Cultuur

Een dorpspastoor in het Vaticaan



Op een koele vakantieberg in Zwitserland heb ik een boek gelezen van een heetgebakerde Fransman. Herlezen, eigenlijk. Ik ken het al lang: Le Journal d’un Curé de campagne, het meesterwerk van Georges Bernanos. In mijn jonge tijd was het bij ons zowel als in Frankrijk een luid geprezen roman, een hoogtepunt in de ‘katholieke romankunst’. Want die bestond nog en kende zelfs een opbloei. Nu moet je de uitdrukking tussen aanhalingstekens lezen. Toen president Macron het boek onlangs bij zijn staatsiebezoek in het Vaticaan ten geschenke gaf aan de paus (een mooie editie van de Italiaanse vertaling) was het bij ons nog amper een paar krantenregeltjes waard. Niemand scheen de symbolische waarde van het cadeau te zien. Was het dan alleen maar een bibliofiele attentie vanwege een hoge Franse lettré en zijn vrouw, gewezen lerares Frans?

* * *

 Georges Bernanos (1888-1948) was een schrijver die niet zozeer letterkundige wilde zijn als wel een getuige van zijn tijd, een aanklager ook, iemand die het masker van de duivel wilde afrukken. Als pamflettist en polemist ging hij in het begin van de 20ste eeuw in de leer bij katholieke kanonnen als Léon Bloy en Charles Péguy. En als royalist liep hij school bij Charles Maurras en diens Action Française. Maar nog voor de veroordeling van die beweging door de paus in de jaren 20, schoof hij op naar links. Zonder republikein te worden, evolueerde hij in de jaren dertig van Franco-gezinde naar felle bestrijder van de Spaanse fascistenleider.

In 1935 verliet hij het zwakke Frankrijk, waar hij zich niet langer thuis voelde, vestigde zich op de Balearen, trok met zijn groot gezin weldra nog verder van huis, naar Zuid-Amerika, waar hij de Tweede Wereldoorlog doorbracht en boer wilde worden, wat mislukte. Waar hij ook was, hij schreef in snel tempo, enkele romans en tal van artikels en vlugschriften. Het leverde hem in Frankrijk de titel op van Geweten van de Natie,en na de Bevrijding het driemaal herhaalde verzoek van generaal de Gaulle om s’il vous plait terug te keren naar huis. Hij weigerde, omdat hij zich ook dan niet met de republiek kon verzoenen. Ten slotte kwam hij toch terug, maar spaarde de roede niet.

Zijn biografie vermeldt, dat hij getrouwd was met een rechtstreekse afstammelinge van een zus van Jeanne d’Arc. Ik denk dat hij een stuk van haar zwaard had teruggevonden.

* * *

Het Dagboek van een Dorpspastoor is, zo wordt algemeen aangenomen, zijn beste werk, waarin zijn geestelijke waarden en zijn literaire woorden een eenheid vormen. De roman verscheen in 1936, werd meteen bekroond door de Académie Française en groeide uit tot een internationaal succes. (In dat zelfde jaar won ‘de katholieke Zola’ alias Maxence Van der Meersch de Goncourtprijs. Er werd in die Volksfrontjaren toch wel flink wat wijwater in de inkt gedaan).

Het succes van Bernanos bleef jaren duren, bij ons tot in de Concilietijd. De bijval werd gesteund door een film van Henri Bresson uit 1951 waarover Maria Rosseels in 1957 schreef dat hij, in plaats van het boek te verraden, zoals dat meestal bij een verfilming het geval is, integendeel ‘de zuivere schoonheid en grondeloze diepte ervan releveerde’. Rosseels had als weinig anderen bij ons de Franse katholieke auteurs gelezen. En de films gezien.

In menige Vlaamse bibliotheek van die dagen stond een biografische studie die in 1952 verscheen bij het Davidsfonds: Georges Bernanos, mens en christen. Het was een door het toen zeer talrijke cultuurfonds bekroond werk van Oscar van der Hallen, broer van Ernest, de flamingantische voorman uit de jaren 30 die droomde van een katholiek réveil in Vlaanderen. De studie haalde een nu ondenkbare oplage van 35.000 exemplaren.

* * *

De hoofdfiguur in de roman is een jonge zielepoot van een priester, sinds enkele maanden pastoor van Ambricourt, een vlek in de Pas-de-Calais. Hij is van proletarische afkomst, lijdt aan een maagziekte, leeft bijna uitsluitend op droog brood en wijn. Dat kan een zinspeling zijn op de eucharistie. Het is minderwaardige rode wijn, hij kan zich geen betere veroorloven. Zijn parochianen houden hem voor een dronkaard en hij noteert over hen dat zij leven in ‘een doelloze wanhoop’, als het ware in ‘het gistingsproces van een Christendom dat tot ontbinding overgaat’. De pastoor uit Den bloeyenden wijngaerdt woont ver weg in het timmermansiaanse Vlaanderen.

