fbpx


Cultuur

Een zondige drang

Dagboekaantekeningen (62)


zonde

Dinsdagavond 4 januari Istanboel verschijnt vanuit het niets van de televisie, een nieuwe verfilming van Murder on the Orient Express. Heb ik mijn avonturen in die stad ooit op schrift gesteld? Een kleine keuze uit mijn gedichten verscheen door bemiddeling van Mehmet Çetin, een in Amsterdam woonachtige Turkse dichter, bij een kleine uitgever in het voormalige Constantinopel. Die anachronistische naam gebruikte mijn vader: ‘Ik leerde op de lagere school nog dat Istanboel zo heette.’ Ik werd uitgenodigd voor de plaatselijke…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Dinsdagavond 4 januari

Istanboel verschijnt vanuit het niets van de televisie, een nieuwe verfilming van Murder on the Orient Express. Heb ik mijn avonturen in die stad ooit op schrift gesteld?
Een kleine keuze uit mijn gedichten verscheen door bemiddeling van Mehmet Çetin, een in Amsterdam woonachtige Turkse dichter, bij een kleine uitgever in het voormalige Constantinopel. Die anachronistische naam gebruikte mijn vader: ‘Ik leerde op de lagere school nog dat Istanboel zo heette.’

Ik werd uitgenodigd voor de plaatselijke boekenbeurs. Het was 1996 en Recep Erdoğan was burgemeester, maar zijn sloop van de Turkse moderniteit was nog niet ver gevorderd. Mijn nomadische aangelegde uitgever stelde voor samen naar de stad te reizen, waar Mehmet als tolk en gids zou optreden. We reisden met het vliegtuig, waardoor we het menu van zeven gangen misten, de oesters, de tarbot, de wijn die de robijnen van de dames zou hebben doen verbleken, maar de wereld was nu eenmaal al geruime tijd ten onder aan het gaan en in 1977 was Istanboel als bestemming van de Oriënt-Express geschrapt, zodat we waren aangewezen op de luchthaven, een bouwkundige uitdrukking van de eindtijd. Maar evengoed stond het klatergoud van het Pera Palace Hotel op ons te wachten, dat de Turken speciaal voor de treinreizigers uit het westen aan de Gouden Hoorn hadden neergezet en dat in 1892 was geopend met een bal. Agatha Christie had in kamer 411 haar roman geschreven.

Pera Palace verwelkomde ons met zijn palmen, zware rode draperieën en Perzische voetbalvelden; eertijds konden dames er met smachtende blikken betalen. Maar al deze Europese clichés waren om zo te zeggen geörientaliseerd: het rood was dieper, de kussens zachter, de etymologie van de ottomane stond er uitgestald, de odalisken aan de muur waren niet te tellen… en wij, globetrotters, geloofden het allemaal, net als in 1892, dit door het Ottomaanse Rijk opgediste romantische oosten, waar onze postmoderne fantasie, week bij de voorstelling van stoombaden en waterpijpen, onmiddellijk de Verlichting begon te nuanceren.

Maar helemaal papperig werd ons denken niet: Mehmet introduceerde ons in de literaire wereld van Istanboel, we voerden gesprekken over de rol van de islam als leverancier van ornamentatie (de reus sliep, of liever gezegd, wij sliepen) en de invloed van de Europese literatuur op de seculiere Turkse. Een oudere heer, die uitstekend Frans sprak, had mijn bundeltje al gelezen en een citaat van Apollinaire herkend. We dronken bier in de aangename warmte van het voorjaar; de Bosporus blikkerde als verzilverd, kapitein Walrus en kapitein Oliepul voeren voorbij; en de oude villa’s met hun balkons, houtsnijwerk en veelkleurigheid, stonden op de pen van Orhan Pamuk te wachten (die wij nog niet kenden).
De straatjes kronkelden gezeglijk. De grote bazar stortte zich op ons met zijn gemeenplaatsen. Ik slaagde erin het Grieks op de fresco’s in de Hagia Sophia te ontcijferen. Buiten flaneerden vele wereldse vrouwen. Aan de oevers van de Bosporus aten we verrukkelijk lamsvlees; op zoveel meter van de moskee kon je wijn bestellen. Enfin, enzovoort: oppervlakkige impressies leiden tot oppervlakkig impressionisme en het is meer dan vijfentwintig jaar geleden.

Woensdag

Voor de plaatselijke televisie (maar Istanboel heeft meer inwoners dan Vlaanderen) prees ik de organisatoren van de boekenbeurs. Ik zette een paar handtekeningen en dat was dat. Vervolgens trokken we in literair gezelschap naar een restaurant, bezield door een aandoenlijk internationalisme, met belezenheid als toverstaf… Eenmaal gezeten (Mehmet kende de eigenaar) bestelden we zeven gangen, waartussendoor we almaar idealistischer toespraken hielden, almaar luider zongen, een almaar geilere knie streelden, een wulpser dijbeen beroerden… Weldra brak de wereldvrede uit.

