zondag

Koffie bij Gary en Duncan, gevolgd door whisky. De vleugel herhaalt in zijn glanzende zwarte diepte kandelaars, opgestapelde partituren, leeg serviesgoed, een woud van kerstkaarten. De fles stort zich in de kelkjes. Ik zit op de sofa naast Father Owen, die het zich laat smaken (een personage uit Trollope, deze epicuristische geestelijke), en begin na zes jaar Brede te bedenken dat Julian de tuinman (hij doet zelden mee aan ons koffiekransje) van gemengd ras is: natuurlijk, zijn moeder was een elegante kleine Pakistaanse; zelf heeft hij een kop waar de beelden van Phidias bij verbleken; om zijn zus zijn steden belegerd. ‘Julian,’ zegt de whisky, ‘heb jij vaak met racisme te maken gehad?’ Het klinkt onzinnig. Maar hij kon de oom van Anna zijn en Anna werd op school in Vlaanderen voor ‘poepnegerin’ uitgemaakt.
‘Nauwelijks.’ Hij lacht: ‘Toen ik biologie deed in Londen probeerden een paar activisten me ervan te overtuigen dat ik een slachtoffer was.’
‘En was je een slachtoffer?’
Hij lacht weer: ‘Nee. En ik wilde het ook niet worden. Als ik mijn energie in mijn raciale identiteit had gestopt, zou ik mijn christelijke identiteit zijn kwijtgeraakt.’
Het klinkt als een adagium, spreuk, sententie, motto. Vanuit zijn kelkje zucht Owen goedkeurend.
O activisten! Horen jullie Julian? Hij bedoelt zijn menselijke identiteit, maar jullie klok overstemt hem – die beiert dat het een aard heeft, maar een klepel hebben jullie nog nooit gezien.

Maandag

De dagen voor Kerstmis, extra verduisterd door het lustrum, want morgen is het vijf jaar geleden.
Daarnet las ik weer eens het briefje dat ik in mijn portefeuille bewaar: Hey dad, Finally back with u, I missed u so much. Love, Anna.
Dat briefje is onverbiddelijk: ik kan het me tegen mijn aard in niet permitteren God te loochenen. De natuurlijke helling van mijn aard ten opzichte van de horizon maakt dat God voor mij per definitie onzichtbaar is. Daarom is de legende van de Baal Sjem Tov – heus, u zult de associatie zo begrijpen – voor mij zo belangrijk: telkens als iemand in de gemeenschap een mirakel nodig had, ging hij naar een bepaalde plek in het bos, stak daar op een bepaalde manier een pijp aan, sprak een bepaald gebed uit; en zie, het verlangde wonder geschiedde.
Na zijn dood deden zijn volgelingen hetzelfde, en opnieuw greep het wonder plaats. In de volgende generatie waren ze vergeten waar de plek in het bos was, maar ze staken de pijp op, spraken het gebed uit, en ja hoor, het wonder geschiedde. In de daaropvolgende generatie waren ze de pijp kwijtgeraakt, maar ze zeiden het gebed op en het wonder geschiedde. En in de daaropvolgende generatie waren ze het gebed vergeten, maar ze vertelden dit verhaal en het wonder geschiedde.
Dat is mijn dogmatiek, de dogmatiek van de christelijke atheïst. Het geheim van de verlossing is de herinnering; het alternatief, de obsessie met het ordinaire en banale leidt tot een ordinair en banaal leven, nooit tot grootsheid.
Nee, ik ben Chateaubriand niet, die zich voornam onverschrokken in de groeve neer te dalen, met het crucifix in de hand, de eeuwigheid tegemoet. Evengoed kan ik onmogelijk in de Baal Sjem Tov geloven en tegelijkertijd geen vertrouwen in hem hebben.
Als ik deze paardensprong in een adagium etc. mag samenvatten: duurzaam verdriet = duurzame aanwezigheid. Ik herinner me de toekomst, o Anna, en zo is mijn verdriet levenslang gegarandeerd.

Donderdag 23 december

Een golf van mails bereikt me, ze vertellen allemaal hetzelfde: Bernard Dewulf is dood. Eenenzestig. Schrijver. Dood. Hartaanval in de nacht.
Hij staat zwijgend voor me: een melancholicus gekweekt uit een gebroken gezin en een milieu waar men zich bij ‘de literatuur’ niets kon voorstellen. Maar de muze bezocht hem en vervreemding was zijn lot. Sta me toe die regel over de doden en het nil nisi bene te overtreden: hij had de neiging te veel suiker door zijn stijl te roeren. Was dat zijn tegenstrijdige wraak op zijn achtergrond? In elk geval stond daar zijn talent voor observatie en redenering tegenover.

Kerstmis

Doe alsof Kerstmis echt gebeurd is (dat is gewoonlijk de beste methode om een verhaal te lezen). Als je de professor uithangt en al bij voorbaat je keel schraapt en van een allegorie gewaagt, doe je hetzelfde als de volwassene die zegt: ‘Er was niet echt een wolf die de grootmoeder opat, dat is maar een uitdrukking van onze angst.’ Dan lijk je op de minnaar die tegen zijn aanbedene zegt dat ze natuurlijk niet letterlijk de mooiste vrouw ter wereld is, maar niettemin heel aantrekkelijk…
Het verhaal gaat over iets onbegrijpelijks – ‘vleeswording’ – en dat verklaart het kinderlijke karakter ervan. Precies zo wordt het christelijke kannibalisme ons opgedist als een verhaal over een onheilszwanger etentje.
Maar ik vermoed dat u in de eervorige zin bent afgehaakt.

