fbpx


Cultuur

Maandag belt met dinsdag

Dagboekaantekeningen (71)


Beatles

Zaterdag 22 juni 1957 Het waren de dagen van Eisenhower, Harold Macmillan en Pius XII. Stalin was vier jaar dood; ikzelf was twee en brabbelde Engels tegen mijn zusje, die op een archaïsche rode autoped met massieve rubberen banden, meegebracht op de ferry die ons terugverhuisde naar Amsterdam, bedachtzaam om ons huizenblok aan de Amstel heen stepte, door kalme straten waarboven de dreiging van de waterstofbom de hemel bleekgeel kleurde. Ik tekende amorfe wezens met krijtjes op de stoep. De…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Zaterdag 22 juni 1957

Het waren de dagen van Eisenhower, Harold Macmillan en Pius XII. Stalin was vier jaar dood; ikzelf was twee en brabbelde Engels tegen mijn zusje, die op een archaïsche rode autoped met massieve rubberen banden, meegebracht op de ferry die ons terugverhuisde naar Amsterdam, bedachtzaam om ons huizenblok aan de Amstel heen stepte, door kalme straten waarboven de dreiging van de waterstofbom de hemel bleekgeel kleurde. Ik tekende amorfe wezens met krijtjes op de stoep. De schitterende doodlopende weg van het leven strekte zich voor me uit in de vorm van een rechthoek die naar zijn vertrekpunt leidde, het schuine, veiligheid biedende portiek van bruine baksteen, waar naast de voordeur met het brosse, licht schilferende vernis, dat je vingertoppen deed tintelen als je erlangs streek, vier naamplaatjes waren bevestigd. Onder toezicht van Dr. de Lange, mevrouw Sarfati, W. Barnard en Prof. Dr. A. Reichling bukte ik me en krabde een roze plakje van de stoep en stak het in mijn mond. De kauwgom smaakte nog zoet en het gewemel der bacteriën vertaalde zich in ontoelaatbaar zintuiglijk genot.
Raymond Queneau noteert vandaag in zijn dagboek dat het tot ‘de kleine pleziertjes’ in het leven behoort ‘in je agenda de naam en het adres door te halen van iemand die overleden is’.
Mijn adresboekje is dertig jaar oud en ik zet achter elke nieuwe dode een kruisje – dat stoffige boekje is een armoedig kerkhof, waar mijn lijken van inkt de bovenwereld met herinneringen voeden, bijeengehouden door een elastiek.


Woensdag 22 juni

Vijfenzestig jaar later rijden we naar Alciston, een vlek in het nationale park van de South Downs, vlakbij allerlei dierbare attracties die we kennen van de zomervakanties die we aan het begin van de eeuw in Eastbourne doorbrachten, waar Joy ’s ochtends Engels gaf aan de brutale zoontjes van rijke Russen en Arabieren, terwijl Christopher en Anna met de kleine kinderen van andere leraren in de tuin van het instituut speelden, dat pronkend met zijn namaak-Tudor vanaf een klip over het Kanaal uitkeek, of op spichtige beentjes samen met de begeleidende pubermeisjes de kronkelende, in de kalksteen uitgehouwen treden naar het strand afdaalden, waar rondom het educatieve materiaal van geribde schelpen, zeewier, kwallen en hondenkeutels een crescendo van opgewonden kreetjes opsteeg…
Na de lessen reden we door de omgeving en werden verliefd op de natuurlijke wonderen – de lieftallige kronkelingen van de Cuckmere en de eigenaardig gevormde, bultrugachtige heuvels, waar in het gras een reus met een lange stok en een galopperend paard waren uitgesneden, victoriaans of prehistorisch (zinloze aanduidingen in de landschappelijke tijd) – en de huizen van vuursteen en rode baksteen die, antropomorf gesproken, met de opkomst van het toerisme hun ingemetselde schuchterheid hadden afgelegd.
Desondanks waren de dorpjes zo lieftallig dat ik er direct begon te wonen, we ontdekten pubs waar ik nooit meer nuchter hoefde te worden, en ook vonden we het kerkje van Berwick, waar Duncan Grant, Vanessa Bell en Quentin Bell tijdens de oorlog kleurrijke, enigszins kinderlijke fresco’s hadden geschilderd. Drie atheïsten: Bloomsbury – het cohabiteerde behaaglijk in Charleston Farmhouse, een mijl verderop – dat God eerde… een polychromatische leugen die tussen de oude grijze stenen in waarheid veranderde, zoals de priester in diezelfde ruimte van een droog koekje een mens maakte.
Memory Lane loopt dood aan de voet van een imposante heuvel, die de lagere heuvels in westelijke richting lijkt te hebben gebaard – al herinneringen oprakelend hebben we de voormalige boerderij bereikt die ons onderdak zal bieden voor de korte midzomernacht. De bewoners ontvangen ons, maar blijven naamloos, mevrouw in een oudroze japon, die haar welvingen ongunstig accentueert, alsof vetrolletjes op die glimmende zijde hebben gewacht om zich te manifesteren, meneer bezig zijn manchetknopen vast te maken, om ons heen fladderend met zijn handen en jaspanden, een sleutel overhandigend, een autistische uitleg verschaffend – het zich nog optuigende echtpaar verdwijnt in zijn auto op weg naar Glyndebourne, dat Ascot van de operawereld, waar de goedkoopste toegangsbiljetten honderdzeventig pond kosten.
We souperen, opgedoft en al, rijp maar nog toonbaar, in de veelkleurige tuin van een nabije pub, bereiken een toestand van ontspanning die in het transcendente begint over te vloeien, oftewel in een gemoedstoestand van het merk ‘geluk’, rekenen af, rijden naar de boerderij in het dovende groen aan het einde van Engeland…