Ik strompelde in een nevel van raki naar Pera Palace, waar ook in kamer 209 het bed met Egyptisch katoen was opgemaakt. Mijn uitgever was nergens te bekennen. Achter me hoorde ik voetstappen: ik keek om, een vrouw had zich uit het vrolijke gezelschap losgemaakt en volgde me. Een donkere vrouw. Hier, in deze uithoek van Europa, ontstond uit de schemering van een steeg een donkerharige vrouw met rode lippen. In de schoot van mijn dronkenschap. Bij de helder verlichte ingang van het hotel herkende ik haar als mijn tafeldame, naar wie ik vaak geglimlacht had, want ze sprak enkel Turks.
Raki! Dat Ottomaanse vergif volstond om Joy te vergeten.

In bed

Ik beschouw ons huwelijk – niet dat het u iets aangaat – sinds de dood van Anna als iets heiligs (monogamie als kind van de dood). Die onaantastbaarheid is een keuze van mijn wil; anders dan Schopenhauer kan ik ook willen wat ik wil. Omgekeerd wil ik mijn gevoelens niet, anders pleeg ik binnen de kortste keren overspel.

Donderdag

Ik lees Father and Son van Edmund Gosse (boek 79 van mijn lijst). Die klassiek geworden autobiografie portretteert het milieu waarin het kind Edmund halverwege de negentiende eeuw opgroeit: zijn ouders zijn lid van de Plymouth Brethren, een calvinistische sekte waarvan de leden het grote krankzinnige Boek als een zuiver feitelijk relaas opvatten; ook zijn ze zo bang te zondigen dat ze nauwelijks durven te bestaan. Zijn moeder onderdrukt een zondige drang naar fictie, want dat is een vorm van liegen, en schrijft in plaats daarvan religieuze traktaten; ze sterft wanneer Edmund zeven is. Zijn vader, Philip Gosse, een vriend van Darwin, geniet nog altijd faam als zoöloog (specialiteit: zeeanemonen), maar hij verzet zich met hand en tand tegen de evolutieleer.

Deze ouders zijn even begaafd als dom, en treurigheid overvalt me bij de passages over dat geestdodende, fantasieloze lezen, en mijn treurigheid wordt groter naarmate de zoon liefdevoller over hen schrijft, ook al heeft hij als volwassene een andere weg gekozen. Wat heb je nu aan een god die bang is voor de verbeelding, die bang is zelf als verbeelding te worden opgevat?

Vrijdag

De sekte herinnert me aan het Plymouth van mijn jonge jaren.
Daar woonden de Hancocks, een door abstracte mensenliefde gedreven echtpaar, bij wie ik geacht werd op zondag na kerktijd te komen eten. Hun naoorlogse rijhuis was een model van slaapverwekkende deugd, waarin tussen 1950 en de Wederkomst zo weinig mogelijk diende te gebeuren. Misschien maakte hun kinderloosheid dat de inrichting zo matriarchaal aandeed; in de eetkamer, waar ik wekelijks hetzelfde dode lam doorslikte en beleefde hapjes van gekweld ogende bloemkool nam, keken porseleinen poppetjes vanaf de schoorsteenmantel naar het substituutkind; overal lagen tapijtjes en stonden kopjes op hun schoteltjes te wachten tot er weer thee kon worden geschonken; het hele huis scheen niet mannelijks te bevatten, ook de heer des huizes niet – Mr Hancock was zo verlept alsof hij geen water kreeg, hoewel dat in hun kring toch de favoriete drank was.

De Hancocks waren namelijk puriteinen (zij het geen Plymouth Brethren). Ze meden anglicaanse godshuizen en bezochten in plaats daarvan een zogenaamde chapel, een zwaarmoedig gebouwtje uit 1886, waar ze samenkwamen met een handvol even vreugdeloze geestverwanten, die dit ondermaanse voornamelijk onhygiënisch vonden, maar vergeten waren naar Amerika te emigreren.

Zaterdag

De notie van de evolutieleer, die enige jaren voor de publicatie van On the Origin of Species (dat was in 1859) al onder biologen en geologen circuleerde, verwarde Philip Gosse in hoge mate. Verstandelijk was hij geneigd Darwin te volgen, maar emotioneel was hij daar niet toe in staat. Zo kwam het dat hij een theorie uitbroedde die zijn religieuze opvattingen met het darwinisme verzoende: God had de aarde het aanschijn van ouderdom gegeven, de geologische lagen waren meegeschapen, met inbegrip van de fossielen, en met zijn pink had God een navel in Adams buik gepulkt. In 1857 publiceerde hij die theorie onder de titel Omphalos (Grieks voor navel). Het boek werd op hoongelach onthaald; zowel aanhangers als critici van Darwin vonden de gedachte dat God toekomstige geologen in de war had willen brengen bespottelijk.