Onzeker en onhandig, beseffend dat hij weinig over de mensen weet, toch moedig en standvastig in zijn geloof, vat hij zijn taak aan. Hij wil zich inspannen voor de minstbedeelden, maar hij wordt zelfs door hun kinderen bespot. En hij krijgt het aan de stok met de plaatselijke kasteelfamilie. Voor zover er in het dagboek een intrige is verwerkt, gaat het over de haat van de adellijke dame die een zoontje heeft verloren en zich nu redeloos keert tegen haar ‘onterecht’ nog levende cynische dochter. In al zijn onbeholpenheid deinst de Curé er niet voor terug, haar met de waarheid te confronteren en slaagt erin, kort voor haar dood, haar tot enig inzicht te brengen. Dat betaalt hij duur met zijn almaar slechter wordende gezondheid.

Een lichtpunt in zijn bestaan is zijn vriendschap met een collega, de pastoor van Torgny, een ander dorp uit Noord-Frankrijk. De collega is een robuuste figuur, een Vlaamse boerenzoon uit Poperinge. Bernanos typeert hem als een nuchtere man, gezond contrast tot zovele Franse parochianen die eigenlijk het slachtoffer zijn van de armoede en de alcoholplaag die het Frankrijk van die tijd ook geestelijk aantast. De stervensklare jonge pastoor gaat bij de Vlaming te rade en dat levert de kerngesprekken van het boek op. Toch is het uiteindelijk niet in Torgny dat hij zijn calvarietocht beëindigt.

Hij brengt een bezoek aan een vriend die hij in het seminarie heeft gekend en die ‘afvallig’ is geworden en nu als handelsreiziger een moeilijk leven leidt. Plotseling verergert zijn toestand. Hij kan niet terug naar huis en ligt in een achterkamertje te wachten op het einde. Als een bijgeroepen parochiegeestelijke lang weg blijft, vraagt de zieke aan de ‘afvallige’ of hij hem de absolutie wil geven. Die doet het, helemaal zoals hij het ooit heeft geleerd. Als hij zich daar bij excuseert omdat de geestelijke te laat zal komen, fluistert de stervende: ‘ Wat maakt dat uit? Tout est grâce.’

Alles is genade. Dat is het meest geciteerde woord uit het oeuvre van Bernanos geworden.

* * *

 Het cadeau van de president was geen onbekend boek voor de paus. Het is het ook niet voor zijn vriend Godfried Danneels. Het Dagboek…was sinds lang een der belangrijke boeken in de literaire afdeling van diens bibliotheek. Danneels benadrukte graag het grote belang van de culturele vorming voor de priesters en verwees dan naar ‘de sfeer van de grote literatuur’ waarin hij zelf is opgevoed. In het bijzonder de literatuur uit de jaren 40-50 , ‘waarin een geestelijke strijd duidelijk centraal staat’, bleef voor de kardinaal actueel, ondanks de veranderingen van de tijd. Hij dacht dan aan Georges Bernanos, François Mauriac en Graham Greene. Over het meesterwerk van Bernanos zegde hij in 1990, dat de dorpspastoor op een mysterieuze wijze deelnam aan Jezus’ doodstrijd: ‘Tegenover de kracht van de nederige heiligheid woekert het kwaad rondom hem net zoals Christus’ aanwezigheid de duivels tot razernij bracht.’

Voor Bernanos was Satan een lijfelijke aanwezigheid in de wereld. Een vroegere roman gaf hij de titel Sous le soleil de Satan. Hij kon maar bevochten worden in een combattieve levenshouding. Oscar Van der Hallen wees er al op, dat de priesters die in zijn diverse boeken optreden alle ‘onder het volk arbeiden en in het actieve leven staan’.

Wie over de strijdbaarheid van de Fransman spreekt, moet onvermijdelijk ook zijn bekendste non-fictieboek oproepen. Het verscheen in 1938 onder de suggestieve titel Les grands cimetières sous la lune. Het was een der felste pamfletten van zijn tijd. Bernanos had de gruwelen van de Spaanse burgeroorlog gezien en hij klaagde ze aan, door wie ze ook werden begaan. Die aanklacht moet toen het sterkste gevoeld zijn door de katholieke aanhangers van Franco, die het hem zeer kwalijk namen.

Op mijn koele Zwitserse berg in zijn boeken lezend, denk ik weer aan het verhaal van wijlen mijn goede vriend Marcel Beerten, sterke balladedichter en in de jaren zestig bezieler van de roemruchte Vlaamse Pockets. Als hij, op avondlijke bijeenkomsten, moeizaam over zijn oorlogservaringen sprak, beklemde hem een droefheid waar geen troost voor was. Marcel had, als kind, kennisgemaakt met de donkere arbeidsomstandigheden in de Kempense mijnen, meende licht te zien in de nationalistische jeugdbeweging, en trok met zijn kameraden mee naar het Russische front. Ik hoor hem nog zeggen:  ‘Had ik toen Les Grands Cimetières sous la lune gekend en gelezen, ik zou zeker nooit zijn vertrokken.’

 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Gaston Durnez

Gaston Durnez is oud-redacteur van De Standaard en Ons Erfdeel.