JavaScript is required for this website to work.
post

Polen uit zijn as herrezen, 1918-1923

De eindeloze Eerste Wereldoorlog: omwentelingen in Oost-Europa, 1918-1923 (3)

Pieter Jan Verstraete23/7/2019Leestijd 9 minuten
President-maarschalk Josef Pilsudski, dwong de grenzen af van het onafhankelijke
Polen (1918-1923).

President-maarschalk Josef Pilsudski, dwong de grenzen af van het onafhankelijke Polen (1918-1923).

foto ©

Na WO I vocht de nieuwe Poolse staat nog vijf jaar oorlogen uit om zijn grondgebied op te eisen. De Groote Oorlog duurde daarmee véél langer in Centraal- en Oost-Europa dan in het Westen.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Na de wapenstilstand van 11 november 1918, was er aan het oostfront in Midden- en Oost-Europa voorlopig van vrede nog geen sprake. De strijd woedde verder. Veel perspectieven waren er niet. De toekomst was onbestemd en angstaanjagend. Bij deze kriskras door elkaar lopende oorlogen kwamen, in de periode 1918-1923, nog eens vier miljoen mensen om het leven; dat is meer dan het totale aantal gesneuvelden van Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten samen tijdens de Eerste Wereldoorlog. 

In deze zomerreeks willen we de onmiddellijke naoorlogse situatie beschrijven in achtereenvolgens de Baltische landenFinlandPolen en Hongarije.

Grootmacht

Eén iets kan men de Polen alvast niet ontzeggen en dat is hun sterke vrijheidsdrang. Kenmerk dat steeds gepaard gaat met hun ‘boertige minderwaardigheidsgevoel in combinatie met adellijke trots’ (De Groene Amsterdammer, 23 mei 2019).

Vooraleer het land op het einde van de 18de eeuw opgedeeld werd tussen Pruisen, Oostenrijk-hongarije en Rusland en ophield met bestaan, was het Pools-Litouwse Gemenebest een grootmacht op het Europese continent. Op zijn hoogtepunt, rond 1600, strekte het rijk zich uit van de Oostzee tot bijna de Zwarte Zee en van Krakau tot Smolensk en Kiev. Het zat ingeklemd tussen het tsarenrijk in het oosten, het Ottomaanse Rijk in het zuiden, het Habsburgse rijk en Pruisen in het westen en Zweden in het noorden. In 1610 wisten de Pools-Litouwse legers zelfs Moskou te veroveren. Een vernedering die de Russen hun buren nooit hebben vergeven.

Nadat Polen van de Europese statenkaart verdwenen was, kwamen de inwoners ervan in de 19de eeuw regelmatig in opstand. Die mislukten telkens door interne verdeeldheid van de Polen zelf, het feit dat geen enkele Europese mogendheid de Polen steunde om de machtsbalans niet te verstoren en het keiharde optreden van de Pruisen, Habsburgers en Russen. Vooral de Polen in Rusland hadden het hard te verduren; ze werden aan een russificatiepolitiek onderworpen. Wie zich daartegen verzette, kreeg een enkele reis richting Siberië toebedeeld. In Berlijn en Wenen werden de Polen op cultureel vlak grotendeels met rust gelaten. Voorwaarde was wel dat ze zich conform de geldende wet gedroegen. Dat bleef zo tot aan het uitbarsten van de Eerste Wereldoorlog.

Josef Pilsudski

De herrijzenis, in de late herfst van 1918, van Polen uit zijn as was op zijn zachtst gezegd een klein wonder. In een gebied dat eeuwenlang het speelveld geweest was van Pruisische vorsten en Russische tsaren, hadden de Polen een idee van nationaal bewustzijn weten te bewaren. Gezien het feit dat niemand juist kon aangeven waar nu redelijkerwijs de grenzen van het nieuwe Polen zouden moeten liggen, en de Polen over een immens gebied verspreid leefden, is het geen wonder dat zij al onmiddellijk in conflict kwamen met hun nieuwe buren.

Een anekdote wil dat toen een Poolse delegatie onder leiding van Roman Dmowski (1864-1939) door de Amerikaanse president Wilson in het Witte Huis ontvangen werd, hij hem vroeg waar de Poolse grenzen nu feitelijk zouden moeten liggen, Dmowski hem zowat de helft van Europa aanduidde: van Berlijn tot de voorsteden van Moskou. Wilson viel daarbij haast van zijn stoel.