Zondag (Tweede Kerstdag)

Christophers voetbalploeg speelt vanavond de finale van de play-offs in de Maryland Major Soccer League (hij voetbalt in Baltimore). Aan de Oostkust is het middag, en gaande de wedstrijd begint de schemering aan haar weefsel, de lichten gaan aan, de regen arceert ze, het spel golft op en neer, en Joy en ik volgen met heen en weer flitsende ogen een mannetje dat heen en weer flitst als in een computerspelletje (het is een livestream), over een middenveld van 20 cm: ‘Zag je hoe hij die bal aannam?’ – ‘Dat was Chris niet, dat was de 10, die is ook blond’ – ‘Hij was het wel, ik heb hem toch zeker zelf gebaard!’
Hij maakt het tweede doelpunt, zoveel is zeker (‘Hij was het, hoor, de 8!’), de eindstand is 3-2, en nu belt ons rugnummer om te zeggen dat hij topscorer is geworden, en zijn stem wordt begeleid door het zoete, domme feestgedruis dat de kleedkamer, Baltimore, Amerika, de hoorn, ons gemoed vult…

Dinsdag (ik neem mijn nieuwe agenda in gebruik)

Ik zit wat te bladeren in de Briefwechsel 1927-1938 tussen Stefan Zweig en Joseph Roth, mij toegestuurd door een bevriende lezer: Jede Freundschaft mit mir ist verderblich. ‘Lieber Roth, warum, warum sind Sie gleich gekränkt…’
Ik stel me die verdwenen hotelcultuur voor, de hoffelijke bediende die het monsieur de dronken schrijver zo goed mogelijk naar de zin maakt, Roth die weer eens een verwijtende brief aan Zweig op briefpapier van het hotel schrijft, de spattende pen, de dagelijkse dans op de vulkaan van de jaren dertig…

Oudjaar

In de eetkamer met de grote open haard, die in tegenstelling tot zijn tweelingbroer in de woonkamer nooit brandt, omdat we anders de gasten aan één kant van de tafel zouden roosteren, resideert een kleine verzameling snuisterijen en kunstvoorwerpen, sommige afkomstig uit mijn ouderlijk huis, andere in een opwelling aangeschaft bij een provinciale antiquair.
‘Waarom heb je dat prul nu weer gekocht?’ vraagt Joy wanneer ik thuiskom met een schelpvormige koperen asbak in art-nouveaustijl, waarin de smeulende sigaret geacht wordt op de welvingen van een zeemeermin uit te rusten.
‘Ik hou nu eenmaal van ouwe troep, schat.’
‘Bof ik even.’ Ze snoof: een matriarchaal mengsel van irritatie en vertedering.
In de brede vensterbank flankeert de tinnen tabaksdoos van mijn vader het fantasma van bijgelovige zeelui. Er is een somber romantisch landschap op afgebeeld, met een ruïne, heuvels en een broeiende lucht – door middel van een of ander negentiende-eeuws procédé op het deksel gebrand, of wie weet met de hand geschilderd, wat de gelige tint en het fijne craquelé zou verklaren. Net als mijn vader bewaar ik oude munten in de doos: zodra ik het deksel openklap, staren Victoria, Edward VII en George V me met hun geoxideerde ogen aan. Tussen deze tot stof en as vergane Britse monarchen bevindt zich ook Napoleon III, wiens kop de voorbije zomer uit een bloembed in de tuin opdook; hij moet zijn meegebracht door een vroegere bewoner van ons huis, die een zeereis… maar ik dwaal af.
Die munt dus past bij de pendule van oom Charles, de voorname bewaker van de vensterbank. Dat is een erfstuk van mijn vader, die de klok zelf weer had geërfd van een broer van zijn moeder, de bewuste Charles, die de reputatie genoot een bonvivant met spleen te zijn. De spleen is achtergebleven in de klok.
De pendule van oom Charles dateert uit het Frankrijk van de derde Napoleon; voetstuk en bovenkant zijn van groengeaderd marmer; daartussen bevindt zich een kleine glazen kast, zodat je het uurwerk goed kunt zien. Hij heeft Arabische cijfers en koperen wijzers; en uit het Seconde Empire stijgt om het halfuur een zwaarmoedig dingdong op. Ik wind hem wekelijks met de bijbehorende vlindervormige sleutel op. Hij is van mijn ouders geweest en daarna van mijn vader de weduwnaar. Hij mag niet stilstaan. Symbool van de Tijd. Dingdong.
En op een ladekast met geërfd tafellinnen staat mijn aanbiddelijke albasten vriendin Sidonie, door de beeldhouwer Jef Lambeaux bij de belle époque verwekt: deze Jeune Femme en Buste is heel wat eleganter dan de Brabo voor het stadhuis van Antwerpen, eveneens een schepping van Lambeaux. Sidonie… de vroegere bewoner van ons huis deed tijdens zijn reis naar het continent ook Brussel aan en werd daar verliefd op de moeder van Sidonie, die in een cabaret…
Zodra wij de kamer verlaten komen mijn bezielde voorwerpen tot leven. Uit de tabaksdoos stijgt een dof tweetalig gemompel op: Charles Louis spreekt goed Engels, hij correspondeert met Dickens en Disraeli. De meermin pruilt omdat Sidonie haar negeert. Op een dag staat Sidonie naar de muur gekeerd, met een uitdrukking van ontstemming op haar witte gezichtje die ik niet eerder heb opgemerkt. Maar Joy weet van niets en de werkster komt nooit in de eetkamer.
En nu… Joy en ik liggen al voor twaalven in bed; dan wordt het middernacht en 2022 en in de diepte onder het echtelijk bed slaat de pendule dertien keer…

Maandag 3 januari 2022

Commentaar van Christopher op mijn roman: ‘Het is een anagram van je dagboek.’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.