Maar zie, het idee van ingeschapen fossielen werd in de twintigste eeuw populair onder fundamentalisten. Op mijn gymnasium debatteerde ik ooit met de zoon van een fundamentalistische dominee over de ‘schepping in zes dagen’ (de term ‘creationisme’ werd toen nog niet gebruikt); hij zei dat Genesis bestemd was voor ‘eenvoudige Joden’ en dus letterlijk moest worden opgevat; ik sneerde dat de versteende anemoon van honderd miljoen jaar geleden toch maar mooi bewees dat de wereld geen vijfduizend jaar oud was. Zijn bleekblauwe ogen stonden erg bijziend in het ouwelijke hoornen montuur, hij snoof als een ontstemde profeet en noemde mij een ‘heiden’, maar ik lachte hem vierkant uit en riep, zo luid dat de hele gang kon meegenieten: ‘Jij hoort niet op een gymnasium thuis!’

Deze scène was een herhaling van het hoongelach dat die arme Philip Gosse in 1857 ten deel viel. Mijn opponent in de naargeestig echoënde tegelgang van het stedelijk gymnasium, wiens toornige gelaat bleek oplichtte in de winterzon, is later zijn vader opgevolgd als predikant in de Gereformeerde Kerken in Nederland (onderhoudende Artikel 31 Kerkorde).

Dinsdag

Naar Cranbrook. Daar zetelt mijn tandarts, die Jay heet – een umlaut van Joy, alsof er au is ingestopt. Ze is midden dertig en ik zie enkel haar blauwe bril tussen mond- en operatiekapje. Van mijn eerste bezoek herinner ik me haar humor.
‘Waarom wilde je eigenlijk tandarts worden, Jay?’
‘Om een Ferrari te kunnen kopen.’
Weer naar huis. In Hawkhurst wordt bij het kruispunt gewerkt: ik sta op een zonnige dag onder een azuren lucht tien minuten stil. In de straat links van mij leiden andersoortige mensen in naoorlogse bungalows een andersoortig bestaan, met andersoortige kinderen en een andersoortig gevoelsleven. En toch leven ze hun leven parallel aan het mijne en dus glimlach ik naar ze. En ik luister naar Monteverdi op de autoradio, totdat – pèpèpèèè – de anapest van een claxon Venetië opblaast, en ik weer verder moet, naar huis, honden, boeken, Joy.

Woensdag

Bij Paul Fraser Collectibles kun je voor een paar honderd pond haren van beroemdheden kopen, waaronder een losse haar afkomstig uit de baard van Karel I. Zoals bekend werd de monarch op 30 januari 1649 onthoofd. Na de executie werd het hoofd weer aan de romp genaaid – ik probeer me dat karweitje niet in detail voor te stellen. Daarna werd hij gebalsemd en in een loden kist begraven in de koninklijke kapel in Windsor. In 1813, toen de kapel gerenoveerd werd, kreeg Sir Henry Halford, de lijfarts van Edmund Gosse, de kans de koninklijke resten te onderzoeken. Hij knipte bij die gelegenheid twee plukken haar uit Karels puntbaard. De arts noteerde in zijn verslag daarover: ‘The pointed beard, so characteristic of the period of the reign of King Charles, was perfect.’

Ook dit postume kapperswerk duw ik uit alle macht voor mijn geestesoog weg, maar waarom eigenlijk? Ik kan best tegen bloed, ik ben nog nooit in mijn leven
flauwgevallen, al is het waar dat ik mijn ogen sluit als in een film een executie wordt getoond. En het is uitgesloten dat ik ooit een echte moordpartij (een video van
Islamitische Staat bijvoorbeeld) zou gaan zitten bekijken. De ouders van de
Amerikaanse journalist Daniel Pearl, wiens hoofd werd afgezaagd door een lakei van het kwaad, hebben zichzelf gedwongen naar het filmpje van dat bloedbad te kijken, om hun zoon te eren, om te maken dat hij alsnog niet volstrekt alleen was in die laatste ogenblikken. Nu ik dit opschrijf (ik wilde iets anders vertellen) vertroebelt een mistflard mijn computerscherm.
Ik wilde vertellen hoe ons gezin op een vakantiedag in de jaren zestig Madame
Tussauds in Londen bezocht. Er was daar ook een ruimte waar gruwelen werden uitgebeeld – ik stelde me galgen en bloederige bijlen voor, verwrongen gezichten met een naar de laatste lucht uitgestoken paarse tong, allemaal van was, allemaal echt: het woord HORROR zoog mij naar binnen toe. Maar op het laatste moment snauwde mijn vader, die nooit snauwde, dat ik daar niet naar binnen mocht. Ik keek om: hij zag wit van een ontzetting die in geen enkele verhouding stond tot datgene wat niet eens gebeurd was.

’s Avonds

Veel mensen schijnen hun spraakvermogen te hebben gekregen om te verbergen dat ze geen gedachten hebben, zei Talleyrand al – tweehonderd jaar later schijnen sommigen hun handen te hebben gekregen om standbeelden met een beknopte samenvatting van hun ideeënwereld te beschilderen. De beminnelijke, ietwat in de moderniteit verdwaalde afgevaardigde Jacob Rees-Mogg zei hierover: ‘Ik teken toch ook geen snor op het standbeeld van Cromwell omdat ik tegen het vermoorden van koningen ben gekant?’

Zaterdag 15 januari

Regen, wind en alweer geen wedstrijd van Westfield FC. Het veld is onbespeelbaar: een sliding zou vele meters lang worden.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.