Begin 1919 was de jonge staat met vijf landen tegelijk in oorlog: met Duitsland over Posen (Poznan) en Opper-Silezië, met de nieuwe kortstondige staat Oekraïne over Galicië, met de Russen over het naakte voortbestaan van Polen als zelfstandige natie, met Litouwen over Vilnius en met het net ontstane Tsjechoslowakije over Orava en Teschen. En dat voor een land, dat weliswaar een leger van 600.000 manschappen telde maar dat bijeenschraapt was uit Duitse, Russische en Oostenrijk-Hongaarse legers.

Slechts één man kon de hopeloze toestand waarin de bloedjonge staat verkeerde tot een goed einde brengen: Josef Pilsudski (1867-1935). Hij was de man die op het juiste moment op de juiste plaats was. Josef Pilsudski was afkomstig uit verarmde Pools-Litouwse adel. Hij ontwikkelde zich van actief socialist tot nieuwe nationalistische volksleider. Na zijn collaboratie met Habsburg wat hem een aantal zelfstandige Poolse legioenen opleverde, en een Duitse gevangenschap omdat hij weigerde de eed op de Duitse keizer af te leggen —wat hem voor zijn imago goed uitkwam— manifesteerde Pilsudski zich in de eerste plaats als Pools nationalist. Niet alleen was dat goed voor zijn reputatie maar het gaf hem ook gezag. Het was Pilsudski die op 11 november 1918 de onafhankelijkheid van de nieuwe Poolse republiek uitriep. Hiermee had hij de handen afgesneden van zijn grote politieke tegenstrever, de meer academisch onderlegde en rechtse ideoloog Dmowski.

De bont geschakeerde Pilsudski zou zijn leven lang in de kern een socialist blijven maar tegelijk een communistenhater zijn. Meer dan de bedachtzame Dmowski was hij een ‘Draufgänger’. Zijn uiterlijk sprak voor zich: hij was van gemiddelde lengte met een stevig postuur, had kortgeknipt grijs haar, zware wenkbrauwen, een volle snor en indringende ogen. Hij was van het principe: eerst toeslaan en dan zien we wel. Het was de ijzersterke Pilsudski die tijdens de moeilijke beginjaren van de jonge republiek tot een mythe zou uitgroeien. Steeds voerde hij zijn legioenen aan in de strijd. Door zijn soldaten werd Pilsudski, overigens een groot bewonderaar van Napoleon Bonaparte, later tot maarschalk van Polen uitgeroepen. Op militair vlak was hij een natuurtalent die zich ook steeds met de juiste raadgevers wist te omringen.

Bufferstaat

De eigenlijke peetvaders van de als een feniks uit zijn as herrezen Poolse republiek waren de Duitse keizer, veldmaarschalk von Hindenburg en generaal Ludendorff. In 1916 hadden hun troepen het grootste deel van het Poolse grondgebied in handen. In 1918 vreesden ze dat Russische en Duitse revolutionairen wel eens in contact met elkaar zouden kunnen komen via de Duits-Russische frontlinies. Een stabiele Poolse bufferstaat werd door de Duitse autoriteiten als de beste en snelste oplossing voor dit probleem gezien. De door hen ingezette marionettenregering in Warschau diende door een echte regering te worden vervangen. In Duitse ogen was Pilsudski de meest geschikte man om deze klus te klaren. Hij werd vrijgelaten en met een speciale trein naar Warschau gereden. Door zijn jarenlange strijd aan Oostenrijkse zijde had hij veel militaire ervaring opgedaan. Onbetwist was hij Polens grootste militaire held, die kon rekenen op de steun van alle Poolse militairen. Vijftien maanden Duitse gevangenis zorgden ervoor dat hij met een schone politieke lei kon herbeginnen. Kortom, Pilsudski was het aangewezen eerste staatshoofd van Polen. De Duitsers hadden met hem op de juiste man gegokt maar te laat. Op de dag dat hij de Poolse onafhankelijkheid uitriep, waren zowel het Duitse keizerrijk, de Donaumonarchie als het tsarenrijk verslagen en voltooid verleden tijd.