Donderdag

Het ontbijt is een meesterwerk, een concert van proevend kauwen, gedirigeerd door de onttakelde heer des huizes, nu een bourgeois zonder manchetknopen –  zou het geen kolossale grap zijn een ontbijtend echtpaar op het podium van Glyndebourne te zetten, ritmisch doorregen spek tussen de kiezen vermalend,  een glissando van marmelade op de toast smerend, gedirigeerd door een heer in hemdsmouwen?
Maar ook de schilderkunst dringt zich op: een Roger Fry (hij schijnt in de jaren dertig in dit huis te hebben gewoond) die de blos van de tomaten met het goud van het geroosterde brood laat contrasteren, die in de ziel van het eigeel doordringt.

Zondag

Tijdens de mis verveel ik me op een gegeven moment. Dat hoort bij de mis, nietwaar: lusteloze momenten, die verstrijken met behulp van de vaste formuleringen, de eeuwige gebaren – ik word niet beziggehouden, prijs God. Want de wereld houdt mij permanent bezig en vermoeit me: ik ontstijg haar en het nirwana van de saaiheid ontvangt mij. Ziehier mijn religie: vrijzinnige opvattingen, orthodoxe rituelen.

Dinsdag

Welke nieuwsgierigheid drijft mij om het optreden van Paul McCartney in Glastonbury te bekijken (vorige week, de BBC heeft het gefilmd)? De meeste liedjes van die bejaarde zanger hebben toch nauwelijks enige kwaliteit? Vooral de teksten zijn lachwekkend. Ook matig, nee, week zijn de woorden waarmee hij de nummers aan elkaar praat – een zondagsschoolleraar uit mijn kindertijd. Maar ongetwijfeld pretendeert hij ook geen grootsheid, wat hem behoedt voor de kitsch van bepaalde andere muzikanten van zijn generatie.
Eigenaardig, onverklaarbaar eigenlijk, is dat er bepaalde composities van de Beatles zijn die ik wel indrukwekkend vind, zoals stukken van Abbey Road – ik bewonder die (soms) zoals ik (soms) als een dweperige adolescent naar de late romantiek van Rachmaninov kan luisteren.
Met Abbey Road is een markante herinnering aan mijn vader verbonden: hij kwam naar mijn kamer onder de hanenbalken om zijn gespeelde beklag te doen over de ‘pokkenherrie’ die ik maakte (de bewuste elpee); in werkelijkheid zocht hij contact met mij, begrijp ik nu, met mijn stugge ontoegankelijkheid, mijn moeilijke leeftijd.
Ik had de arm van de plaat getild, waardoor een dreigende stilte was ontstaan, een interval dat zich met afwijzing leek te vullen; en inderdaad, reeds wees hij op de draaitafel die ik van mijn zus had overgenomen, een crèmekleurig stuk techniek uit de vroege plastictijd. De hoes van de gedegenereerde muziek lag naast de grammofoon. ‘De Beatles,’ zei hij.
‘Huhuh.’
‘Mag ik die koptelefoon ’s hebben?’ Hij ging op zijn buik op de grond liggen en luisterde tot mijn grote verbazing naar de volledige b-kant. Ik zat op mijn bed en keek ruim twintig minuten naar mijn vader die naar de Beatles luisterde.
Toen hij opstond zei hij: ‘Monday is on the phone to Tuesday, Tuesday is on the phone to me… Die Lennon is wel degelijk een dichter.’
Zo ben ik dus opgevoed.

Later   

  En Paul, de schare ziende, zong ‘Let It Be’. En de schare zwaaide met haar telefoons en zong het refrein mee.