Onafhankelijkheidsoorlogen

Het nieuwe Polen stond meteen voor immense uitdagingen. Het land was een grote puinhoop en verkeerde in chaos. De Eerste Wereldoorlog had zich in Oost-Europa vooral op Pools grondgebied afgespeeld. Massa’s Poolse burgers hadden huis en haard verloren door het oorlogsgeweld. De schaarse industrie was verworden tot een rokende puinhoop. Zes miljoen hectare bos was gekapt voor oorlogsdoeleinden. Meer dan de helft van alle landbouwgrond lag braak en meer dan een derde van de veestapel was gedood. Hongersnood en Spaanse griep (zoals overal elders ter wereld) hakten er diep in op de bevolking.

Het meest actuele probleem was dat de Eerste Wereldoorlog weliswaar in West-Europa voorbij was, maar helemaal nog niet in Oost-Europa. De ineenstorting van de oude mogendheden leidde tot de geboorte van een hele rist nieuwe naties. De grenzen van al deze bitter jonge staten en staatjes lagen nog niet vast. Het gevolg was dat er overal oorlogen en oorlogjes in het oosten van Europa uitbraken of uit de grote wereldbrand ontstonden. Ze bevochten elkaar bloeddorstig om een eigen plek op de Europese kaart te bemachtigen.

Pilsudski en Dmowski besloten omwille van de Poolse zaak, hun meningsverschillen op te schorten, en togen samen aan het werk. Hun eerste grote opdracht was het veiligstellen van de Poolse grenzen. Dmowski zou namens Polen aan de vredesonderhandelingen in Parijs deelnemen, en Pilsudski zou gewapenderhand ten strijde trekken tegen de nieuwe buurstaten.

De Britse premier Lloyd George twijfelde aan de bekwaamheid van de Polen om een eigen staat te organiseren, en verzuchtte dat de Polen de lastigste onderhandelaars waren; lieden die nooit tevreden waren. Ze eisten zoveel Duits grondgebied op dat de helft van Pruisen zou verdwijnen. De Polen konden enkel op de continue steun van de Fransen van oorlogspremier Clemenceau rekenen. Hoe meer grondgebied de Duitsers verloren, hoe liever deze hater van alles wat Duits was, het had. Daarnaast waren ook de Amerikanen, de Britten en de Italianen geïnteresseerd in een sterk Polen als bufferstaat tegen Sovjet-Rusland.

Veel ergernis in Parijs was er ook over de Poolse agressie onder leiding van Pilsudski. Al meteen in november 1918 was hij een oorlog begonnen tegen Oekraïne omwille van Habsburgs bezit. Polen eiste Oost-Galicië op met de steden Lviv (Lemberg) en Tarnopol, en maakte daarbij handig gebruik van de politieke chaos in Oekraïne. De bevolking in dat gebied bestond amper uit 35 procent Polen. Toen het Poolse vrijwilligersleger begin 1919 vanuit Frankrijk in Polen toekwam, was het pleit algauw beslecht. Vooral de Britten en de Amerikanen waren razend. De Fransen deden mee maar niet van harte. Het leger was op verzoek van Dmowski naar het oosten gestuurd met als doel het jonge Polen te verdedigen, niet om bijkomend gebied te veroveren.

Het verdrag van Versailles, voor de Duitsers een ‘Diktat’, van 28 juni 1919 bepaalde dat de Duitse provincie Posen (Poznan) naar Polen overgeheveld werd. In die provincie was 60 procent van de bevolking van Poolse komaf. Oost-Pruisen werd van Duitsland gescheiden door een Poolse landcorridor. Hiermee maakte Wilson zijn belofte aan de Polen waar dat ze vrije toegang tot de Oostzee zouden krijgen. Het zette heel wat kwaad bloed bij de Duitsers: in de corridor woonden heel veel Duitsers. Hier lag al de kiem voor de Tweede Wereldoorlog ingekapseld. Polen en Duitsers waren teleurgesteld omdat de Duitse stad Danzig het Volkenbondstatuut van Vrije Stad kreeg. De Duitsers waren misnoegd omdat Danzig hen ontfutseld werd, en de Polen hadden graag gezien dat de stad Gdansk werd, en zij de oorspronkelijke Duitse inwoners van de Hanzestad eruit konden zetten en/of ‘poleniseren’.

De grootste twistappel vormde evenwel Opper-Silezië met zijn rijke industriegebied. Aanvankelijk lag het in de bedoeling dat Polen de hele Duitse provincie met meer dan 60 procent Duitsers in handen zou krijgen. De Duitsers waren evenwel niet zinnens het gebied zo maar in handen van de ‘Polakken’ te geven. Er brak een reeks opstanden uit en Duitse Vrijkorpsen slaagden erin om de Polen telkens weer het land uit te jagen. Daarop richtte de Volkenbond in 1921 een referendum in. Een meerderheid van de bevolking koos voor verblijf bij Duitsland. Desondanks bleef Opper-Silezië weliswaar voor twee derde Duits gebied maar een derde ervan, waaronder het rijke industriebekken met heel wat steenkoolmijnen, ging naar Polen. Hiermee schond de Volkenbond haar eigen voorstel. Het was vooral Frankrijk dat ervoor zorgde dat het rijke deel van de provincie aan Polen toeviel. In Duitsland leidde deze ondemocratische beslissing tot grote frustraties maar het kon niet anders dan er zich bij neer te leggen. Het bemoeilijkte later in aanzienlijke mate de Duits-Poolse verhoudingen.

Pingpongoorlog met Sovjet-Unie

Terwijl het geïmproviseerde Poolse leger in het voorjaar van 1919 slag leverde met de Duitsers in Opper-Silezië en met de bolsjewisten in Litouwen omwille van de stad Vilnius en het omliggende land, startte Pilsudski al in februari een offensief tegen de Russische bolsjewisten in Wit-Rusland en Oekraïne. De Poolse eenheden wisten tot ver in Wit-Rusland door te dringen. In april 1920 werd een tweede offensief gelanceerd waarbij de Oekraïense hoofdstad Kiev in mei werd bezet. Het was een gruwelijke oorlog waarbij aan beide zijden geen genade getoond werd. Ook de burgerbevolking leed verschrikkelijk.

De Polen hadden als politiek doel Wit-Rusland en Oekraïne om te vormen tot satellietstaten. De communistische machthebbers hadden op dat ogenblik hun handen vol met het bestrijden van de contrarevolutionaire legers van generaal Denikin en de warlordbaron Wrangel, die grote successen behaalden. Na de inname van Kiev konden de Sovjet-Russen niet anders dan onderhandelingen aan te knopen met Polen, die feitelijk al begonnen waren tijdens het Poolse voorjaarsoffensief. De Sovjet-leiders moesten immers de druk op het zwaarbelaste Rode Leger ietwat kunnen verlichten. Toch bereidden beide partijen al een vervolg van de oorlog voor.

Het resulteerde in een zes maanden durende pingpongoorlog waarbij Polen en Sovjet-Russen telkens afwisselend in het voordeel waren. In de vroege zomer van 1920 verjaagden de rode cavalerielegers de Polen (50 procent verliezen!) uit Wit-Rusland en Oekraïne, en stormden ze Polen al rovend en moordend binnen. Lenin zag kans om de burgerregering in Warschau te doen vallen en verder naar het westen op te rukken. Hij wilde de zegeningen van de proletarische revolutie naar Duitsland en verder naar het westen brengen.

Einde juli werd in de al veroverde Poolse gebieden een bolsjewistische marionettenregering geïnstalleerd. De zoveelste oorlog werd op Pools grondgebied uitgevochten. De Sovjets namen wraak op de Polen voor al het leed dat hun eigen bevolking was aangedaan. In augustus naderde het Rode Leger de voorsteden van Warschau. Het zag er slecht uit voor de Polen. Geallieerde bevoorrading bleef uit. Onder meer in de haven van Antwerpen werden goederen bestemd voor Polen geboycot. Zowel haven- als treinarbeiders in Duitsland verwerkten transporten naar Polen met uiterste traagheid, of stuurden ze de verkeerde richting uit.

Enkel bevond zich in Warschau een klein detachement Franse troepen onder bevel van generaal Maxime Weygand. Tot zijn staf behoorde ook kapitein Charles de Gaulle. Terwijl buitenlandse diplomaten de Poolse hoofdstad begonnen te verlaten, werkte Pilsudski een gedurfd plan uit. In de nacht van 6 op 7 augustus 1920 voerde hij zijn operatieve flankaanval uit. Het lukte! De Sovjets lieten zich compleet verrassen. In twee opeenvolgende veldslagen vernietigden de brigades van Pilsudski twee derde van de Rode cavalerielegers. Er werd gesproken van het wonder aan de rivier de Weichsel (Wisla). De restanten van het bolsjewistische leger zochten hun heil in de vlucht. Hun traagheid, vermoeidheid en lange aanvoerlijnen hadden de Sovjets de das omgedaan. Daarbij hadden ze ook geen rekening gehouden met de communistenhaat van de Poolse burgers en boeren. Deze oorlog is thans bij ons grotendeels vergeten.