Woensdag

Philip Larkin en Wilfred Owen zijn verwijderd uit een schoolbloemlezing. Volgens de bewuste commissie is er in de nieuwe bloemlezing sprake van een grotere diversiteit.
Maar de minister van onderwijs is een reactionaire zanik, die op Twitter klaagt: ‘Larkin en Owen uit het curriculum verwijderen is cultureel vandalisme. Hun werk moet aan toekomstige generaties woorden doorgegeven – zoals het aan mij is doorgegeven.’
De minister heet Nadhim Zahawi. Toen hij hier aankwam sprak hij geen woord Engels. ‘De gedichten van Larkin hebben mij als tiener zoveel geleerd over mijn nieuwe thuis.’
Uit de schaduwen van de tijd maakt zich de emancipatie los en reikt haar hand aan een bruin jongetje uit Tweestromenland.

Donderdag

Maarten Inghels met vrouw Nikki en peuter Zelda op bezoek. Hij is iets te lang voor de zeventiende eeuw en beweegt zich al bukkend door ons huis. Spreidt een charmant soort zelfvertrouwen tentoon en is niet te trots om mij een paar van mijn titels te laten signeren. Ze hebben Hollandse drop bij zich – Maarten vroeg of hij iets kon meebrengen en ik bekende dat ik gek was op Hollandse drop – en ook betalen deze voortreffelijke mensen nog eens het avondeten in de Red Lion.
Ik zit naast Nikki en kijk naar dat intelligente, fijnbesneden gezicht, terwijl ze de morsende anderhalf jaar geheten Zelda stukjes vis voert, ondertussen happen in haar eigen mond steekt – o de atavistische handigheid van moeders – en tegelijkertijd vertelt over haar studie Hindi en Sanskriet…
Naast Maarten iemand zijn lukt me nog wel, maar wie ben ik in haar ogen? De eeuwige patriarch? Maar haar intelligentie moet haar wel toegeeflijk stemmen jegens een achterhaald tijdvak en zijn kale vertegenwoordigers.

Vrijdag 1 juli

De boot van zes uur in de ochtend – om dertien uur is de uitvaart van Pim in Brussel. We gaan aan dek zitten en ik staar over de golven naar het naderende Frankrijk. Om ons heen rekt een prachtige dag zich behaagziek uit, terwijl ik tevergeefs aan mijn dode vriend probeer te denken, maar de bekoring is sterker dan het verdriet, ik word door de azuren deining en het dansende ochtendlicht voortdurend afgeleid van mijn bestemming.
Hij wacht op ons in een houten kist: ik zak op een knie en teken het Romeinse marteltuig in geabstraheerde vorm op mijn voorhoofd en borst. Daarmee druk ik zo’n beetje al mijn tegenstrijdige gevoelens uit. Om hem heen begroet men elkaar, een zacht geroezemoes waaraan hij niet meedoet. Wat een zonderlinge plek om Peter aan te treffen (die de trein via Keulen heeft genomen), een kerk in Brussel, voor de ingang waarvan het verminkte lichaam van de derde man in een kist ligt.
Alles verloopt zoals het tegenwoordig meestal verloopt. De kinderen spreken. De dochter snikt zachtjes, maar komt uit haar woorden. De zoon blijft overeind. Popmuziek. Bach. Onze vader die in de hemelen zijt.
Daarna schittert de zon weer, wat jammer dat Pim dood is. We vertellen anekdotes over hem en lachen steeds harder. We heffen het glas op zijn nagedachtenis. Peter flirt met een oude vriend van Joy. We bestellen een maaltijd. Het schemert al wanneer we eindelijk opbreken.
Een stoel valt om en iemand citeert Pim voor de laatste keer: ‘Heeft God de wereld geschapen, en zo nee, wie dan wel?’

Zaterdag (vervolg)

Een van onze disgenoten in Brussel gaf dit lachwekkende voorbeeld van een ontwikkeling die volgens hem onstopbaar was: de Royal Shakespeare Company waarschuwt dat er in een nieuwe productie van Richard III geweld voorkomt en dat er doden vallen; ook knapt er een ballon.
Ik sprak de disgenoot tegen. ‘Ik ben daar minder pessimistisch over,’ zei ik, de zenuwachtige staartklok der geschiedenis kennende. ‘De Verlichting heeft ook maar een eeuw of zo geduurd.’

Maandag (Independence Day)

De formule van mijn werk luidt dat je inhoud kan liegen maar stijl niet. Dat heb ik in dit dagboek al eerder gezegd, maar het wordt waarder naarmate ik het vaker zeg, zoals de bestemming van mijn reis duidelijker wordt naarmate ik vaker dezelfde omweg maak.

 

 

 

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.