Intermarium

Midden augustus kwam het tot een voorlopige wapenstilstand. Op 12 oktober 1920 ondertekenden Polen en Sovjet-Russen in Riga een vredesverdrag. Polen had meer gebied gewonnen dan haar was toegekend door de beleidsmakers in Parijs. Polen moest echter van zijn voornemen afzien om van Wit-Rusland en Oekraïne vazalstaten te maken. Communistisch Rusland op zijn beurt diende komaf te maken met het idee om Polen als springplank te gebruiken. President-maarschalk Pilsudski zag zijn persoonlijke droom in elkaar gestort. Zijn hoop op een Pools ‘intermarium’ van de Oostzee tot de Zwarte Zee kon hij nu wel definitief opbergen en vergeten.

In het zuiden van Polen op de grens met Tsjechoslowakije, de lievelingscreatie van de geallieerden, diende de Volkenbond te bemiddelen tussen de twee ‘overwinningsstaten’. Daar lag het kleine Habsburgse hertogdom Teschen (in het Tsjechisch Tesin; in het Pools Cieszyn) dat echter over aanzienlijke steenkoolvoorraden beschikte. Naast een sterke Duitse minderheid woonden er Polen en Tsjechen in verhouding van twee tot een in het voordeel van de Polen. Hoewel het gebied aan Tsjechoslowakije toegewezen was, maakte Polen er heel wat heibel over. Een gewapend conflict dreigde in januari 1919. Enkele grensschermutselingen vonden er plaats. In Parijs wist men zich geen raad met de hoogoplopende ruzie tussen beide nieuwe staten. In juli 1920 ontwarde de Volkenbond ten slotte de gordiaanse knoop. Zonder plebisciet splitste men het kleine hertogdom op in twee delen zonder rekening te houden met de verlangens van de aanwezige bevolking.

Na jaren van oorlog bevestigde de Volkenbond op 14 maart 1923 de grenzen van de Poolse republiek. Dat besluit werd op algemene instemming van de Polen toegejuicht. In de tussentijd had de republiek ook staatkundig en economisch vorm gekregen.

Toch was niet alles rozengeur en maneschijn. Zowat een op de drie inwoners van het land was van niet-Poolse afkomst. Sterke Duitse, Oekraïense, Litouwse, Wit-Russische en joodse minderheden bewoonden het land. Met uitzondering van Roemenië onderhield Polen geen vriendschapsbanden met zijn buurlanden. Zolang deze buren zwak stonden, hoefde Polen met Frankrijk als zijn trouwste maar verre bondgenoot, niets te vrezen. De geschiedenis bleef/blijft echter niet stilstaan en was/is voortdurend in beweging.

_____

Literatuur

  • Borodziej en M. Gorny, Der vergessene Weltkrieg: Band II: Nationen 1917-1923. Darmstadt, 2018
  • Conze, Die grosse Illusion: Versailles 1919 und die Neuordnung der Welt. München, 2018
  • Gerwarth, Die Besiegten: das blutige Erbe des Ersten Weltkriegs. München, 2017
  • De Grote Oorlog: kroniek 1914-1918, deel 37. Soesterberg, 2018
  • Ros, Een vergeten oorlog: Polen-Rusland 1920. Soesterberg, 2003
  • van de Wijdeven, De spoken van Visegrad: de onbekende geschiedenis van Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. Houten, 2018
  • Zamoyski, De slag om Warschau: Lenins mislukte aanval op Europa. Amsterdam, 2009

Pieter Jan Verstraete (1956) is bibliothecaris in Kortrijk maar wijdt zich al zijn hele leven aan de geschiedschrijving van de Vlaamse Beweging. Hij is de biograaf van o.a. Hendrik J. Elias, Odiel Spruytte, Reimond Tollenaere, Leo Vindevogel en tientallen militanten uit de Vlaamse Beweging. Momenteel werkt hij aan een monumentale biografie van Staf De Clercq.

Commentaren en reacties